Discussie over homofilie (1)

1976-10-08
  • Jaargang 20
  • nummer 39
Ik ben blij, dat ds Van der Kwast heeft willen reageren op mijn artikelen over homofilie in de juninummers van ons blad. Hij heeft ingezien, dat je ook met een tegensprekend artikel de eenzaamheid kunt doorbreken, die vallen kan rondom iemand die iets gewaagds gezegd en iets delicaats aangesneden heeft. Immers, dat er binnen onze kerken vragen over los gekomen zijn, zoals mijn collega schrijft, is hem blijkbaar meer bekend dan mij. Vandaar dus mijn vreugde over en waardering voor dit publiek reageren. Dat geeft ook gelegenheid voor een nader verhaal.
Ds Van der Kwast heeft mij drie vragen gesteld. Bij de beantwoording daarvan zal ik een andere volgorde gebruiken, omdat ik het belangrijkste, het principiële voor het laatst wil houden. Maar wat bij hem de eerste vraag is, is ook bij mij het eerste antwoord.
Was het verantwoord tegenover de kerken om een gevoelig onderwerp als dit aan te snijden en tegelijk tot een actie over te gaan?
Was het niet beter geweest om van tevoren overleg te plegen in de kring van de kerken om bij voldoende overeenstemming te komen tot een actie, waaraan de 'kerken hun steun zouden kunnen verlenen?
Nee, eerlijk gezegd geloof ik niet dat dat beter zou zijn geweest. Ik vind trouwens, dat men zich te zwaar uitdrukt, als men beweert dat ik een actie gevoerd heb. Toen ik mijn publicatie deed, schreef ik dat 't mij nier direct begonnen was om steunverlening. Slechts voor het geval dat iemand zich niet zou kunnen bedwingen, stelde ik mijn girorekening ter beschikking, Daar is wel enige reactie op gekomen, meer dan ik verwacht had. Aan het eind zal ik daar een sobere verantwoording over afleggen. Maar een actie voeren, - nee, dat was mijn eerste opzet niet. Maar waarom dan toch ds Doucé en zijn werk in Parijs genoemd?
Om de lezers te laten merken dat ik niet zomaar, omdat ik daar nu toevallig zin in heb, met zo’n delicaat onderwerp op de proppen kom. Dat de aanleiding daartoe in het levende leven zelf gelegen was.
In je werk maak je contacten, doe je ontmoetingen op. Van het ene kom je tot het andere. Ik wilde immers mezelf verklaren over het feit, dat mijn naam in de krant verschenen was in verband met een project, tezamen met andere namen, met welke de mijne niet in één adem genoemd pleegt te worden. Dat één en ander bevreemding zou kunnen wekken. Ik wilde, door. zo op vertellende wijze te werk te gaan, al de schijn van provocatie vermijden. Ik wilde mijn lezers laten voelen, dat ik ergens in verzeild ben geraakt, waaraan ik me met goed christelijk fatsoen niet kon en kan onttrekken. Daarom herken ik mijn opzet niet zo goed, als er van gesproken wordt dat ik een actie gevoerd heb. Wel kan men achteraf zeggen dat het er toe gekomen is, maar dat is ook tot mijn eigen verbazing. En blijdschap, voeg ik er aan toe om misverstand te voorkomen.

Ik versta voorts niet, da tik dit via de kerkelijke weg had moeten doen. Ik zou dan luidkeels en onnodig om moeilijkheden hebben gevraagd. Ik weet immers veel te goed hoe het bij een gevoelig onderwerp als dit ligt. Wie er nooit mee te maken heeft gehad, staat er niet begrijpend en in de meeste gevallen ook afwijzend tegenover. Zo is dat met mezelf ook gegaan.
Meerdere jaren heb ik erover moeten doen om er voorzichtig een mond over open te doen. En dan zou ik opeens, onverhoeds en pardoes, de kerken voor dit onderwerp moeten interesseren, omdat er zo nodig aan een actie meegedaan moet worden? Ik geloof niet dat zoiets mogelijk is. De weg die ik bewandeld heb, schijnt mij beter toe. Degene, die zich door het geiheel aangesproken voelde, kon reageren. Wie dat niet deed - even goede vrienden. Ik vermoed, dat vooral diegenen iets hebben gedaan, die in hun familie of omgeving wel eens met het probleem te maken hebben gekregen en geleend hebben, dat 't allemaal veel minder eenvoudig ligt dan zij ook zelf vroeger gedacht hadden.
Natuurlijk, ah nu deze gevers tot de niet-gevers zouden zeggen: jullie zijn niet goed vrijgemaakt, of iets nog onzinnigers, dan zou dat polariserend werken. Ik vind het fijn, tot een pluriforme kerk te behoren, waarin veelvormige initiatieven mogelijk zijn. En dat je zelf mag kiezen, waaraan je meedoet of niet meedoet. Een van de dingen, die we met ons blad Opbouw proberen, is de lezers oog te doen krijgen voor deze pluriformiteit en hen, binnen de perken van het ene geloof, te leren omgaan met het anders denken van de ander, We hebben in het verleden te veel gedacht (en doen dat veelszins nog) dat we allemaal over alles gelijkelijk moeten denken. Natuurlijk mag daar naar gestreefd worden, want verschil van mening is nooit leuk. Daarom is onderling gesprek, ook in de krant, goed en nodig.
Maar laat daarbij altijd blijken mogen, dat we elkaars gevoelens eerbiedigen en elkaars argumenten serieus nemen.


Alles goed en wel, maar u gaat, ds. over zo iets moeilijks een preek houden en dat is toch zeker te vroeg, te onrijp. Ook ds. Van der Kwast heeft daar moei te mee. "Ds De Jong heeft het mensen die hem' willen aanspreken op zijn artikelen niet gemakkelijk gemaakt door een preek te publiceren en uit te geven." Ja, ik zie in dat ds.Van der Kwast daarin wel 'een beetje gelijk heeft. Ik versta achteraf wel, dat 't tegenover de lezers niet erg pastoraal was om juist hen, beschermd kerkvolk als ze zijn, met deze preek te confronteren. Dat moet bij sommigen hard aangekomen zijn. Mijn verontschuldiging daarvoor.
Toch nog een paar opmerkingen hierover. In mijn eigen gemeente was deze preek niet uitdagend. Wij hebben al jaren lang met het probleem te maken. Sinds jaar en dag wonen homofiele vriendenparen onder ons, zonder dat zij van het avondmaal worden geweerd. Dit betekent ook dat er jarenlang binnen en buiten de kerkenraad aan meningsvorming hierover gedaan is. Deze preek, die dan bovendien nog in het kader van een doorlopende lezing van de brief aan de Romeinen in de namiddagse leerdienst gehouden werd, kon daarom voor de gemeente niet, schokkend zijn.
Er is nog iets. Bij de publicatie heb ik toch wel bewust voor de preekvorm gekozen. Daarbij 'heb ik te weinig aan de onvoorbereide lezer gedacht, dat is waar, maar des te meer aan de rechtstreeks betrokkenen. Die hoor je namelijk nog wel eens zeggen: er wordt altijd maar over ons gesproken, maar wanneer worden wij eens toegesproken? Bemoedigend en zegenend? Voor mij ligt een brief van een van hen uit het land, die schrijft: "Dank u wel, dat u ons gezegend hebt; dat is mij nog nooit overkomen in de kerk." Ook het feit, dat de preek met de gehele liturgie en al gepubliceerd is (u weet wel, de aparte uitgave) heeft goed gedaan. Er zat zo een fijn stuik sentiment in, vond een van hen, het was niet enkel argument. Inderdaad, als iemand een probleemmens is, is hij toch vóór alles mens, en pas dan probleem. Juist in de kerk moet dat duidelijk zijn.

Tenslotte op dit punt een argument dat .ik al eens eerder gebruikt, heb. Zou er niet iets van proberen in de prediking mogen zitten?
Gaan we niet te ver als we zeggen, dat in de preek alleen dingen verkondigd mogen worden die onder ons volkomen zekerheid hebben gekregen? Ik ben van mening dat we dan aan de prediking een nog strengere maatstaf aanleggen, dan de bijlbel aan zich zelf doet. Paulus gebruikt bij sommige onderwerpen die hij bespreekt ook het 'mijns inziens' (zie 1 Cor. 7). Ik weet wel, dat geeft ons het recht niet, om er maar op los te experimenteren, maar dat gebeurt in de onderhavige preek ook beslist niet.
Heus, in de meeste preken zitten onderdelen die voor nadere discussie in aanmerking komen. Ten allen tijde is dat onder het koffiedrinken na de morgendienst ingezien.
Trouwens, staat deze preek nu zo duidelijk in het teken van het vrije experiment? Er is toch wel groter voorzichtigheid betracht dan ds. Van der Kwast doet voorkomen. Ik heb inderdaad geschreven, zoals mijn collega ook releveert, dat ik persoonlijk niet precies weet, hoe ik over homofilie moet oordelen. Maar het is niet zo, dat ik in de preek gedaan heb, alsof ik dat op alle punten wèl wist. Ik herinner hier met name aan de passage waarin ik stel, dat wij en vooral zij (de homofielen) de handen vrij moeten krijgen om een goede 'prothese' voor dit gebrek te vinden. Daarin spreekt zich een stukje onzekerheid uit.
Wel heb ik zoveel zekerheid, dat ik de onderscheiding tussen gebruik en misbruik van de homofiele aanlieg heb durven doorvoeren. Ook suggereert ds Van der Kwast te veel, als hij in verband met het homofiele samenleven in duurzame vriendschap het woord 'aanmoedigen' gebruikt. Wanneer hij met dat woord bedoelt mijn standpunt weer te geven, ervaar ik dat als onzorgvuldig, .Ik heb nooit aangemoedigd, ik heb alleen niet veroordeeld,

Bij de volgende vraag begeert ds Van der Kwast opheldering over de relatie van ds. Joseph Doucé met de N.V.s.H. en het C.O.C. "Het staat dacht ik wel vast, dat we met deze organisaties niet in zee gaan". Opnieuw, zo zou ik ook geschreven hebben in geval ik op afstand zou hebben moeten oordelen. En vanwaar dan die oordeelsverzwakking dat ik dat nu toch niet doe? Zou dat op zichzelf al geen reden moeten zijn om me te distantiëren? Het is duidelijk, dat ds Van der Kwast mij met deze vraag in verlegenheid brengt. Ik voel me op dit onderdeel echt een advocaat voor kwade zaken. Toch een poging om enig begrip te stichten. Voorop staat, dat ds Doucé zelf verklaard heeft, via het 'ingezonden' van de stichting in Trouw, dat hij het locker niet in alles met de N.V.S.H. en andere organen, waar hij contact mee heeft, eens is. Men zal dus ds. Doucé niet voor a:J.leuitingen van deze verenigingen verantwoordelijk mogen stellen. Vervolgens geldt hetzelfde weer inde verhouding tussen dis Doucé en mij. Ook ik ben het wel eens met ds Doucé oneens. Ik heb eerder a,l geschreven, dat ik binnen de stichting meermalen een eigen en afwijkend standpunt vertegenwoordig. (Mijn collega signaleert dat terecht, ik kom daar nog op terug.) En soms is ds. Doucé het met mij eens en dan weer met de anderen. Verscheidenheid genoeg dus.
Ja, maar dat is mij te relativistisch, zal iemand zeggen. Er loopt toch ergens een duidelijke grens en wanneer is die dan bereikt? Ik zou willen terugvragen: dacht u werkelijk, dat ik mezelf deze vragen ook niet stel? Geloof me, mijn geweten heeft een even gevoelige kompasnaald meegekregen ah. het uwe. En dat geldt ook van br Doucé.
Dat behoedt niet voor vergissing en dwaling, dat is waar. Daarom iets dat meer ter zake doet. Wanneer je je in deze wereld oriënteert, stuit je op dingen, waar je werkelijk geen flauw benul van hebt. Om iets te noemen: heeft u wel eens nagedacht over de vraag wat een homofiele man moet doen, aan wie ooit een huwelijk is aangepraat onder het zeggen, dat "het' bij een gezonde vrouw wel zou overgaan, maar het is niet overgegaan, ook na veel gebed niet? Of weet u hoe een transseksueel moet leven, iemand die met een vrouwelijke ziel in een mannelijk lichaam huist of omgekeerd? Heeft u zich de vraag wel eens gesteld, wat iemand in een rolstoel eigenlijk met z'n seksualiteit aan moet?
Vervelende vragen. Vragen die zelfs, als ze zo achter elkaar aan je gesteld wonden, een gevoel van irritatie kunnen oproepen. Vragen die ver buiten onze gezichtskring liggen. En wanneer ze voor iemand onder ons actueel worden, waar is dan het adres voor hem om zulke vragen die hem persoonlijk kwellen, door te spreken? Er zijn predikanten die gemeenteleden welke met zulke vragen komen, de toegang tot hun huis ontzeggen. Ik zeg dat niet, geloof me, om zulke predikanten in een kwaad daglicht te stenen. Ik weet, dat grote persoonlijke zuiverheid de drijfveer van deze verontwaardiging kan zijn.
Maar vooral de N.V.S.H. heeft nu op al zulke gebieden organen, waarin bijvoorbeeld lotgenoten elkaar kunnen ontmoeten en. spreken.
Ik weet wel, dat deze zelfde N.V.S.H. ook een propaganda-apparaat heeft, dat zich veelszins kenmerkt door normloosheid, Maar de N.V.S.H. valt toch niet samen met dat propaganda-apparaat. Achter die uitdagende voorgevel gebeurt toch veel werk, waar eenvoudig geen christelijk alternatief naast gesteld kan worden. En zo staat het ook met het C.O.C. Ik ken homofielen, die ideologisch ver van 'het C.O.C. af staan en toch God gedankt hebben voor bepaalde mogelijkheden die het bood, bijvoorbeeld die van gewoon menselijke contactoefening, waarbij 'het' onderwerp niet geschuwd behoefde te worden. Zo moeten we dus ook bij de N.V.S.H. en het C.O.c. weer onderscheiden Dat Doucé er mee in relatie staat, lijkt me onvermijdelijk Het gaat er maar om: hoe gebruikt hij die relaties?
Vergelijk het met een drenkeling, die in het midden van een brede vliet door het ijs is gezakt, Als jongetje heb ik het wel gezien, dat van de wal af dan een ketting van mensen wend gesmeed, om de ongelukkige te bereiken. Welnu, ds Doucé staat of ligt het dichtst bij het wak, Dan kom ik en vervolgens collega Van der Kwast. En die op de wal staat, geeft rechtstreeks de Here de hand. Ds. Doucé krijgt van mij wel eens een waarschuwing te horen en ik weer van mijn beste collega uit Amstelveen.
En dat alles om samen in Christus' naam onze medemens, onze broeder of zuster te helpen, Genoeg dit keer. Volgende wee!k verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief