Het grote gevaar

1976-10-08
  • Jaargang 20
  • nummer 39
In het artikel van de vorige week eindigde ik met het doorgeven van een christelijke gereformeerde stern, die van prof. Van 't Spijker, over de "verwetenschappelijking" van de theologie. We morden daaruit hoe radicaal hij die afwees, Ik wil vandaag beginnen met nóg zo'n, stem door te geven. En wel die van prof. Oosterhoff.
Deze heeft ons onlangs verrast met een voortreffelijke brochure over "De Vrijheid van de Exegese". Ze bevat in substantiële de rede die blij verleden jaar bij de overdracht van het rectoraat in "Apeldoorn' hield.
Prof, Oosterhoff gaat daarin in op het dodelijk gevaar eigen opvattingen, visies, beschouwingen bewust of onbewust als norm te hanteren hij het verkilaren van de Heilige Schrift. Dat kwaad is ook en vooral de bron en oorzaak van de verwetenschappelijking van de theologie.
En tegelijk is die ook vaak het gevolg daarvan, Oosterhoff wijst in verband daarmee o.a. op de ethischen. Voor de theologen van deze "richting" had slechts het "religieus-ethische" in de Schrift gezag. waardoor het gezag van de Schrift evenals het leven der gelovigen in dit ethisch karakter geheel' dreigden op te gaan .. Terecht heeft Bavinck dit dualisme. waarmee als vanzelf een subjectivistische inslag gepaard gaat, steeds afgewezen." Over de grote, pas overleden, onvoorstelbaar invloedrijke theoloog Bultmann hoort men dat bij deze "de existentiële betrokkenheid van de mens norm voor het aanvaarden van de Schrift is", en. zo zegt Oosterhoff dan, “het is duidelijk dat wanneer de menselijke existentie de bruikbaarheid en de toepasbaarheid van de Schrift bepaalt van haar niet veel overblijft." Kuitert, zo gaat Oosterhoff daarna verder, heeft dit subjectivisme terecht afgewezen.
"maar evenmin is hij er zelf aan ontkomen door uiteindelijk de norm voor de waarheid te toetsen aan de toekomst die zij voor mens en wereld opent". Maar, ZlO volgt er dan, "een biblicistische, fundamentalistische Schriftuitlegging is beslist niet minder subjectivistisch, omdat men daarbij dat uit de Schrift uithaalt en gebruikt wat past bij eigen denken en voorstellen en de roest rustig Iaat liggen."
Het komt er op aan, aldus Oosterhoff, volstrekt ernst te maken met de regel, dat de Schrift haar eigen uitlegster is. "Geen vreemde macht mag aan de Schrift worden opgelegd. En hiermee is de vrijheid van de exegese onlosmakelijk verbonden, Daarbij gaat het niet om een vrijheid, die de exegeet voor zich claimt. Het gaat om de vrijheid der Schrift, die in een vrije exegese in vrijheid aan het woord moet blijven komen."

Ten slotte citeer ik nog het volgende fragment uit deze studie: "Dat er in het opkomen voor de vrijheid der exegese gevaren liggen zagen we reeds: zo gemakkelijk kan met een beroep op de vrijheid van de exegese vrijheid voor eigen gedachten en meningen worden geclaimd.
Dan gaat het in plaats van om de vrijheid van Gods Woord om de vrijheid van de autonome mens. Juist in de vrijheid van de exegese gaat het om de voortdurende onderworpenheid van de mens, van de wetenschap (!) en van de kerk aan de Schrift als Gods Woord. Vrijheid van exegese betekent dat eigen gedachten en meningen voortdurend aan de Schrift als het Woord Gods worden onderworpenen getoetst.
Het wil zeggen luisteren, alsmaar luisteren naar' wat de Schrift zegt.
Juist omdat de Schrift het Woord Gods is aan ons. Dat blijve bij ons luisteren naar en onderzoeken van de Schrift biet onwrikbaar uitgangspunt.
Exegese is niet vóór alles wetenschappelijke (!), maar gelovige arbeid. Zij kan alleen op de juiste wijze geschieden in en vanuit het geloof dat de Schrift Gods Woord is en God daarin een boodschap heeft aan ons. Zonder dat is het recht verstaan de de Schrift niet eens mogelijk. Dat de Schrift Gods Woord is is de sleutel tot het recht verstaan van haar. Dat heeft met "bevooroordeeldheid" niets te maken. Het is de gelovige erkenning dat de Schrift is wat zij zegt dat zij is. De sleutel naar de kennis van God in de rijkdom van zijn openbar ing. Dat heeft ook niets te maken met onwetenschappelijkheid In elke wetenschap kan men dan. pas met het object van onderzoek wetenschappelijk bezig zijn, wanneer het object van de wetenschap worde genomen zoals het is.
De Schrift zij en blijve wat zij is. Vrijheid van exegese betekent dat de Schrift nooit monddood gemaakt mag worden, Daarom mag ook niets over de Schrift en dientengevolge ook niets over de exegese heersen. Geen mens, geen kerk, geen wetenschap (!). Ook de theologische wetenschap niet (I). Dat betekent niet dat niets ,,aanleiding" kan zijn om opnieuw naar de Schrift te luisteren of zelfs om haar nieuw te verstaan. 1) Maar de Schrift is haar eigen uitlegster." Ik vraag: zijn dit woorden van een man die de theologie ,,verwetenschappelijkt"? Wordt in het geciteerde niet, juist integendeel, een voortreffelijk, to the point gaande afwijzing daarvan gegeven?

Boven dit artikel heb ik geschreven: ,,het grote gevaar". Die titel is niet overtrokken.
Want door het creëren van een tweede opleidingsinstituut worden wij geconfronteerd met een dodelijk ernstig gevaar voor het leven der kerken, Om dat gevaar zo duidelijk mogelijk te tekenen wil ik weer wijzen op de geschiedenis. De geschiedenis is een formidabele leermeester. Want zij leert ons niet door woorden maar door keiharde feiten. Ik heb in deze artikelen al meer dan eens gewezen op de vereniging van de "Afgescheiden" en de "Dolerende" kerken in 1892. En op het feit dat de opleiding van de verenigde kerken voortaan op twee opleidingsinstituten zou plaats vinden: de Theologische School van Kampen en de Vrije Universiteit van Amsterdam. Toen dreigde direct ook het gevaar dat het hebben van twee opleidingsinrichtingen voor de kerken oplevert, D man die daar met inderdaad profetische helderziendheid op heeft gewezen is prof. Bavinck.
Kort na de "vereniging" van 1892 schreef hij dat het bestaan van twee opleidingsinrichtingen een aantal grote gevaren oplevert, gevaren die deze stand van zaken "geheel onaannemelijk maken."
En dan gaat Bavinck zo verder: "Het grootste bezwaar bestaat wel daarin, dat er aan beide scholen en alzo ook in de kerken een tweeërlei theologische ric1hting opkomt en bestendigd wordt, waardoor de eenheid der gemeente wordt geschaad en de liefde en vrede wordt geweerd. Verscheidenheid van inzicht is goed, eenvormigheid is ook in de kerk en de theologie geen rijkdom maar armoede; maar verschil in richting (vet van Bavinck) werkt altijd schadelijk in de kerk van Christus. Gemeenten en predikanten worden er door in partijen verdeeld. In plaats van samen te arbeiden aan één rijk der hemelen, gaan ze tegenover elkander staan, raken onderling aan dat disputeren en theologiseren, en verteren elkanders kracht, Zeer Iicht kruipt op die wijze de dwaling en ketterij in Jezus' gemeente in. Onwillekeurig toch zal de éne school een vrijere, de andere een strengere richting' gaan vertegenwoordigen. En zoals de geschiedenis leert, zal de vrijere richting dan altijd de jeugdiger krachten tot zich trekken, die straks in de gemeente tegen de meer behoudende richting positie gaan nemen, en verzwakking van het geloof voorbereiden, Maar ook, indien dit gevaar niet aanstonds zien mocht voordoen, komt er toch tussen de beide scholen weldra een onaangename en verderfelijke concurrentie, De zucht om de meerdere te zijn of ook het grootste aantal discipelen te lokken, komt in strijd met de eisen van gehalte en degelijkheid. De ene school wordt die van mingegoeden, van de gevorderden in leeftijd, van de zwakkeren in aanleg; terwijl de andere school haar eer gaat stellen in haar hogere eisen en meerdere duidelijkheid. En ook langs deze weg wordt het verschil in de gemeente ingedragen, en deze zelf verdeeld, straks gescheurd." Bavinck noemt nog meer bezwaren tegen een dubbele opleiding.
Zo o.a. de verspilling van financiële en intellectuele kracht.
Wat dat laatste betreft: twee onderwijsploegen moeten zich wijden aan dezelfde taak!

Maar het grootste gevaar is dat van het ontstaan van richtingen, van de - veelal unfaire - concurrentie, van het leuren om studenten naar· zich toe te trekken enz.
Het is verbluffend na zoveel jaren te lezen wat Bavinck hierover schreef. Want in de volgende decenniën is wat hij voorzag van woord tot woord waar geworden. De strijd over en ten gevolge van de tweeërlei opleiding is een zwarte en fatale bladzij in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken. Ik heb uit doejaren 1890 tot 1905 in de loop van de tijd enkele duizenden kerkbladen - Heraut, Bazudn, Wachter, Hollandia enz. - doorgelezen, En ik moet zeggen dat het verbijsterend is hoe lang, hoe taai, hoe vinnig en hoe uitzichtloos er in verband met die tweeërlei opleiding is gediscussieerd, gepolemiseerden gediskwalificeerd. Honderden artikelen en een reeks van brochures werden eraan gespendeerd. Zeeën van tijd zijn er zinloos aan verspild. De - altijd vunze - kerkpolitiek beleefde een bloeitijd! Het jaar 1902 was een dieptepunt, Het heeft toen van één stern afgehangen dat de Kamper School is blijven voortbestaan. En de "richtingsverschillen" leidden uiteindelijk via de "verklaring van 1905" tot de vrijmaking, die de "vrijgemaakten" - de echte - nooit hebben gewild, maar waartoe ze met groot verdriet werden gedwongen. Moeten we nu deze ellende weer gaan beleven?? Moeten er nu in onze kleine kerkgemeenschap twee vormen van "opleiding'" komen? Wamt de kerkelijke is er. Er studeren in Kampen onder begeleiding onzerzijds momenteel tien studenten die tot onze kerken behoren. Een dergelijke "bezetting" is voor de predikantsvoorziening van onze kerken meer dan voldoende, Wat moeten we dan met een tweede doen?
Ten slotte voor ditmaal nog één opmerking: Het heeft me ten hoogste verbaasd dat door die broeders van het seminarie de naam van prof. Lindeboom werd genoemd. Zeker, hij was een bestrijder van de "verwetenschappelijking" van de theologie. Maar - JUIST DAAROM - heeft hij er als een leeuw voor gevochten dat de opleiding van de predikanten volledig in de macht van de kerken zou zijn!
Toen het bestaan van de Kamper School in 1902 werd bedreigd richtte hij de "Wachterbond" op, een vereniging die het weekblad "De Wachter" uitgaf. Een blad dat gedurende heel zijn bestaan aas devies in de "kop" ervan voerde: OPLEIDING VOOR DE KERK DOOR DE KERK! Om de verdediging van, dat devies is het mij in all wat ik over deze kwestie schrijf te doen!

Noot:
1) Oosterhoff verwijst hier o.a. naar K. Schilder, Een Hoornstoot tegen Assen. 44.

Een correctie: In een van de voorgaande artikelen schreef ik dat de heer Rosenbrand de leiding had bij de aangekondigde staking van de medewerkers van de Geref. Kinderbescherming. Men heeft mij er op attent gemaakt dat dit niet juist is. De verantwoordelijkheid voor die revolutionaire daad werd door een lid van de minderheid van het bestuur aanvaard. Wel ging de heer Rosenbrand met die minderheid van het bestuur mee. Maar korte tijd daarna raakte hij zijn positie in die "nieuwe" kinderbescherming weer kwijt. Ik wil hier ook nog zeggen dat een paar van de stakingsaankondigers later hebben beleden dat hun daad mis was geweest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief