Mensen voor dag en dauw

1976-10-15
  • Jaargang 20
  • nummer 40
Huub Oosterhuis,
MENSEN VOOR DAG EN DAUW
Ambo, Baarn 1976
f 12,50

Een nieuw boek van Oosterhuis is wel iets om even bij stil te staan. Hij is iemand die goed schrijft. Daarbij roomt, dat hij bij velen om zijn liederen, gedichten en gebeden zeer geliefd is.
Geen wonder dus, dat van vele kanten, vooral ook door de jeugd, naar dit boek gegrepen wordt, Uit de eerste reacties blijkt, dat met name hoofdstuk twaalf een grote blikvanger is. In dat hoofdstuk immers, dat op p. 127 begint, voert Oosterhuis openlijk het pleit voor een 'linkse' politiek en voor een bondgenootschap met de 'volgelingen' van Marx. Dat is sensationeel genoeg.
Toch, wie gewend is naar achtergronden te vragen, zal niet meteen op dat hoofdstuk afvliegen, Politieke positiekeus wordt vooraf gegaan door een keus, die nog dieper ingrijpt, te weten de religieuze. Ik heb Oosterhuis altijd al een mysticus gevonden.
Ik heb daar ook over geschreven in ons blad, toen ik enkele van zijn liederen uit het Liedboek besprak. Het heem me daarom allerminst verbaasd, in dit boek (hoofdstuk 5) een schets aan te treffen van de grote mysticus der middeleeuwen, Meester Eckhart.
Kenmerkend voor de mystiek is de vervaging der grenzen, met name van de grens tussen Schepper en schepsel. Mystiek graat heel gemakkelijk over in pantheïsme. M.i ontkomt ook Oosterhuis daar niet aan. Ik kom daar straks nog op terug.
lik wil nu eerst wijzen op een opmerkelijke kenschetsing, die Oosterhuis in dat vijfde hoofdstuk van Eckhart geeft: "Hij staat onbevangen en vindingrijk in zijn traditie, schuift bepaalde zoogenaamde "geloofswaarheden naar de achtergrond en haalt andere naar voren. Zo schept hij ruimte voor een nieuwe beleving van het oude geheim'' (p. 60).
Deze woorden mogen kenmerkend zijn voor Eckhart, ze zijn het ook voor Oosterhuis zelf. Ook hij staat onbevangen en vindingrijk in zijn traditie. Dat is prijzend gezegd, Ik wil hem ook de intentie van onbevangenheid en zeker de vindingrijkheid niet ontzeggen. Ik voeg er alleen een ander woord aan toe dat niet prijzend, maar afkeurend is: willekeur. Is het mogelijk, zo vraag ik, om zo met de traditie om te gaan? Kan dat niet alléén, wanneer je de traditie (waartoe ook de Schrift behoort, al gaat die er tegelijk hoog boven uit) alleen maar als bron en niet meer als norm opvat? Alleen maar een voorraad waaruit je put en niet meer een gezag waarnaar je je richt? Hoe moeilijk dat laatste in sommige details ook mag zijn.
Laat ik een voorbeeld geven van wat ik ais willekeurig Schriftgebruik zie. In zijn pleidooi vroor een bondgenootschap tussen christenen en marxisten schrijft hij: "Voor hen die zoeken naar de meest messiaanse. politieke constellatie, is het goed zich veelvuldig woord van Jams te herinneren: 'Eens kwamen zijn volgelingen bij hem met de klacht: wij hebben mensen gezien die demonen uitdreven, maar niet in uw naam. Hoe kan dat? Hij antwoordde: Wie niet tegen Mij is, doet met mij mee'. Wie werkelijk demonen, stomme en boze geesten uitdrijft, is zijn geestverwant (p. 1141).Beïnvloed als wij zijn door allerlei moderne vertalingen, ontgaat het ons wellicht dat wij hier meer met een navertelling dan met een vertaling van het evangelisch fragment uit Marcus 9 (of Lucas 9) te maken hebben. Maar dat is tot daaraan toe. Erger is dat Oosterhuis, al losjes navertellend, deze passage naar zijn hand zet. Want hert gaat daar in het evangelie over iemand die in Christus' naam demonen uitdrijft. Daarmee vervalt die mogelijkheid ten enenmale, in deze duivelbanner een bevriende marxist te zien. Want die zal Jezus' naam juist niet noemen.
Oosterhuis gaat hier wel erg 'vindingrijk' met de evangelische traditie om. Hij put hier wel uit de Bijbel, maar hij richt er zich niet naar. Dit is wel uit het Woord, maar niet naar het Woord.
En dat is willekeurig Als zovelen vandaag, is Oosterhuis iemand die zich wel door het evangelie laat inspireren, maar niet laat normeren, Dat maakt, is mijn ervaring, het gesprek met hem over de Bijbel moeilijk, zo niet onmogelijk. Je denkt hetzelfde uitgangspunt te hebben, maar dat is slechts schijn, Het veelvuldig gebruik dat hij in dit boek van de Bijbel maakt, kan niet verhullen, dat de Bijlbel toch tussen ons in staat. Dat wordt bladzij na bladzij duidelijk: daarvan twee belangrijke voorbeelden.

'God' is bij Oosterhuis een naam, waaraan geen bovenaardse werkelijkheid behoedt te beantwoorden. Hoewel er meerdere uitspraken van hem zijn, ook in dit boek, waarbij je denkt: ja, God is toch iemand Voor hem, zijn er talrijker, waarin de naam van God verv'J.uclhtDgt tot iets tussenmenselijks (bijv. op p. 185 de uitspraak, dat mensen elkaars hoogste goed kunnen zijn) of eigenlijk helemaal verdwijnt. Voor dit laatste wijs ik op de kenmerkende uitleg vaneen bekend psalmwoord: 'van Gold is de aarde en' die er op wonen:' (ps, 24) op p. 9/10. Oosterhuis geeft daarover de volgende uiteen:zetting: 'Van God' betekent in de taal van de bijlbel 'niet van mensen'. Dus: 'van niemand is de aarde, maar van allen die haar bewonen'. En dat wil zeggen: de aarde van God is een land dat bevrijd is van bezitters en bezetters, waarbij dat bevrijden mensenwerk is.
Om deze zwendel kan ik me nu boos maken. Ik denk aan een woord van Salomo: 'kom niet op de akker der wezen, want hun losser is sterk' (Spr. 23: 10, 11). Deze Losser is God, die opkomt voor het recht van armen en verdrukten. Soms gebruikt Hij daarvoor mensen, maar soms ook niet. Soms ook onttrekt zich die goddelijke redding geheel aan onze waarneming, zoals in het geval van Naboth, die op last van koningin Izebel gestenigd werd. Toch geloven wij, dat ook hij gereid is door de Gold der armen, die voor zijn verlossend handelen niet is aangewezen op mensenhulp, laat staan dat zijn hulp in die hunne op zou gaan, Juist uit dit geloof blijkt of de Here God voor ons iemand met eigenheid is, ja dan nee.

Ook Christus verliest zijn eigenheid bij Oosterhuis.
"Hij is die mens in zijn Iichtglans, in wie Gods bedoeling openbaar wordt. Hij staat voor allen, alle denlebare mensen, zoals ze bedoeld zijn" (p. 101). De Christus voor ons, degene dus, die in onze plaats en ten onzen behoeve de verzoening heeft bewerkt, gaat naar de trant van de mystiek schill achter de Christus in ons. En deze op zijn beurt verluchtigt tot idee, bezielende gedachte, visioen, program, Hij is "De mens die ik zijn zal. De mens in ons allen" (p. 102). Ook het eigene van Christus in zijn lijden gaat verloren. Terwijl de Here aan de vooravond van Golgotha duidelijk tot Petrus heeft gezegd: gij kunt Mij thans niet volgen (Joh, 13: 36) - zo eigen en uitsluitend aan zijn persoon gebonden was het werk dat hij te doen had - schrijft Oosterhuis: "God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? - geen messiaanse mens, die dit niet doorleven moet, het lijden om de ontoereikendheid van zijn levensoffer en de vergeefsheid van zijn eigen dood". (p. 174). Christus belichaamt hier de idee van het algemeen menselijke lijden. Hij is hier God verlaten zouden worden" (oude avondmaalsformulier.) Let er trouwens ook op, dat hier in verband met de dood des Heren van vergeefsheid gesproken wordt. Geheel in overeenstemming met de moderne theologie, die nog wel de bereidheid van Jezus om te sterven weet te prijzen, maar in zijn dood zelf geen heil ziet. Het zoendoodmotief is losgelaten. Dan kan inderdaad de dood des Heren niet meer verkondigd worden, zoals bij het avondmaal zo blij gezegd wordt (1 Cor. 11 : 26); hij kan slechts schoorvoetend toegegeven worden als betreurenswaardige ure der duisternis en niets meer.

Voorts dan toch iets over Oosterhuis' pleidooi voor een bondgenootschap tussen christenen en marxisten. Tussen haakjes: een bondgenootschap veronderstelt dat christenen en marxisten toch verschillend zijn. Oosterhuis zegt immers ook niet dat christenen marxist moeten worden. Maar hij blijft m.i. in gebreke, aan te tonen, waarin dat verschil dan bestaat.
Maar wel draagt Oosterhuis met de volgende passage iets aan, met behulp waarvan het verschil scherp gesteld kan worden. Op p. 148 vertelt hij namelijk: "Toen, in de Russische burgeroorlog, het Rode Leger Riga binnentrok, drong een patrouille een kerk binnen. Daar werd op dat moment de heilige 'Liturgie gevierd. Eén van de soldaten, zo vertelt men, ging naar de lessenaar, sloeg de bijbel open en las: 'En hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, en geen lijden meer, en geen rouw, want al het oude is voorbij'. En hij sprak: Heden is dit woord in vervulling gegaan. Dat was oktober 1917."
Di t is het marxisme ten voeten ui t, in een scherp tegenover niet al!leen met een kerk, die inderdaad wel te wereldvreemd de heilige liturgie gevierd heeft, maar in een even scherp tegenover met de bijlbel zelf.
Er is stellig verwantschap tussen bijbel en marxisme, anders zouden ze niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Beide signaleren ze onrecht, verdrukking, tranen en geschrei in de wereld. Beide hebben ze ook het visioen van een betere toekomst. Maar de bijlbel zegt ons dat we vertrouwensvol mogen wachten op die toekomst.
Het marxisme echter zegt: we hebben nu lang genoeg op God en zijn verlossing gewacht: we gaan het nu zèlf doen! Daarmee heeft Marx zeer wezenlijk het bijbelse spoor verlaten. In Israël is de Messias niet op de troon gekomen door het recht in eigen hand te nemen en zichzelf te verlossen, maar door te wachten op God, Zoals David tot Saul zegt: "De Here moge recht spreken tussen mij en u, de Here moge mij aan u wreken, mijn hand echter zal niet tegen u zijn; zoals het spreekwoord der ouden zegt: van goddeloosheid komt goddeloosheid. Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.' Daarom moge de Here rechter zijn, en tussen mij en u oordelen; Hij moge toezien, mijn zaak beslechten en mij recht verschaffen tegenover u." (1 Sam. 24 : 13-16). Toegegeven, wanneer wij zulke woorden lezen, behoren wij ons te realiseren. dat er in de geschiedenis zeer weinig christenen geweest zijn, die biet met deze woorden gewaagd hebben, Althans, voor zover ons bekend. Dit feit verbiedt ons ook eigenlijk, marxisme en christendom tegenover elkaar te zetten. Marx en de bijbel, of Marx en Christus, dat is duidelijker.
Het is dan ook bedoeld, als ik zeg: er is vandaag tweeërlei messianisme: het ene is marxistisch en agressief, het andere christelijk en zachtmoedig 'And never the twain shall meet'. De zachtmoedigheid, waar biet psalmboek vol van is, maakt bij veel christenen plaats voor de grimmigheid. Vandaar hun toenadering tot het marxisme. Waarom ziet Oostenhuis dit verschil over het hoofd?

Hiermee hangt samen dat Marx de bijbelse antithese scheef getrokken heeft. De bijbelse antithese vinden we bijv. in deze profetenwoorden uit het slot van het Oude Testament: "Dan zult gij het onderscheid weer zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient." (Mal. 3: 18). Of in deze woorden uit het slot van het Nieuwe Testament: "Wie onredht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler, wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie hei'lig is, hij worde nog meer geheiligd." (Openb. 22: 11). Marx heeft dit profetische verschiet, deze uitkomst der geschiedenis, omgebogen en heeft gesteld: wie arm is, wordt nog armer en wie rijk is, nog rijker. Dat is Marx' antithese, die wei samenhangt met de bijbelse, maar er niet mee samenvalt, Rijkdom en armoede zijn immers wel vaak geleidingsverschijnselen van goddeloosheid en rechtvaardigheid, maar kunnen toch niet dienen als vervangende begrippen. Marx heeft 'rijk' en 'arm' los gemaakt uit de bijhelse verbanden. Zo heeft hij de antithese verwrongen, vervalst, geseculariseerd. Hij krijgt er wel meer mensen voor warm en op de been, dat is zijn gevaarlijk en onverantwoordelijk gelijk. Bij Marx heet de arme nooit Lazarus, zoals bij Jezus. Lazarus betekent: God helpt. Maar Marx zegt tegen de arme: help jezelf. Marx legt de arme de woorden van de ene moordenaar in de mond: indien gij de Christus zij,t, red uzelf en ons, door af te komen van het kruis. De woorden van de andere moordenaar: gedenk mijner, als ge in uw koninkrijk zult gekomen zijn, zijn Marx een gruwel. De arme is bij' Marx de agressieve arme. In de bijhel is hij de zachtmoedjge arme, de ani die ook anaw is, de ellendige (hebreeuws: ani) die ook: een geestelijk gebogene (hebreeuws: anaw) is geworden, Of, zoals het Nieuwe Testament zegt, de arme, die in zijn armoede en ellende een arme van geest is, naar het woord van Jezus in de bergrede.
Zoals het moderne jodendom in Israël afgerekend heeft met het type van Ahasveros, de wandelende, opgejaagde jood, zo rekent veel christendom af met de figuur van Oom Tom. In plaats daarvan treedt aan beide zijden een agressief messianisme op, dat het wachten op de Here opgegeven heeft; een messianisme, dat als David bij zijn verzoeking in de woestijn met het zwaard in de hand op de Nabals in de samenleving afstormt en van Ie psalmen protestsongs maakt, waar het wachten uit weg is.
Nabals die het er naar maken - dat wel. Dat is het deel-gelijk van Marx, dat de rijken veelszins dwazen en goddelozen zijn. Daarom moet niemand de arme die naar het zwaard grijpt, lichtvaardig oordelen. Jezus veroordeelde Petrus ook niet, toen deze zich bij de arrestatie wilde verweren Hij zei alleen, dat het zwaard niets zou uitrichten en beoval daarom het zwaard des Geestes aan. (Luc. 20 : 36).
Hoe vreemd is de Here in zijn advies aan Petrus, het zwaard weg te doen! Hoe hebben wij toch ooit in de geschiedenis kunnen denken, dat voor deze weg van de Messias hele volksstammen te vinden zouden zijn? Dat heeft alleen gekund door een eenzijdige prediking van 'Christus voor ons' (Rom. 5), met verwaarlozing van het 'wij met Christus' (Rorn, 6). Wel het rendement van Christus' offer, maar niet het deelgenootschap aan Christus' lijden, Het is ook volstrekt ongehoord, wat over de Here geschreven staat: "die als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt" (1 Petr. 2: 23). Jezus, de arme, die niet terug sloeg. Jezus, de arme, die Lazarus heet. Die "onder sterk geroep en tranen gebeden en smekingen geofferd heeft aan Hem, die Hem uit de dood kon redden en Hij is verhoord ... " (Hebr. 5: 7). God heeft inderdaad verhoord en gered, getuige de opstanding.
Maar men mag vandaag wel vragen met de profeet: wie heeft deze prediking geloofd? De vreemdheid van het evangelie komt in onze dagen weer opnieuw voor ons te staan. Om dit evangelie te geloven, om deze weg achter Jezus aan te gaan (ook nadat Hij ons verzoenend is voorgegaan), - daarvoor is echt de Heilige Geest nodig. En je moet denken aan een woord van Nietzsche, die zei dat er in de geschiedenis maar één christen geweest is: Christus zelf. (Al eert deze uitspraak de Heilige Geest niet.) Dit betekent ook dat 't christelijk verzet tegen Marx in veel gevallen goedkoop geweest is en ren verzet, waarbij men aan de verdrukte armen nog is. Het was en is zo angstig vaak een papielasten oplegde, waarvan men de zwaarte zelfs uit de verte niet besefte. Dat geeft aan onze kritiek op het Marxisme en op het boek van Oosterhuis, dat voor een bondgenootschap met biet Marxisme pleit, iets zwaks.
Ons blijft in de opkomende vloedgolf van het Marxisme niet zoveel anders over dan de daadwerkelijke navolging van Christus. Dat wil zeggen: in geval van persoonlijke verongelijking of verdrukking het aan Gold overgeven en wachten. Dit wachten betekent niet niets doen, net zo min als een Marxist, die het visioen naderbij dwingt, ophoudt visionair te zijn. Maar toch: actief en oplettend wachten op God, da:t is het evangelisch parool. Maar ik voorzie, dat we alle christelijke woorden tegen het Marxisme duur moeten betalen. Ze worden van ons afgeëist.

Tot zover de bespreking van het nieuwe boek van Huub Oosterhuis, waarvan het mrt is dat het meer onverbloemd met modern-theologische inzichten naar voren komt dan vele andere geschriften. Mystisch en joods-humanistlsch, dat zijn de typeringen die ikhet meegeef.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief