Tijdelijke diensten en ambten
1976-10-08
In de eerste tijd van de christelijke kerk een globale aanduiding, o.m. omdat b.v. de gemeente te Corinthe niet voor 51 n. Chr. is gesticht. Haar eerste tijd valt dus geruime tijd" later dan die van b.v . de gemeente te Jeruzalem - waren er verschillende gaven van de Geest, diensten en ambten die een bijzonder karakter hadden, Eigenlijk is de onderscheiding tussen diensten en ambten niet geheel correct omdat de ambten ook diensten waren.- Jaargang 20
- nummer 39
We zouden daarom dus moeten spreken over niet ambtelijke en ambtelijke diensten, waarbij we dan moeten erkennen dat de grens tussen beiden door ons nier altijd scherp te trekken is. Maar we houden ons voor het gemak aan de bekende onderscheiding tussen diensten en ambten zonder meer. Zij is nu eenmaal ingeburgerd. Bij de ambten denken we dan aan een daarmee verbonden roeping, aanstelling en autorisatie, terwijl de diensten meer spontaan in de gemeente opkomen op grond van door de Geest verleende gaven. Deze ontbreken bij de ambten wel 'niet, maar vormen daarvoor niet de grond, al zijn ze er wel onmisbaar voor: dat is bij de ambten de roeping en aanstelling. Alle ambten zijn dus diensten, maar 'alle diensten nog geen ambten.
Onder de ambtsdragers !komen in het Nieuwe Testament de apostelen op de eerste plaats.
Zij hebben een geheel. eigen positie. Zij komen niet zoals anderen uit de gemeente op maar deze danken aan hen haar ontstaan. Zij zijn geroepen door Christus zelf, zoals we o.a. in Joh. 20: 20-23 kunnen lezen. Ook Paulus weet zich door de Here Christus geroepen, Rom. 1 : 1 e.a. Hun woord heeft voor de kerk een geheel eigen gezag. Zij dienen niet een bepaalde gemeente. Hun ambt is om zo te zeggen universeel.
Direct na hen worden enkele malen de profeten genoemd, 1 Cor. 12 : 28, Ef. 2 : 20 en 4 : 11. Hun dienst berust niet op een bepaalde aanstelling, maar op het ontvangen hebben van de gave der profetie. Daaronder hebben we te verstaan kennis van de verborgenheden van God, 1 Cor. 1'3 : 2, Ef. 3 : 5, waaronder ook Zijn heilshandelen in de geschiedenis vak Soms voorzeggen zij concrete gebeurtenissen, Hand, 22 : 11. Zij spreken tot stichting van .
de gemeente en tot haar lering en bemoediging, 1 Cor. 14 : 3 en 31. De uitdrukking in vers 26: heeft ieder iets ... een openbaring, duidt het bezit van een charisma aan. Het benutten van deze gave kwalificeert de ontvangers als een bepaalde categorie in de gemeente, Hand. 21 : 9. Paulus schar de profetie zeer hoog, 1 Cor. 14 : 4 en 39. De gemeente moet de profetieën wèl toetsen, 1 Cor. 14 : 36-38.
Hoe belangrijk de profeten zijn naast de apostelen blijkt uit de plaats, die zij in de opsomming van functionarissen ontvangen - direct ná de apostelen - aIs ook hieruit dat we lezen dat de gemeente is gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten.
Van deze twee groepen gelde nu echter dat hun ambt en dienst zich in de kerk niet in dezelfde vorm heeft voortgezet. In de Nederlandse Hervormde Kerk wordt wel. over het apostolaat gesproken, maar dit is geen gelukkige term voor de roeping van de kerk t.o.v. de wereld, Want het ambt van de apostelen was naar de aard der zaak van tijdelijke aard en kon zich niet voortzetten. De apostelen hadden namelijk van Christus te spreken als zijn oor- en ooggetuigen, Hand. 1 : 8; zie voor Paulus 1 Cor. 9 : 1. Daarin had hun ambt wel betekenis voor alle tijden maar toen zij als personen wegvielen kon hun lege plaats niet weer worden ingenomen door anderen: het ooggetuige zijn is nu eenmaal tijdgebonden! Profeten zijn er ook niet meer in die bepaalde zin die we in het Nieuwe Testament aantreffen. Blijkbaar hangt dit samen met het gereed komen van het Nieuwe Testament als geschrift, waarin Gods openbaring voor zover zij bestemd was voor de kerk van alle tijden is bewaard en vastgelegd, Dat maakt profeten, die persoonlijk openbaringen ontvangen, overbodig.
We hebben nu immers de geboekstaafde profetie, Ef. 3 : 1-6, Rom, 9 : 25, Openb.
1 : 1-3. Voor zover de werkzaamheid 'Van apostelen en profeten bestond in het onderwijzen in en uitleggen van de Schriften kon die later worden waargenomen door anderen.
De geschiedenis geeft ,,aan de rand van de kerk" nog wel profetie te zien als bij de Montanisten in de tweede helft van de tweede eeuwen bij de Dopersen in de eeuw van de Reformatie, maar de kerk heeft deze afgewezen vanwege haar fantastische en onschriftuurlijke inhoud.
Wanneer wij bepaalde figuren uit de kerkgeschiedenis profetische noemen is dat een overdrachtelijk spraakgebruik dat deze mannen wil typeren als bijzonder met de kracht en het inzicht van de Heilige Geest begaafd. Tegen dit spraakgebruik kan geen bezwaar bestaan als wij maar bedenken dat zij daarmee niet op één lijn staan met de profeten uit het Nieuwe Testament. De grote Reformatoren hebben voor zichzelf de naam van profeten niet opgeëist. Calvijn verstaat onder profeten "hen, die door een bijzondere openbaring uitblonken, zoals er nu of geen 'zijn, of, als ze er zijn, vallen ze niet zo duidelijk in het oog." 2) In zijn commentaar op 1 Cor. schrijft hij dat 'er alleen nog maar enige 'sporen of schaduwen van gezien worden, 3) Wij kunnen voor wat de inrichting en de situatie van de eerste christelijke kerk betreft dus niet ronder meer terug naar de eerste tijd na Pinksteren. Deze conclusie moeten we hier alvast trekken.
We hebben daartoe nog meer reden wanneer we letten op de Evangelisten. Ze zijn een aan de kerk geschonken gave, Ef. 4 : 11, zie verder Hand. 21 : 8 (Filippus) en 2 Tim. 4 : 5. Ze zijn zoals hun naam aangeeft verkondigers van het Evangelie geweest, medewerkers en helpers van de apostelen. Vermoedelijk zijn er meer geweest dan Filippus en Timotheüs, zie Fil. 4 : 3 en viel hun ambt of dienst weg met dat van de apostelen. Calvijn is van oordeel dat zij een buitengewoon ambt hadden, omdat het in behoorlijk ingerichte kerken geen plaats heeft. 1) In onze kerken is de mening verdedigd dat we in de huidige zendelingen met evangelisten te doen zouden hebben. 4) Hoe dit zij, het betreft dan in elk geval niet een ambt in de plaatselijke kerk.
In verband met ons onderwerp willen we ook letten op enkele geestesgaven die in onze tijd in het middel punt van de belangstelling van velen staan, nl. op die charismata die door hun bijzonder karakter opvallen en verbazing en verwondering teweeg brachten. Dat was allereerst het geval met de gave van de genezing, waar we over lezen in 1 Cor. 12 : 9 en 28. Daarmee nauw verbonden zijn de krachten en het geloof, 1 Cor. 12 : 28, 10 en 9. Met krachten wordt die gave bedoeld waardoor de betrokkenen bepaalde wonderdaden konden verrichten en met geloof dat niet aan alleen maar aan "den een" geschonken wordt die vorm van geloof waardoor de ontvanger in staat wordt gesteld een bijzonder wonderwerk te verrichten. In de regel zal het hier wel een wonderbare genezing betreffen. In Hand. 8 : 6 worden genezingen en duiveluitbanningen tekenen genoemd. Met name de apostelen en hun helpers hadden de gave ontvangen zulke wonderen te doen, Rom. 15 : 18 en 19, 2 Cor. 12 : 12, maar ook met anderen was dit het geval, 1 Cor. 12 : 29 en 30.
Als tekenen bevestigden deze wonderen het Evangelie en brengen zij mede tot het geloof, Hand. 8 : 6, 9 : 35. Paulus spreekt over tekenen van de apostel, 2 Cor. 12 : 12, begeleidingsverschijnselen van de prediking dus!
Ze hangen daarom direct samen met de missionaire positie van de eerste christelijke kerk in haar heidense omgeving. Daarom zijn deze gaven ook als buitengewoon te beschouwen en kunnen we ze niet verwachten in een situatie, waar in de kerk reeds lang gevestigd is. Dat zij op het zendingsterrein nog kunnen voorkomen wordt hiermee dus niet ontkend.
Naast deze gaven vinden we in het Nieuwe Testament ook nog van andere gesproken, die eveneens een opvallend karakter dragen, nl. het spreken in tongen en de uitlegging daarvan. Ook dit spreken was een teken, nl. voor de ongelovigen, 1 Cor. 14 : 22 en het diende tot stichting van de spreker zelf. Alleen wanneer de uitlegging er bij kwam werd ook de gemeente er door gebouwd.
Met 'name in de kringen van de Pinksterbeweging maar toch ook daarbuiten wordt dit spreken hoog aangeslagen, We kunnen het verschijnsel als zodanig hier niet bespreken, maar moeten er in verband met ons onderwerp toch enkele dingen over opmerken.
Na de Pinksterdag komt het als incidentele gebeurtenis voor in Hand. 10 : 47 en 11 : 17. Overigens vinden we het slechts in de gemeente te Corinthe. Of het ook elders voorkwam weten we niet. In Corinthe hadden niet allen deze gave. Sommigen bezaten haar, anderen konden het aldus gesprokene uitleggen, 1 Cor. 12: 30. -Anderen hadden weer andersoortige gaven. Het niet bezitten van deze gave is daarom geen bewijs van het missen van de Geest.
Paulus noemt haar in zijn opsomming van allerlei charismata het láátst, tezamen met de gave van de uitlegging, hij stelt de profetie er uitdrukkelijk boven, 1 Cor. 14: 5 en 19 en wekt op daarnaar te streven, Van het spreken in tongen wil hij slechts dat 'her niet belemmerd wordt, vers 39. De buitengewone nadruk die er sinds het begin van onze eeuw op gel,egd wordt is derhalve met de gegevens van het Nieuwe Testament niet te verdedigen en het is onbewijsbaar dat we bij dit spreken in tongen met een blijvende gave te doen hebben. Wanneer we alles overwegen krijgen we zelfs de indruk van het tegendeel. Het gaat daarom niet aan het verlangen naar de eerste tijd van de christelijke kerk met haar volheid van Geesteswerking ook te vullen met heimwee naar het spreken in tongen. Wanneer we bij de "eerste tijd" inzonderheid denken aan het heerlijke leven in de gemeente te Jeruzalem dienen we te bedenken dat we bij haar van tongentaal niet gesproken vinden, wel van een rijk opbloeiend liefdeleven, waartoe de apostel Paulus de gemeente van Corinthe met haar spreken in tongen opwekt te streven. Dan gaat zij op een weg, die nog veel verder omhoog voert, 1 Cor. 12 : 31. Die weg wordt ook ons gewezen! Want de liefde blijft.
Noten
1) Zie voor geschiedenis en gebruik van dit woord dr A. F. N. Lekkerkerker, Nieuwe Theologie, 's-Gravenhage, 1968, pag. 25-36.
2) Institutie, IV, 111, 4.
3) Uitgave Leiden 1888, D. Donner.
4 Zie ook ds M. R. van den Berg, De gekerkerde kerk, pag. 40, 94.