In memoriam Prof. dr K. H. Miskotte
1976-10-29
Het is al weer bijna twee maanden geleden dat de bekende Nederlandse theoloog pr:f. dr K. H. Miskotte is gestorven. Hij was bijna 82 jaar oud. De redactie oordeelde het goed, daar enige aandacht aan te geven. Dat komt nu wel wat laat, maar wanneer je zo'n opdracht krijgt, wil je toch eigenlijk eerst nog wel eens wat lezen en nadenken, alvorens een pen op het papier te zetten. Want prof. Miskorte was de eerste de beste niet. Hij was een geleerde van internationale faam, getuige bijvoorbeeld zijn eredoctoraat van de universiteit van Glasgow. En ook binnen onze nationale grenzen blijvend, moeten we zeggen dat we in hem met een ware denkreus te maken hebben gehad en nog hebben. Prof. Miskotte behoorde tot de Nederlands Hervormde Kerk. Toch is dat niet een reden om het gedenken alleen aan die denominatie over telaten. want ook kerkelijk gaat hij ons aan. Hiervoor herinner ik aan het feit, dat hij de grote stimulator achter de nieuwe psalmberijming is geweest, welke immers ook bij ons in gebruik is.- Jaargang 20
- nummer 42
Ik denk hierbij aan het gedicht van Muus Jacobse (prof. dr K. Heeroma, één der psalmberijmers ) dat als eerste afgedrukt staat in de bundel 'Het landvolk' (A'dam 1959) onder de titel Psalm 1 vers 1, met daar schuin onder: voor K. - H. Miskotte. Ik citeer een strofe daaruit:
Er komt op een avond
een man op een fiets
van Leiden naar Oegstgeest
hij wil iets, hij wil iets,
hij is roepend in de woestijn,
hij is zoekend naar een ploeg beest
om te ploegen op de geestgrond,
hij staat aan de deur en klopt,
hij vult mijn kamer
van buiten naar binnen,
hij heeft het gebaar van
dicht of ik schiet.
Man op de fiets,
in 's hemels naam
wat moet ik beginnen?
Dit gedicht tekent prof. Miskorte ten voeten uit. Niet alleen laat het zijn belangrijk aandeel zien in de nieuwe psalmberijming, maar het zegt ook veel over de kwaliteit van dat aandeel. Hij heeft hier namelijk iets van de muze die tot het dichterschap inspireert, en is tegelijk meer dan de muze, omdat hij tot dit bepaalde dichterschap heeft gedwongen ("dicht of ik schiet" - een bovenmuzisch woord). Die dwang oefende Miskotte uit met het bovenpersoonlijke gezag van Gods Woord. Want dat heeft hij voor alles willen zijn: theoloog, prediker, dienaar van het Woord. En als knecht van dit Woord ging hem de gemeentezang ter harte.
Deze zinnen schrijvend moet ik denken aan mijn leermeester prof. dr K. Schilder. Zij hadden, deze twee, met elkaar gemeen, dat ze beiden de wereld van de muze en van de litteratuur in het algemeen beminden en kenden, en dat ze bij alle genieting van de woorden zich toch wisten te staan onder het hogere gezag van het Woord.
Zij hebben, gis ik, allebei hun strijd gekend tegen de esthetische verleiding; ze hebben allebei gevochten om de dichter en de Schriftgeleerde uit elkaar te houden.
Er is nog meer overeenkomst. Beiden was hun de leerstoel van de dogmatiek toevertrouwd. En allebei hebben zij hun best gedaan om dat vakgebied, waarop het wat muf was gaan ruiken, een nieuwe aansluiting op de Schrift te geven, waarbij vooral bij Miskotte, maar toch ook bij Schilder het Oude Testament open ging.
Miskotte, leerling en vriend van Barth, kwam daarbij van de kant van het Jodendom, dat hij grondig kende (zie zijn dissertatie: Het wezen der joodse religie, Haarlem 1932), Schilder behoorde tot de Schriftbeweging in de Gereformeerde Kerken van de twintiger en dertiger jaren.
Ik zeg dit alles niet om verschillen te verdoezelen tussen die twee. Die zijn er van het begin af geweest en ze liepen niet over kleinigheden. Toch wijs ik nu op overeenkomsten en ik doe dat om het gevoel van verwantschap te verklaren dat ik moeilijk van me kan afzetten, als het gaat over Miskotte en de school die uit hem is voortgekomen. Een gevoel van verwantschap dat bij mij langzaam overgaat in een gevoel van verschil.
Ik meen, dat ik daarin niet .alleen sta onder ons. Wij allen hebben verwachtingen gehad van de vernieuwing van de hervormde kerk van na de oorlog, welke vernieuwing toch zeker ook Miskorte tot haar geestelijke vader had. En, om het minder algemeen te houden, ik herinner me nog goed, hoe onze professor Holwerda aandacht vroeg in De Reformatie voor de bespreking die ds F. H. Breukelman gaf van de nieuwe vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap. Daaruit sprak bij Holwerda de herkenning van een aansprekend geluid van de kant van deze oudste zoon van Miskotte.
En zelf herinner ik me nog goed, dat ik het eerste deeltje van de serie 'Om het levende woord' (een bundel studies van genoemde Breukelman) in mijn handen hield en dacht: wat de titel betreft zou het boek van Veenhof kunnen zijn! -- maar deze titel was in werkelijkheid aan Miskorte ontleend ('Om het levende woord', Opstellen over de praktijk der exegese, 's-Gravenhaqe 1948). Er waren belangrijke raakvlakken, wil ik maar zeggen: twee parallel lopende stromingen, met Miskotte en Schilder als coryfeeën ter ener en ter anderer zijde.
Persoonlijk heeft het mij moeite gekost, deze twee stromingen juist op hun meest aangelegen punt, het teruggaan naar de Schrift en met name het Oude Testament, toch te leren onderscheiden. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik Miskotte's werk niet zó goed ken. Ik ken hem eigenlijk nog het beste via zijn leerlingen. Tot hen behoort ook Th. J. M. Naastepad, prediker (en dichter) van de Arauna-parochie in Rotterdam. Zijn boek 'Het geheim van Rachel' (Preken en nieuwe liederen over het boek Samuël, Holland-Haarlem, 1965) heeft destijds grote indruk op mij gemaakt en het heeft enige tijd geduurd voordat ik mijn zelfstandigheid daartegenover had hervonden. Maar toen wist ik ook, waarom ik er toch niet in mee kon gaan. Dat was niet, omdat het in z'n voorstelling van de verkiezing Barthiaans was. Dat onderkende ik wel eerder. Maar het kwam vast te zitten op de leer omtrent het Woord: wat het grote herkenningspunt was, werd het grote verschilpunt.
Wat is dan dat verschil? M.i. heeft Miskotte (op voetspoor van Karl Barth) vanuit een volstrekt herkenbare vrees voor de schennen~ de handen der secularisatie het Woord van God als te uniek voorgesteld. Het Woord met een hoofdletter werd daardoor zo'n vreemde eend in de bijt van de woorden, dat men zich kon afvragen of er nog wel enig verband tussen beide bestond. En, hoe uniek moest toch wel niet de taal zijn, die voertuig kon wezen van dit Woord! Dat was het bijbelse Hebreeuws, door Miskotte wel onze moedertaal genoemd.
Bij ontstentenis van dit hebreeuws in onze cultuur is door .de leerlingen van Miskotte een eigenaardig soort Nederlands ontworpen, dat eigenlijk alleen maar voor insiders toegankelijk is. Dat is bij voorbeeld nogal schrijnend gebleken uit de eerste zinnen van het artikel dat dr K. H. Kroon en dr G. H. ter Schegget in memoriam van prof. Miskotte in Trouw van 1 september j.l. schreven. Zinnen waarmee zij een hachelijk misverstand in het leven riepen en ook wel moesten roepen.
Ingrijpender evenwel laat zich deze taalopvatting gelden op het vlak van de bijbelvertaling. Daarover schreef ik enige jaren geleden een serie artikelen in ons blad. Ook daar manifesteert zich in de school van Miskotte het streven, de volstrekte uniekheid van het Woord te bewaken door een volstrekte uniekheid van taal, wat eveneens op meerdere punten tot onverstaanbaarheid aanleiding geeft.
Ik wil nadrukkelijk zeggen, dat ik de zorg die hierachter zit, herken en deel. Inderdaad, in de geseculariseerde wereld der woorden wordt aan het geheim van het Woord geen recht gedaan. Het is zoals prof. Miskotte van de nieuwere theologie eens zei: dat daarin de moderne vervreemding van het evangelie gehanteerd wordt, als hermeneutische sleutel. Maar is de vlucht naar een taaleiland de oplossing? Mogen wij niet vertrouwen, dat de werkelijkheid, waarnaar het Woord verwijst en die door het Woord wordt meegebracht: God, Christus, de Heilige Geest, de verzoening en de verlossing, de heilsgeschiedenis - dat deze werkelijkheid zich ook in onze geseculariseerde wereld een weg weet te banen en geloof weet te wekken? De diepste nood van de moderne mens is niet zijn taalbederf, maar zijn ongeloof. Maar men krijgt in de school van Miskorte wel eens de indruk, dat het Woord niet verwijst naar een werkelijkheid buiten zichzelf; dat er geen werkelijkheid is dan die van het Woord zelf. Frappant is in dit verband een uitlating van ds R. Zuurmond voor de NCRV-radio in een lezing over het structuralisme: "Je moet bij die bijbelse verhalen, zoals 'de overtocht van Jakob over de Jabbok, niet vragen wat er nou precies gebeurd is; het enige wat er gebeurt is het verhaal zelf." Hier wordt m.i. het Woord opgesloten in zichzelf.
Men moet dan daarna niet zeggen dat het Woord een kracht is, die zich in de werkelijkheid laat gelden. Want het Woord is dat alleen maar krachtens Gods werkelijkheid, die er achter staat. Die kracht in het Woord zelf te leggen of te zoeken, is vrees ik, magie.
Wij moeten de band tussen Woord en werkelijkheid niet doorsnijden, ook niet door te beweren, dat het Woord de werkelijkheid zelf is. Doen we dat wel.
dan is onze theologie inderdaad een 1Jebouw zonder deuren, zoals van Barth's Kirchliche Dogmatik gezegd is. Sterker, de kerk zelf is dan zo'n gebouw zonder In- en uitgang.
Wanneer ik het goed begrijp, is dit ook de reden, waarom dr H. M. Kuitert niet (meer) tot de school van Miskotte behoort. Je' zou hem vanwege zijn aanvanqsboekje 'De spelers en het spel' daartoe nog kunnen rekenen.
Maar in zijn latere werken bepaald niet. Hem gaat het juist om de algemene verstaanbaarheid van de evanqelieboodschap. Is de kerk niet in staat die boodschap in algemeen' geldige categorieën onder woorden te brengen, dan is ze geen knip voor de neus waard.
Dat is precies het tegenovergestelde van wat Miskorte's school beweert en bezielt.
Ik begrijp die positie van Kuitert heel goed, al gaat hij m.i. naar de andere kant te ver. De algemene geldigheid wordt bij hem te veel tot norm verheven. Maar ik ben het met hem eens: er moet naar algemene geldigheid en verstaanbaarheid gestreefd worden. Want het Woord is zo uniek niet, of het knoopt aan bij algemene beseffen.
Dat is ook in onze geseculariseerde wereld het geval. Daar moeten wij bij alle zorg niet te tragisch over doen. De 'vierde mens' van Miskotte, de mens dus aan wie zelfs het vermogen ontzegd moet worden om op enig geestelijk appèl te antwoorden (vgl. Als die goden zwijgen, p. 10 v.v.) - de bestaat m.i. niet. Die voorstelling, hoe begrijpelijk ook. is in strijd met wat Paulus in Rom. 1: 20 schrijft: eis to einai anapologètoes - zij (de mensen) zijn voor God niet te verontschuldigen in hun ongeloof. Het is juist Schilder (om hem nog even te noemen) die hier zo sterk op gewezen heeft. ' Maar toch behoren wij prof. Miskotte te eren omdat hij met vrome eerbied gewaakt heeft over het qeheim van het Woord. "Opdat niet de filistijnen, de onbesnedenen komen... " - die zorg doortrekt alles wat hij gesproken en geschreven heeft. In die zorg verdient hij onze navolging.