Discussie over homofilie (2)
1976-10-15
En dan nu de hoofdschotel van deze discussie. Ds. Van der Kwast vraagt, !hoe ik mij een relatie voorstel van twee homofielen, die als vrienden samenleven. Wanneer daarbij de eis der onthouding gesteld wordt, leg je dan niet een te zware last op en wanneer het partnerschap niet met onthouding gepaard gaat, wat dan te zeggen van handelingen die toch sterke overkomst vertonen met wat in Rom. 1 en Gen. 19 wordt genoemd?- Jaargang 20
- nummer 40
Bij deze vraag brengt mijn collega het boekje van prof. dr Douma ter sprake, dat deze enige jaren geleden over dit onderwerp geschreven heeft. 1) Douma onderscheidt daarin tussen homofilie en homoseksualiteit. Onder de eerste verstaat hij de aanleg en onder de tweede het daadwerkelijk gevolg geven aan de homofilie neiging.
Acht hij de homofilie geen zonde, voor wat betreft de homoseksualiteit is dat wel 'het geval, Men kan waardering hebben voor de milde toon vol deernis waarin dit boek geschreven is. Toch zou ilk de auteur een vraag wijlen stellen.
Wanneer hij een onderscheid aanbrengt, waarvan hij zelf (p. 60) terecht zegt dat hij 't niet in de bijbel gevonden heeft - 'het onderscheid dus tussen homofiele aanleg en het homoseksuele gebruik van die aanleg -, wat kan hij er dan tegenin brengen, als een ander nog verder gaat iil1het maken van onderscheidingen en uit elkaar houdt: de aanleg, het gebruik en het misbruik van de gelijkgeslachtelijke aantrekking? M.a.w. ik geloof dat dr. Douma een onderscheiding te weinig maakt. Inderdaad valt hij zo de homofiel aangelegden niet met Rom. 1 op 'het lijf, maar het halfslachtige van zijn aanpak is dat dit langs een omweg toch gebeurt. Hij legt immers de homofielen de plicht tot onthouding op en daarvoor 'hanteert hij toch weer de bekende teksten uit Genesis en Romeinen. Ook ds. Van der Kwast neemt met deze halfslachtigheid genoegen.
En, o zeker, ook ik vind onthouding een goede, waardevolle zaak.
Vooral in een tijd die van seksualiteit oververzadigd is. Laten hetero- en homoseksuelen echt de verschillende teksten uit het Nieuwe Testament eens met nieuwe ogen gaan lezen en bijvoorbeeld het pleidooi van Paulus voor het celibaat op zich in laten werken.
Lange eeuwen heeft het huwelijk onder ons zo'n grote vanzelfsprekendheid gehad, dat de vrijwillig ongehuwde staat door miemand serieus werd overwogen, Waar kwam hij in de opvoeding ooit als mogelijkheid ter sprake? Toch zou hij bij alle seksuele overdaad en bij alle huwelijksellende in onze dagen een welsprekend teken kunnen zijn: de gesnedene terwille van het Koninkrijk der hemelen (Matth. 19:12).
Maar nu heb ik het over de vrijwillige onthouding. Onthouding ah eigen beslissing kan alleen maar vrijwillig zijn, als je het evangelisch bekijkt. Je kunt, je mag die een ander nooit opleggen. Dat doet Paulus dan ook niet. Die geeft de onthouding alleen in ernstige overweging. En ik geloof, dat je ook bij homofielen niet verder mag gaan.
Ja, maar dat is toch heel iets anders? Natuurlijk is er verschil. Ik zal me echt niet zo dwaas aanstellen, dar ik homofiele vriendschappen als huwelijken ga bevestigen.
Maar er zijn niettemin punten van overeenstemming, Hierbij denk ik aan het begin van het hoofdstuk, waarin Paulus schrijft over de onthouding, 1 Corinthiërs 7: 1 v.v.: "Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt, het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn, maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man." Gelukkig heeft Paulus meer dingen van het huwelijk gezegd, want dit hier is wel wat lagertjes uitgevallen. Wat een laag motief, nietwaar, om te trouwen! Nee, geef me dan maar Efeziërs 5, waar mam en vrouw in het huwelijk vergeleken worden bij de hoge verhouding tussen Christus en de gemeente. En inderdaad, daar gaat het over het unieke van het huwelijk (en over de volheid van misschien wel de man-vrouw-verhouding in het algemeen). Intussen blijft dat aangehaalde woord uit de Corinthiërs toch ook in. de bijbel staan. Dat broodnuchtere woord, waar wij ons misschien wel te hoog voor achten, maar dat de Heilige Geest toch goed 'en nodig voor ons vindt.
En, overweeg nu eens welwillend: zou dit ook niet een argument voor duurzame homofiele vriendschap zijn? Met het oog op de gevallen van hoererij is het goed, dat elke homofiel z'n eigen vriend heeft? Is soms voor homofielen het gevaar voor hoererij minder groot?
Ik weet wel, voor dr Douma en ds Van der Kwast is elk seksueel contact tussen homofielen hoererij. Dat komt doordat zij zich niet los kunnen maken van Genesis 19 en Romeinen 1: "mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende"
- terwijl toch duidelijk zou 'kunnen zijn, dat de apostel hier beelden oproept van promiscuïteit (het door elkaar heenlopen van meerdere seksuele relaties tussen mensen van één groep) en groepsseks. En wanneer Paulus het dan in dat verband heeft over het wel verdiende loon, dat zij voor hun afdwaling in zichzelf ontvangen, ben ik geneigd aan geslachtsziekten te denken, die juist met promiscuïteit schijnen gepaard te gaan. Ik heb dat alles aangeduid als de smeerlapperij van Romeinen 1, het misbruik van de homoseksuele aanleg (niet eens altijd aanleg, trouwens), waarvan ik het gebruik onderscheid. In Gen. 19 zie je dat misbruik concreet voor je: hoe een hele stad op drie mannen afkomt, inderdaad om als mannen" met mannen schandelijkheid te bedrijven. Ds. Van der Kwast schrijft: "Wanneer het partnerschap niet met onthouding gepaard gaat, wat dan te zeggen van handelingen, die toch sterke overeenkomst vertonen met wat in Rom. 1 en Gen. 19 wordt genoemd en door ds. De Jong zo scherp is afgewezen".
Maar dit argument raakt me niet echt. Natuurlijk is er die overeenkomst, maar dat is ook bij de normale seksualiteit het gevat Zodat je kunt terugvragen: "Wanneer het huwelijk niet met onthouding gepaard 'gaat, wat dan te zeggen van handelingen die toch sterke overeenkomst vertonen met wat op een walgelijke seksparty gebeurt?"
Die overeenkomst is er, al moet je zeggen, dat het verschil groter is.
Zeker blijf ook ik luisteren naar het woord 'tegennatuurlijk', dat Paulus in dit verband gebruikt. De dingen welke ·ik hier aanduid, zullen mij nooit normaal of vertrouwd worden. Ook bijbels gesproken zijn ze afwijkend te noemen.
Maar anderzijds moeten we dat woord 'tegennatuurlijk' niet overdreven zwaar wegen. Het is gewoon niet zo'n sterk argument.
Homoseksuele ontucht noemt de Bijbel tegennatuurlijk. Heteroseksuele groepsseks evenwel zou ook zo kunnen heren. En dan heeft 'tegennatuurlijk' een sterk afkeurende betekenis. Maar de Schrift kent blijkbaar graden van tegennatuurlijkheid.
Zoals duidelijk wordt uit het feit, dat het dragen van lang haar door een man ook tegennatuurlijk heet (1 Cor. 11 : 14). Ik meen daarom, dat wat in Rorn. 1 beschreven. wordt, meer regennatuurlijk is dan wat binnen een kuise homofiele vriendschap plaats vindt. Of niet plaats vindt, Want wat weten wij daar uiteindelijk van af en wat hebben we daar uiteindelijk mee te maken? Ik !heb mij nu, door de discussie gedrongen, enigermate begeven op dit hachelijke gebied. In mijn preek is dat niet gebeurd, zoals de lezer zich misschien herinnert. Dat kwam niet voort uit mijn onnozelheid, waardoor ik de consequenties van mijn standpunt niet overzag, maar geloof me, het was bescheidenheid. Bij mij staat steeds de doorbreking van de eenzaamheid voorop. Dat daar bepaalde gevolgen aan vast zitten, althans in veel gevallen, realiseer ik mij. Maar daarover praten doe ik niet graag. Ik heb er homofiele vriendenparen ook nog nooit naar gevraagd. Net zo min ah ik dat doe bij vriendinnen die samen een huishouding hebben en daarin door de samenleving van ouds aanvaard zijn geweest. Is dat het gedrag van de struisvogel?
Alles hangt samen met mijn opvatting dat het gaat om een afwijking.
Daarom is mijn benadering niet uitsluitend juridisch (geoorloofd - niet geoorloofd) maar heeft ook iets medisch. Daarover wil ik het in een slotartikel hebben.
Noot:
1) Dr J. Douma, Homofilie, Amsterdam, 1973, in de serie: Ethisch commentaar.