De blijvende ambten

1976-10-15
  • Jaargang 20
  • nummer 40
De vraag of het Nieuwe Testament ons ambten tekent die als blijvend bedoeld zijn en zo ja, welke deze dan zijn, heeft verscheidene theologen nogal wat hoofdbrekens gekost. Op zichzelf is dat niet geheel onbegrijpelijk, want we moeten dr. A. D. R. Pol man toestemmen wat hij schrijft in zijn belhall1ldelingvan art. 30 N.G.B.: "Alles is eerst oog in wording en een veelvoud van ambten en charismatische gaven passeert ons bij het doorlezen der geschriften van het Nieuwe Testament." 1) En we moeten het wel met dr. H. Berkhof eens zijn, wanneer hij opmerkt dat het gezag van het Nieuwe Testament voor de kerk niet daarin kan liggen, dat we deze veelheid moeten imiteren of harmoniseren en dat beide trouwens onmogelijk zijn. 2) Maar wanneer hij vervolgt met te zeggen dat dit gezag primair daarin ligt dat wij uitgenodigd worden om in onze situaties die weer heel anders zijn dan die van Jeruzalem of Corinthe, op onze wijze naam en inhoud te geven aan de ambtelijke Christusrepresentatie die zich in het Nieuwe Testament bezig is veelvormig te constitueren, dan is voorzichtigheid toch op zijn plaats, temeer omdat dr. Berkhof dit standpunt als volgt toelicht: "Vandaar dat allerlei ambtsopvattingen zich min of meer gewrongen op het Nieuwe Testament beroepen, terwijl ze zich in werkelijkheid hoogstens bij één of enkele tradities daarin aansloten", Want ronder de variatie te ontkennen staan we toch argwanend tegenover het spreken over verschillende tradities, alsof er in alle variatie toch niet een principiële eenheid tussen de verschillende (groepen van) Nieuwtestamentische geschriften zou bestaan. Wij menen dat deze principiële eenheid er is en dat wij die ook kunnen aanwijzen zodat we met in acht neming van de groei en wording enkele hoofdlijnen kunnen aanwijzen, die tenslotte leiden tot enkele ambten, waarin zich deze groei consolideert als door de Here Christus bedoeld voor de kerk van alle tijden. We kunnen daarbij rustig de mogelijkheid van nadere uitwerking in verband met eigen tijd en omstandigheden open houden, maar voorkomen op deze wijze dat we uitgaande van enkele principia de kerk naar onze smaak gaan inrichten, met zulk een vrijheid dat we er nog nauwelijks het concrete spreken van het Nieuwe Testament in terug vinden.

Naast de door ons reeds kort aangeduide buitengewone gaven, ambten en diensten, die geen van allen als blijvend zijn te beschouwen vinden we gesproken over leiding geven, besturen, woord der kennis en der wijsheid, dienstbetoon, barmhartigheid, uitdelen, herder en leraars, oudsten, 'Opzieners en diakenen, zie o.a. Rom. 12: 8, 1 Cor. 12: 8 en 28, Gal. 6 : 6, Ef. 4 : 11, 1 Petr. 4 : 11, Fit 1 : 1, 1 Tim. 3 : 2, 5 : 7, Tit. 1 : 5, Jac. 5 ; 14.
Aanvankelijk bestonden de diensten, die op de charismata berustten naast de duidelijk ambtelijke diensten ais die van herders en leraars, oudsten, opzieners en diakenen, en dit volgens het getuigenis van Paulus, Lucas en Petrus. Dit was in bepaalde gemeenten zeker tot ongeveer 65 nog het geval, 3) dus gedurende heel het leven van Paulus, want deze apostel is vermoedelijk in 64 de marteldood gestorven. Wel is het opmerkelijk dat hij in de Pastorale brieven niet meer over de gaven spreekt (met uitzondering van de aan Timotheüs geschonken gave, 1 Tim. 4 : 11, 2 Tim. 1 : 6, maar dit is de ambtelijke gave om te leren en te regeren) en ook niet over bepaalde diensten, doch uitsluitend over de ambten van oudsten en diakenen, Dit is tegen het einde van zijn leven, wanneer zijn ambtsdienst gaat ophouden en daarmee zijn apostolische toezicht op de gemeenten. Hieruit is dit blijkbaar te verklaren. Wanneer wij de boven opgesomde bonte rij van gaven, diensten en ambten overzien vallen twee dingen ons op. In die diensten met als hun achtergrond ;ie gaven komen steeds drie elementen naar voren: die van het spreken van het Woord Gods (met daarbij behorend het leren, vermanen en terechtwijzen), van het leiding geven en van het barmhartigheid oefenen. Deze zelfde elementen vinden we terug bij de ambten van oudsten (herders en leraars), opzieners en diakenen, zoals we later breder zullen zien.
Het tweede dat onze opmerkzaamheid verdient is dat de charismata, die de basis voor de verschillende diensten vormen als vereisten genoemd wonden voor het ambt van oudsten, opzieners en diakenen. Dat geldt van de gave van het woord der kennis en het woord der wijsheid, 1 Cor. 12 : 8, de onderscheiding der geesten, vers 10, de gave van de vermaning, Rom. 12: 7. In de Pastorale brieven, waarin 'Oudste en opziener promiscue gebruikt wordt,lezen we dat de 'Opziener bekwaam moet zijn om te onderwijzen, 1 Tim. 3 : 2, moet kunnen vermanen, de tegensprekers weerleggen, zich moet houden aan het betrouwbare woord naar de leer, Tim 1 : 9. Hij moet waken tegen de verleiders, Hand. 20, 30 en 31. We lezen verder over de gaven van leiding geven, Rom, 12 : 8 en besturen, 1 Cor. 12 ; 28. Van de opziener vraagt 1 Tim. 3 : 4 dat hij een goed ,,'bestierder" van zijn eigen huis zal zijn, hoe zal hij anders voor de gemeente van God zorgen? vers 4 en 5. Hier draagt het zorgen dus duidelijk het karakter van leiden en besturen, vgl. ook 1 Thess. 3 : 12.

De diakenen zijn voor rover wij dat kunnen opmaken uit de verschillende gegevens van het Nieuwe Testament geroepen tot de dienst der barmhartigheid. Van dit dienstbetoon en de gave van uitdelen en barmhartigheid spreken Rom. 12 : 7 en 8. Het Nieuwe Testament laat ons dus, zonder te fungeren als een wetboek met een reeks artikelen in zijn totaliteit kort samen gevat het volgende weten:
a) Voor de geestelijke opbouw van de gemeente zijn drie elementen van beslissende en blijvende betekenis: Het verkondigen van het Woord Gods het leren; daarnaast het leiding geven en in de derde plaats het oefenen van barmhartigheid.
b) De ambten van oudsten (herders en leraars), opzieners en diakenen, hebben deze drie elementen als de hen typerende werkzaamheid.
We zullen ze moeten beschouwen als door de Here Christus als blijvend bedoeld, mede omdat zij in de latere bijbelboeken (de Pastorale brieven) een sterk accent ontvangen. Daarin komt blijkbaar de boven genoemde ontwikkeling tot haar voltooiing en afsluiting.
c) In de dragers van deze ambten representeert Christus zichzelf in de volheid van zijn ambt als Verlosser in de Heilige Geest door het Evangelie met woord en daad, 1 Petr. 4 : 11.
d) In de diensten was dit ook het geval. Hun erkenning door de .gemeente, welke een eis van Christus was, 1 Thess. 4 : 12, zal mede een factor geweest zijn in hun groei tot vastere ambtelijke diensten, in de weg van verkiezing door de gemeente. De (goede) ambtsdrager (1 Tim. 5 : 17 is de blijvende charismaticus. 4)
e) Om meer vastigheid aan de inrichting der gemeente te geven bij het wegvallen van het apostolisch toezicht heeft Paulus tegen het einde van zijn leven in de Pasorale brieven op dit ambtelijk karakter alle nadruk gelegd.
Zo is er van alle variatie in het Nieuwe Testament toch een bepaalde lijn te trekken en daarin een principiële eenheid en is het ons mogelijk zonder gewrongen exegese en het slechts benutten van een deel van het Nieuwe Testament te komen tot een duidelijke afbakening van de weg naar een Schriftuurlijke inrichting van de kerk van vandaag.


Noten
1) Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, IV, pag. 32.
2) Wat is er aan de hand met het ambt? Studierapport enz., pag. 32.

3) Dit valt gemakkelijk aan te tonen. Reeds tijdens zijn eerste zendingsreis 46-48 stelde Paulus met Barriabas overal in de door hen gestichte gemeenten oudsten aan, Hand. 1.4.:2? Tijdens de tweede. stichtte hij eerst de kerk te Filippi, die opzieners en diakenen had, Fil. 1 : 1. We weten niet met zekerheid wanneer deze brief geschreven is, de stichting van de gemeente viel echter waarschijnlijk in het jaar 50 en zal gepaard gegaan zijn met. of spoedig gevolgd zijn ?oor de aanstelling van opzieners en diakenen, Kort hierop volgt eveneens tijdens de tweede zendingsreis de stichting van de kerk te Corinthe met haar vele charisma ta en diensten. De ambten van opzieners en diakenen èn deze charismata en diensten komen dus in dezelfde tijd voor en vermoedelijk ook tegelijk in dezelfde gemeenten. Anders zouden we moeten concluderen dat in verschillende gemeenten geen charismata geweest zijn. Maar 1 Petr. 4 : 10 en 11 spreken over de genade gaven en de velerlei genade Gods en wel m.b.t. die landstreken, waar Paulus heeft gearbeid, vgl. 1 Petr. 1 : 1. In 1 Petr. zelf komen ook zowel de charismata - 4: 10 en 11 - als de ambten voor, 5: 1-4. We zien hieruit dat het N.T. geen tegenstelling kent tussen Geest en ambt, en dat men niet zo maar van verschillende tradities kan spreken.

4) Dr W. van 't Spijker, De ambten bij Martin Bucer, pag. 349.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief