Over waarheid en leugen
1976-11-19
In De Reformatie heeft ds F. de Vries in zijn rubriek Persschouw betoogd dat ik een aantal onwaarheden heb gedebiteerd. Om der wille van de waarheid wil ik daarop even ingaan.- Jaargang 20
- nummer 45
Het eerste waarop ds De Vries kritisch ingaat is het volgende. Ik had in mijn artikel over het seminarie geschreven over vier broeders die vanwege hun arbeid aan de Theol. Hogeschool geschorst zijn. Ds De Vries schrijft letterlijk het' volgende:
“Met de vier broeders die zelfs o.a. vanwege hun arbeid aan de opleiding tot de dienst des W oords zouden zijn geschorst bedoelt prof. Veenhof ongetwijfeld de twee lectoren dr H. Mulder en drs D. J. Buwalda en de hoogleraren dr H. J. Jager en C. Veenhof.
Maar hier speelt het geheugen prof. Veenhof parten. De twee lectoren zijn niet geschorst vanwege hun arbeid aan de Theologische Hogeschool, maar juist vanwege het weigeren van arbeid die tot hun taak behoorde, populair gezegd: vanwege hun staken van de door hen aanvaarde arbeid.
De beide hoogleraren waren op het tijdstip van hun zgn. schorsing reeds emeritus verklaard. 't Is eenvoudig in strijd met de waarheid als men zegt dat ze geschorst zijn."
Ik heb mij over wat ds De Vries hier zegt tot dr Mulder gewend, Die is ook reehstreeks bij deze zaak betrokken. Laat ik het aanstonds zeggen: de "smaadheid" die hem en drs Buwalda door de synode van Hoogeveen werd aangedaan wordt hun nog steeds aangewreven. Ds De Vries deed dat in zijn Persschouw ook. Dr Mulder schreef daarover het volgende:
Ds De Vries komt weer aan met de bewering dat de lectoren Buwalda en Mulder hebben gestaakt. Ja, dat staat in het schorsingsbesluit van Curatoren, dat door de synode van Hoogeveen van 1969 ongewijzigd werd verheven tot afzettingsbesluit. Maar is een uitspraak bewezen, als het in een synodebesluit is opgenomen? Dat zou voor ds De Vries en vele vrijgemaakte ambtsdragers niet best zijn! Wat hebben Schilder, Greijdanus en vele, vele predikanten geleden onder de onware uitspraken van synodebesluiten. En zo is het ook met de lectoren gegaan.
Als ds De Vries dit nog niet weet, dan moet hem maar eens duidelijk gezegd worden, dat de lectoren grote smaadheld is aangedaan door de onware publieke beschuldigingen van de zijde der curatoren eerst in 1967, en van de kant van de synode daarna nog eens in 1969 . Nu zal ds De Vries zeggen: dan staat de bewering van de lectoren tegenover die der curatoren en der synode. Maar hoe weten we nu, wat de waarheid in dezen is?
Welnu, dat weten we niet uit het synodebesluit, maar wel uit synoderapporten.
Gaat u maar eens na. Toen het beruchte attestenbesluit, ontworpen door de Senaat der Hogeschool.
zonder enig overleg met de lectoren Buwalda en Mulder door de Curatoren tot leidraad voor de toelating tot examens was aanvaard, ontstond de volgende situatie:
Studenten die behoorden tot de Vrijgemaakte Kerk (Nieuwe Kerk) te Kampen, moesten zich eerst aan een onderzoek inzake hun belijdenis onderwerpen, voordat ze examen mochten doen. Docenten die dit examen moesten afnemen, bleven ongemoeid, ook als zij lid waren va> de Vrijgemaakte Kerk (Nieuwe Kerk).
Buwalda en Mulder vroegen hierover een onderhoud aan met de Curatoren, voordat zij aan zulk een examen deelnamen. Zij verwezen daarbij op grond van de gelijkheid in behandeling naar Spr. 20: 10 en 23: "Tweeërlei weegsteen is de Heere een gruwel". Curatoren wilden slechts een onderhoud toestaan nadat lectoren zich zouden hebben verplicht examens af te nemen. Toen lectoren zich hiertegen beriepen op de gehoorzaamheid aan het Woord des Heren, werd hun weigering om deel te nemen aan het afnemen van 'examens gebrandmerkt als staking!
En wat lezen we nu in een synoderapport over deze houding der Curatoren? Het volgende: 1. Het attestenbesluit ..had door deputaten-curatoren in het kader van de vergadering van 21 augustus (1967) met ALLE docenten besproken moeten worden vóór het rechtskracht ontving!"
(cursivering onzerzijds). Het uitroepteken staat in het rapport zelf! En over de koersbepaling door goedkeuring van het attestenbesluit in de curatorenvergadering van 16 augustus (1967) volgt in datzelfde rapport: 2. "Deze bepaling had in een vergadering met alle docenten besproken moeten worden ... Wij zijn van mening, dat deputaten-curatoren op dit punt in hun beleid tekortgeschoten zijn. Voor zover de lectoren drs Buwalda en dr Mulder zich hierover beklagen, doen zij dat terecht.
(cursivering weer onzerzijds.) 3. Uit een ander rapport blijkt bovendien, dat: Curatoren in een gesprek met een door de synode ingestelde commissie erkenden, dat er destijds verschil was in hun bejegening van studenten en docenten (cursivering weer onzerzijds).
Durft ds De Vries in het licht van deze synoderapporten te handhaven, dat de lectoren Buwalda en Mulder hebben gestaakt? Neen toch? Zij hebben immers gepoogd de Curatoren de ogen te openen voor de enige wijze. waarop het attestenbesluit rechtskracht kon ontvangen. Curatoren zagen dat niet. Dat blijkt ook uit een andere opmerking in een synoderapport: "De draagwijdte van het attestenbesluit, zoals die binnen de senaat duidelijk was geschetst, is in het college van deputaten-curatoren niet voldoende getaxeerd."
Daarbij moet hij bedenken, dat de bespreking met alle docenten, die door het synoderapport werd geëist, niet doorging, omdat twee hoogleraren weigerden aan zulk een bespreking deel te nemen.
Zij mogen dat weigeren zonder dat er iets gebeurt. Maar als de lectoren aandringen op eeri bespreking, die achteraf in een synoderapport noodzakelijk wordt geacht, voordat zij aan de uitvoering van een besluit medewerken, worden de lectoren geschorst wegens staking!
Begrijpt ds De Vries zulk een beschuldiging? En wie zou kunnen begrijpen dat een Synode, waaraan een commissie zulk een rapport verstrekt, dan toch deze beschuldiging tegen de lectoren handhaaft?
En daarbij uitspreekt, dat zij schuldig zijn aan een “zware zonde. waarover het Oordeel des Heren komt"? Ds De Vries moge zich na deze duidelijke toelichting geroepen weten te ijveren voor herstel van de goede naam in dezen van de lectoren Buwalda en Mulder!
Wat prof. Jager en ondergetekende betreft: de synode van Hoogeveen heeft hun alle rechten als emeritus hoogleraren ontnomen. Zij ontvangen van Curatoren en Senaat geen uitnodiging meer voor enige vergadering, geen dissertaties, redevoeringen enz. (Ik voeg hierbij dat ik van één hoogleraar en één promovendus wel iets van die aard heb ontvangen in de persoonlijke sfeer, waarvoor ik zeer dankbaar ben.) Volgens "Kaart van Kerkelijk Nederland"
van dr C. N. Impeta, Kampen 1972, verklaarde de synode van Hoogeveen omtrent de emeritus hoogleraar H.J. Jager "dat deze "de... geëiste genoegdoening met betrekking tot, de trouw aan de leer en de orde der kerken niet heeft gegeven", en t.a.v. de emeritus-hoogleraar C. Veenhof dat deze "de...geëiste genoegdoening met betrekking tot de bescherming van de leer en de trouw aan de orde der kerken niet heeft gegeven...
Een adviserend lid van de synode verklaarde dat het met mijn confessionaliteit zelf wel in orde was maar dat ze niet voldoende functioneerde. Men lette op het verschil, t.a.v. prof. Jager ging het om de trouw aan .. bij ondergetekende om de bescherming van. Ik citeer dit boek omdat ik de officiële paperassen ten aanzien van de tegen mij geopende synodale procedure nooit heb gelezen. Ze zitten nog in de envelop waarin ze mij werden toegezonden. Toen de synode van Hoogeveen de zaak van prof. Jager en mij behandelde was de kerk van Kampen waartoe wij behoren reeds buiten het verband gezet. Waarom zou ik die nare papieren dan nog lezen?
De lezers moeten maar beoordelen of hier van schorsing sprake is of niet.
Nog één vraag aan ds De Vries. Is hij vergeten dat prof. Greijdanus als emeritus-hoogleraar en emeritus-predikant is geschorst?
Ds De Vries meent mij op nóg een onwaarheid te hebben betrapt. Hij schrijft namelijk het volgende:
"Prof. Veenhof schreef dat de voorbereiding al drie jaar lang diep in het geheim had plaats gevonden; feit is dat reeds in hef najaar van 1970 een brief is gezonden aan alle kerkenraden. Niet één van de leden van de door het convent van kerken benoemde kommissie die advies moest uitbrengen over de vraag hoe de opleiding ter hand moest worden genomen, zou iets van de plannen gehoord hebben; feit is volgens het verslag in 'Opbouw', dat de leden van de kommissie die ook ambtsdrager waren van het najaar van 1970 af er wel van wisten."
Ik wil in de eerste plaats opmerken dat ds De Vries blijkbaar geen hoge dunk heeft van mijn intelligentie. Of veronderstelt hij dat ik aan seniele aftakeling lijd? Ik zou immers ook een dom schepsel moeten zijn om iets te beweren waaromtrent de kerken zwart op' wit het bewijs hebben dat het onwaar is! Ook omtrent deze zaak wil ik de feiten laten spreken. Men lette vooral op de data! Op 25 april 1970 kwam een convent van kerken om over de opleiding te spreken.
Dat convent benoemde een commissie om over de opleiding te beraadslagen.
Van die commissie werd ik voorzitter. Deze commissie stelde een rapport op dat besproken werd op een tweede convent op 3 april 1971. Daarop werd haar rapport met applaus aanvaard. Daarna werden de opleidingsplannen opnieuw besproken op een convent 26 mei 1973.
En, nu moet men goed opletten: op 19 oktober van het jaar 1973 hoorde ik voor het eerst van de oprichting van een seminarie! Direct daarna riep ik een vergadering van de commissie voor de opleiding bijeen om over deze zaak te spreken. En daarna heb ik onmiddellijk, ter voorbereiding van de bespreking op de commissievergadering, een nota opgesteld van 25 pagina's! En daarvan zal ik nu hier het begin laten afdrukken. Namen vervang ik door "broeder".
Maandag 15 oktober werd ik opgebeld door een broeder (later bleek mij dat hij lid was van het bestuur van de Stichting Geref. Seminarie - C.V.) die om een onderhoud met mij vroeg over een belangrijke zaak. We spraken af dat de ontmoeting zou plaats vinden woensdag de 17e, 's middags om vier uur.
Op mijn vraag of ik mocht weten waarover het gesprek zou gaan, antwoordde deze broeder: de opleiding tot de dienst des Woords. Ik vermoedde dat deze broeder, gelet op zijn internationale contacten, over de nieuwe theologische academie van Bazel wilde spreken of over die welke een paar jaar geleden in Parijs werd opgericht.
Ik zocht daaromtrent alvast een aantal gegevens op. Woensdagmiddag bracht de post mij o.a. een brief. Ik maakte die open en zag op de paperassen die ik er uit haalde de woorden: "Stichting Nederlands Gereformeerd Seminarie". Voor ik verder kon lezen ging de bel en de deur openend, stond de bewuste broeder met nog een andere voor mij.
Ik was hevig geschokt door de woorden die ik gelezen had. Maar ik leefde onmiddellijk in de veronderstelling dat de broeders mij een concept voor zo'n Stichting hadden toegestuurd en mij daarover advies kwamen vragen. Ik was nooit op de idee gekomen dat ergens in onze kerk over zo'n Seminarie zou worden gedacht. Ik had er ook nooit een toespeling op vernomen.
In het gesprek dat volgde heb ik mij met alle kracht verzet tegen een dergelijk project. Ik heb à l'Improviste een reeks ernstige bezwaren daartegen genoemd.
Het gesprek eindigde mijnerzijds met de dringende oproep om in ieder geval over deze uiterst belangrijke en ingrijpende zaak met de door de kerken benoemde "Commissie voor de opleiding tot de dienst des Woords' te spreken. En ik verklaarde mij ook persoonlijk bereid tot een verder gesprek. Liefst zo gauw mogelijk te houden.
Toen ik de inhoud van de genoemde envelop nader bekeek bleef ik bij de gedachte met een concept van doen te hebben. Wat ik las was nl. een fotokopie en er stonden met potlood geschreven doorhalingen in. Ik was daarom perplex toen vrijdagmorgen vroeg mij een predikant opbelde die, zeer ontdaan, vertelde dat hij met de morgenpost de mededeling had gekregen dat een Stichting voor een Seminarie was opgericht. En dat een volledige organisatie en een programma daarvoor reeds klaar waren. Met verbazing en ontzetting hoorde ik dat. Ik zag als in een oogopslag een somber visioen van alle ellende die daarvan het gevolg zou kunnen zijn.
De volgende dag ontving ik een brief waarin mij al de documenten van een reeds opgerichte seminarie werden toegezonden!
Ik heb toen onmiddellijk contact gezocht met de secretaris van onze commissie om zo spoedig mogelijk bijeen te roepen. De vergadering werd vastgesteld op woensdagmorgen 26 oktober.
Ik heb nadat dit was overeengekomen, mij gehaast de Stichting en haar project voor een Seminarie te bestuderen. Het resultaat daarvan bied ik U hierbij aan.
Op de commissievergadering- bleek dat één van de leden bij geruchte juist iets van het seminarie had gehoord. De andere leden wisten van niets. Deze commissie zond als resultaat van haar besprekingen een brief aan de kerken. Ik vraag weer: heb ik onwaarheid gesproken? 1)
Noot:
1) Zoals ik schreef, ontving ik in eerste instantie een fotokopie van de projecten der Stichting, Daarin werden blijkens de definitieve vorm daarvan, enkele wijzigingen aangebracht.
In de fotokopie stonden enkele passages die in de ,definitieve tekst waren weggevallen.
Ik schreef daarover in het boven genoemde rapport aan de commissie: "Zo luidde in de fotokopie het begin van art. 3 aldus: "Het doel van de Stichting is, door de oprichting en instandhouding van een Gereformeerd Seminarie voor de opleiding tot de dienst des Woords ten behoeve van vrijgemaakte gereformeerde kerken, alsmede ten behoeve van andere kerken die eveneens de Drie Formulieren van Enigheid als hun belijdenis aanvaarden en die ...".
De cursief gedrukte woorden waren in de definitieve tekst weggelaten. Art. 14 luidde in het concept: "Vrijgemaakte Gereformeerde kerken die zich verbinden de Stichting geldelijk te steunen en daartoe tenminste de opbrengst van elk kwartaal in het bijzonder VOOI' dit doel te houden kerkcollecte aan de Stichting af te dragen, kunnen als met de Stichting samenwerkende kerken tot de Stichting toetreden ... enz." De hier cursief gedrukte woorden zijn weer in de definitieve tekst weggelaten. Het "tot de Stichting toetreden" is een mystificatie. In feite is dat: toetreden tot 'n groep van kerken die wel de Stichting geld fourneren maar krachtens haar reglementen en krachtens de wet geen enkele wezenlijke invloed daarop en gezag daarover bezitten. Tenslotte is uit de lijst van de leden van de Raad van Toezicht zoals die in het concept voorkwam de naam van dr B. Jongeling verdwenen."
Het is mij een raadsel waarom mij een fotokopie van een ontwerp stichtingsakte werd toegestuurd terwijl alle kerken nog geen twee dagen later de definitieve stichtingsakte ontvingen.
Dat drs Buwalda docent aan het seminarie is vernam ik pas uit het verslag van de opening daarvan.
(Volgende week verder)