Over homofilie

1976-11-19
  • Jaargang 20
  • nummer 45
Na het uitvoerig antwoord in drie artikelen, dat collega De Jong heeft gegeven op vragen mijnerzijds n.a.v. zijn schrijven over de homofilie, ben ik er te meer van overtuigd dat de wijze waarop deze zaak in ons blad in discussie is gebracht moeilijk te verantwoorden is.
Spraken briefschrijvers hun dank uit aan het adres van ds De Jong, bij mij zijn heel andere reacties binnengekomen, niet alleen van lezers die bezwaren uitten, maar ook van mensen die in verwarring zijn gebracht.
In mijn dupliek zal ik sober moeten zijn, omdat we met gevoelige zaken bezig zijn, die meer thuis horen in pastorale gesprekken dan in een discussie in Opbouw dat nog altijd de opbouw van het gereformeerde leven beoogt. Ik blijf van mening dat het beter was geweest, wanneer te voren deze zaak in eigen kring was doorgesproken. Daarbij denk ik niet aan besluiten van meerdere vergaderingen, maar aan een overleg van artsen, maatschappelijk werkers, predikanten e.a., die met de aan de orde komende zaken in de praktijk te maken hebben.
In de kerk van Christus dienen we elkaar met de ervaring en de wijsheid die ons gegeven is; we doen dat als leden van één lichaam. De gemeente is de plaats waar de beloften liggen, van daaruit werkt de Heilige Geest genezend op het leven in. Het spijt me dat mijn collega dit niet aanvoelt. Als hij zegt dat als hij de kerkelijke weg was gegaan, hij luidkeels om moeilijkheden zou hebben gevraagd en daarom zonder overleg tot actie overgaat, neemt hij bewust afstand van de broederschap als geheel, zoals die in de kerken leeft.
Dit alles zal samenhangen met zijn opvattingen over wat hij noemt een pluriforme kerk, die vermoedelijk de mijne niet zijn. Het ontgaat hem daarbij dat zijn opmerking over de "kerkelijke" weg niet bepaald prettig zijn voor zijn naasten op die weg.
Deze "individuele" opstelling is te betreuren, vooral wanneer we zien, waar collega De Jong terecht komt, als hij hulp van de zijde van de N.V.S.H. en het C.O.C. verdedigt. Zou dit géén moeilijkheden geven?

Voorts blijf ik het betreuren dat de artikelen gekoppeld waren aan een actie voor het omstreden "Centre du Christ Libérateur" te Parijs. Het was, lees ik, niet de bedoeling actie te voeren, maar nu het daartoe is uitgegroeid is dit voor ds De Jong een zaak van blijdschap.
Ik deel niet in die blijdschap; integendeel: al die advertenties met de preek in Trouw, Opbouw, de Wekker, Koers, het Parool en mogelijk nog in andere bladen, vind ik maar een nare zaak.
Dit hangt samen met het feit dat ik het werk van pasteur Doucé in Parijs heel anders taxeer dan collega De Jong, niet alleen vanwege het verschil van gevoelen over deze zaak. Ik weet dat mijn collega ook zorgen heeft t.a.v. het pastoraat in Parijs, daarom ga ik er niet breder op in.
Alleen dit wil ik hierover kwijt: hebben we werkelijk een taak in Parijs, wanneer we in eigen kring nooit iets hebben gedaan om de betrokkenen in hun vereenzaming te hulp te komen.

Ds De Jong weet wel dat hij. zich op glad ijs heeft gewaagd. Hij is helemaal niet de man om instellingen als de N.V.S.H. en het C.O.C. te verdedigen. Daarom vind ik het niet leuk om hem op dit punt in verlegenheid te brengen, maar deze "nood" is mij ditmaal opgelegd, want er staat hier zo één en ander op het spel. Mijn collega verdedigt contacten met genoemde instellingen, omdat een mens die zich in de wereld van de homofilie oriënteert op dingen stuit, waar hij geen flauw benut van heeft. Als eerste voorbeeld wordt dan de homonel genoemd "aan wie ooit een huwelijk is aangepraat onder het zeggen dat het bij een gezonde vrouw wel zou overgaan, maar het is niet overgegaan; ook na veel gebed niet". Dacht ds De Jong nu heus dat er in gereformeerde kring geen begrip zou zijn voor de nood, die er dan ontstaat, niet alleen voor de man, maar niet minder voor de vrouwen de kinderen?
Moeten we met zulke vragen naar de N.V.S.H.?
De eventuele deskundigheid in deze kringen is noodt los te maken van het revolutionair beginsel dat men aanhangt. Alle pastorale arbeid in de kerk, ook in de zorg voor homofielen, staat onder de noemer van de' heiligmaking. In de heiligmaking halen we onze wápens niet uit het tuighuis van genoemde stichtingen, maar zijn we aangewezen op de wapenrusting van de Geest.
Ik zou me kunnen voorstellen dat iemand in zijn vereenzaming en nood bij zo'n instelling aanklopt, maar als wij dit weten hebben we tot taak hem zo gauw mogelijk daar weg te halen.

Haasten we ons nu tot de kern van de zaak, de vraag: "kan een vriendschap als door ds. De Jong bedoeld aangemoedigd worden?"
Daarmee heb ik niet gezegd dat mijn collega zulke vriendschappen aanmoediqt, zodat zijn licht verwijt mij niet raakt. Alleen moet iemand, die zo'n relatie "alleen niet afkeurt", zich er niet over verbazen, wanneer hieruit wordt afgeleid dat hij ze aanvaart, zodat een dergelijke uitspraak ongewild een aanmoediging wordt, zeker bij de aanhoudende reclame met zijn preek.
Aangezien mijn collega zegt achteraf in te zien dat de publicatie van de preek in Opbouw niet erg pastoraal was, neem ik dit uit de discussie. Intussen is op deze wijze de zaak te veel vastgepind op Romeinen 1. We zullen daar dus weer moeten beginnen en dan valt te constateren dat in de preek er terecht de aandacht op is gevestigd dat Paulus drie maal schrijft dat God in zijn toom de mensen hier genoemd heeft overgegeven. In Gods oordeel vallen zij a.h.w, uit Gods hand en doen (niet alleen in de seksuele omgang) schandelijke dingen.
Ons houdt nu bezig de daarbij genoemde tegennatuurlijke omgang van vrouwen en mannen, die getekend wordt als een consequentie in een zondig leven.

Karl Barth spreekt in zijn K.D. hier van een "laatste consequentie" en zegt dat het zo vanzelfsprekend is dat deze handelingen in strijd zijn met Gods geboden, dat het niet nodig is dat het nadrukkelijk wordt vastgesteld. De onderscheiding tussen homofilie en homoseksualiteit heeft recht van bestaan. maar ik geloof niet dat die onderscheiding mag worden gebruikt tot het verstaan van Romeinen I. om daaruit te concluderen dat er een geoorloofd gebruik van gelijk geslachtelijke aantrekking is. • We kunnen niet om het woord schandelijk heen.
Er zijn meer Schriftgegevens over de zaak die ons bezig houdt.
Ds De Jong noemt zelf in zijn antwoord Leviticus 18 : 22 en 20 : 13. waar gesproken wordt van een gruwel. Hij erkent dat er voorschriften zijn bij Mozes (zie genoemde Schriftgedeelten) die de homofilie verbieden, niet alleen als wangedrag. maar ook dat "homofiele gedrag waarvoor wij nu een geldige verontschuldiging zoeken". Het ijs wordt steeds gladder.
Die verontschuldiging krijgt dan vorm in een bekwaam, aantrekkelijk betoog. waarin duidelijk pastorale bewogenheid doorklinkt en prachtige dingen worden gezegd over de barmhartigheid van onze Heiland. Intussen is hij bezig met de onmogelijke karwei om aan te tonen dat wat in Leviticus een gruwel wordt genoemd. toch nog wel door de beugel kan.
Ds De Jong maakt twee onderscheidingen. Mozes en Paulus waren structuurbouwers aan het begin van een tijdperk. zij waren uit op heiliging op alle terreinen van het leven.
De Heiland werkte in een ondergaande beschaving. dit gaf aan zijn woorden een crisiskarakter en een eindtijdelijke gelding. met een concentratie op het wezenlijke, een zekere reductie. die tegelijk een verdieping inhoudt. Er komt nog een tweede onderscheiding.
Jezus benaderde het leven wel juridisch. als Hij zonde veroordeelde. maar daarnaast ook medisch. Hij wist zichzelf. hoezeer persoonlijk onschuldig. medeverantwoordelijk voor het bestaan van zondaren en tollenaren in de geschonden samenleving.
Wij leven als Jezus in een eindtijdelijke situatie. waarin we de medisch-barmhartige benadering van Jezus steeds meet" nodig zullen hebben in onze wereld.
Dit betekent niet dat we geen boodschap meer hebben aan wat in Leviticus staat. vooral in de opvoeding moet daarmee rekening gehouden worden. maar als het niet lukt. moeten we dan niet iets hebben van Jezus' medisch-barmhartige benadering in onze geschonden wereld?
De eindtijdelijke nood breekt veel van Mozes' wet lezen we aan het slot.
Eerlijk gezegd ben ik toch geschrokken van dit betoog. Het wordt er niet duidelijker op.
Is de Schrift zo moeilijk te verstaan? Het zou vele kolommen vergen om de hier aangesneden zaken enigszins verantwoord te bespreken.
De stelling dat Jezus in een eindtijdelijke situatie sprak en Paulus niet. is zeer aanvechtbaar.
Het onderscheid juridisch-medisch heeft een zeker recht van bestaan. maar de stelling dat Jezus zich medeverantwoordelijk voelde voor de slachtoffers van verkeerde structuren is een wijsheid. die ik in de Schriften niet vinden kan. Mijn grote bezwaar is: ds De Jong hanteert hier in zijn Schriftuitleg onderscheidingen die de Schrift niet kent. Op deze wijze komt mijn collega niet om Leviticus heen.
In de verhouding Mozes Jezus gaat het niet van meer naar minder. maar omgekeerd. Jezus grijpt t.a.v. het huwelijk achter Mozes terug naar "de beginne" en wil van praktijken met de scheidsbrief niet weten. Lezen we in het Oude Testament over de vele vrouwen van David en Salomo; Jezus leert duidelijk het monogame huwelijk. Daarom ben ik allerminst overtuigd.
Ik weet dat er door het betoog van collega De Jong verschillende lijnen lopen en ik wil heus het of-of niet drijven en ruimte laten voor een en-en. Maar in de zaak die ons bezig houdt kan dit niet.
Ik volg mijn collega niet op het punt van vergelijkingen met het huwelijk. omdat dit de zaak niet duidelijker maakt.
Wanneer ds De Jong zich streng opstelt tegen het voorechtelijk samenleven voel ik me nauw aan hem verbonden. De seksuele relatie aangegeven in het "tot één vlees" zijn heeft de Here ons gegeven in het geheel van: liefde-trouw-overgave in het huwelijk. daar zijn de rechten. Dat betekent niet dat alles is geoorloofd; kuis en ingetogen zegt de oude Heidelberger. Maar als de intieme relaties niet los verkrijgbaar zijn, en naar Gods wil fungeren in het huwelijk. dan kan ik niet inzien dat een homofiele relatie in eer en deugd is te verdedigen. Daarom kunnen we wel wat voor de mensen 'doen.
Er is onder het kruis een zegen. voor allen die een kruis is opgelegd. Niet op alle argumenten van ds De Jong ben ik ingegaan, omdat, zoals ik aan het begin zei. soberheid gewenst is. Er is m.i. voorlopig genoeg over deze tere zaken geschreven.

Naschrift
Tot zover voorlopig deze discussie. die natuurlijk niet door iedere lezer even interessant gevonden zal zijn. Toch is het wel eens goed dat ook over zo'n gevoelig onderwerp verschillende standpunten zwart op wit en met redenen omkleed naar voren gebracht worden. In die zin zou je deze discussie een stukje kerkverband in praktijk kunnen noemen. Natuurlijk heb ik aandrang op hetgeen door mijn collega gezegd is. weer opnieuw te antwoorden. zoals hij daarna weer lust zal hebben, wanneer ik uitgesproken ben. Zo zou het heel lang kunnen gaan duren. Daarom is dit een goed moment om af te breken. De bedoeling van een dergelijk gesprek in de pers is immers niet dat er een winnaar zal zijn. maar dat in het belang van de lezer de argumenten over en weer eens op een rijtje worden gezet.
Welnu, dat is gebeurd. Duidelijk heeft ook kunnen worden dat bij ons beiden, ds Van der Kwast en mij, de wil voor zit ons. ook op dit punt. door de Schrift te laten leiden. Vandaar ook dat onze discussie uitliep op vragen rondom het Schrift gebruik. Bij een mogelijke voorzetting zou vooral daarop doorgesproken moeten worden.

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief