Zo was het
1976-11-26
Enkele jaren praatte ik voor bejaarden in Kampen via de kerktelefoon, over verleden en heden. Hier een eerste praatje uit 't begin van 1974.- Jaargang 20
- nummer 46
De eerste preek, die ik na m'n schorsing in een oud lokaaltje heb gehouden was over Hebr. 12: 1 en 2, waarvan de hoofdzaak is: We hebben een wolk van geloofsgetuigen om ons liggen. We lopen in de loopbaan. We moeten afleggen de last der zonde en met volharding onze levensloop voortzetten. Daarbij ons oog richten op Jezus, de enige Leidsman. En niet achterom zien, maar vooruit. Naar de vreugde, die ons wacht, zoals Jezus ook gedaan heeft. Hij heeft het kruis op zich genomen en zo moeten wij ook Hem volgen. De schade en smaad, die mensen ons aandoen, wegen lang niet op tegen de blijdschap, die we te wachten hebben.
Ik heb de preken van toen niet bewaard. Wel weet ik nog, dat ik de tweede zondag heb gepreekt over Marcus 10: 29-31, waar de Here Jezus tot z'n discipelen zeide: "Voorwaar Ik zeg u, er is niemand, die huis of' broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het Evangelie, of hij ontvangt 100-voudig terug: nu, in deze tijd', huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven".
Natuurlijk wilde ik met deze tekst niet zeggen, dat wij net als Petrus alles hadden moeten verlaten. Evenmin wou ik wat wij ondervonden vergelijken met de vervolgingen waarvan de Here Jezus sprak. Maar ik wilde de gemeente en mijzelf wèl voorhouden, dat wanneer we 'de wil des HEREN deden we niets te vrezen hadden. Maar dat de HERE ons 't dubbele zou weergeven van wat wij zouden achterlaten. Voor sommigen was het inderdaad een bezwaarlijke stap: er waren er, die heel de familie, vader en moeder en broers en zusters tegen zich kregen.
Er zijn vriendschappen verbroken en familiebanden verscheurd in de dagen der vrijmaking. Het zou ons ook wel in de portemonnee te merken zijn. Maar geen nood: de HERE zou wel voor ons zorgen en maken dat we vrienden en broers en zusters terugkregen.
We verlieten een mooie kerk, waar we trots op waren en kwamen terecht in een onooglijk lokaal. Ik moest een paar maanden later verhuizen van een grote pastorie naar een veel kleiner huis. Ik herinner mij, dat een vrouw, die Hervormd was, tegen me zei: Och, lieve stumper, moet je nu in zulk een klein huis wonen? Dat was overdreven, maar groot was het huis niet. Verder werden vriendschappen verbroken.
M'n collega's die mij geschorst hadden kwamen niet meer aan de pastorie en ik niet bij hen. Niet dat we elkander haatten, maar er kwam toch verwijdering. En in de portemonnee konden we het zeker merken. En nu herinner ik mij een verhaal, dat ik in m'n eerste gemeente hoorde: In de dagen van de Doleantie of enige jaren daarna, was er een hervormde jongen, die verkering kreeg met een "dolerend" meisje. De ouders van de jonge man waren er fel tegen, dat hij gereformeerd zou worden. Maar hun argumenten maakten geen indruk. Toen zei de vader tegen z'n zoon: Het zal je zeker een koe per jaar kosten!
Ik heb die man, die gereformeerd werd, gekend. Maar zijn stallen waren even vol als die van z'n broers, die hervormd warm gebleven!
Nu, wij verlieten veel, maar kregen meer terug. M'n collega's kenden mij niet meer, maar ik werd bevriend met ds Holwerda en Veenhof en anderen. Ik kreeg vrienden en broeders weer. We werden wat smadelijk art. 31-ers genoemd. Ofschoon niemand wist, wat er in act. 31 stond.
Maar er iag in de ogen van de synodale broeders iets minachtends. Tegenover die grote menigte waren wij maar een armzalig troepje. Bovendien maakten de rijken zich bijna niet vrij. In Groningen was het een bekend gezegde: "Het kapitaal blij ft synodaal". Zo was het ook in Voorthuizen. Maar wij hadden het onderling heel goed. De gemeenschap der heiligen, der gelovigen, was sterker dan vroeger. In de week na de eerste zondag dat ik preekte hielden we een vergadering ter voorlichting. Ik heb toen uiteengezet waarom ik niet anders kon, dan ik gedaan had. Ds Van den Bom heeft ook nog gesproken.
Ik ben niet fel van leer getrokken tegen de synodale broeders. Ik heb hen niet beschuldigd, dat zij "broedermoord" hadden begaan. Zulke uitdrukkingen werden in de vrijmakingstijd wel gebruikt, maar ik vond dat te kras. Ik weet natuurlijk niet, of die voorlichting wel veel heeft opgeleverd. Sommigen vonden de kwestie niet de moeite waard om zich druk over te maken. Waarop ik vroeg, waarom de kerkenraad, op voorgang van de synode, het dan zo belangrijk vond, dat hij mij verbood het Evangelie te verkondigen. Ja, dat vonden zij ook wel niet goed, maar ze bleven toch maar zitten waar ze zaten. Er was één die zei: Ik heb vanaf 1927 op dit plaatsje in de nieuwe kerk gezeten en die plaats wil ik houden! De grote meerderheid van de 1350 zielen liet zich door de kerkenraad of door de familie leiden. Vooral de familieband was sterk. Als meer dan de helft met mij was meegegaan, had ik 95 % meegekregen. Maar goed, dat dit niet gebeurd is, want dan was alles bij het oude gebleven. En ik ben van mening, dat er heel wat moest veranderen. Er was bij de meerderheid, denk ik, veel lauwheid en traagheid en blijven bij de traditie: het was altijd al zo geweest en het moest maar zo blijven. Er waren ook wel. die de zaak praktisch bekeken naar ze zeiden: hoeveel gingen er mee!? De minderheid? Nu, dan gingen zij niet mee, want die stap kon hun wel eens klanten kosten! Na afloop van de vergadering ging een broeder mee naar de pastorie en hij vond, dat ik veel te slap had gesproken. Ik had feller van mij af moeten bijten. Ik had het werk van de synode en de kerkenraad als duivels moeten kenmerken. Ik was het met die broeder niet eens. De Here Jezus heeft gezegd: "Leert van Mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart en gij zult rust vinden voor uw zielen."
Ik heb op die vergadering gevraagd, dat degenen, die mij niet mee wilden schorsen, maar mij als dienaar van het Evangelie bleven erkennen, een ogenblik te blijven. Aanvankelijk bleek, dat een 25 gezinnen, een 150 zielen mij bleven erkennen. ' In diezelfde week hielden we de eerste gemeentevergadering zal ik maar zeggen. Toen werden enkele ouderlingen en, diakenen gekozen.
En ook een zogenaamde Commissie van Beheer. Die de financiën zou regelen.
Een van de gekozenen stond op en zei: Broeders en zusters, ik stel u voor, dat de dominee hetzelfde traktement zal houden. Ik meen, dat m'n traktement f 3.600,- bedroeg.
Ik heb toen gezegd: Broeders en zusters, we vormen samen 25 of 26 gezinnen. Nu, 25 gezinnen kunnen, als ze het willen er best een 26e bij onderhouden. Dat kan misschien niet in geld, maar dan wel in natura. Belooft nu maar niet te veel. dat jullie mogelijk niet kunt waar maken. Het bleek. dat men inderdaad die f 3.600,- wel kon bij mekaar krijgen. En bovendien vrij wonen. We kregen van sommigen buiten de vrijgemaakte kerk veel medewerking. De eigenaar van het lokaal maakte zich niet vrij, maar het lokaal kregen we gratis. Een enkele broeder of zuster, die bleef bij het oude zal ik maar zeggen, gaf door bemiddeling van een vrijgemaakte kennis geregeld een bijdrage. Een ouderling, die mij mee geschorst had, zei tegen een kennis: "Als er gebrek in de pastorie komt, zeg het mij dan, dan zal ik wel zorgen dat daarin wordt voorzien." Dat is niet nodig geweest. We hebben in geen ding gebrek geleden. We hadden bij de oude pastorie een grote tuin, die ruimschoots alles opbracht wat we aan groente en fruit nodig hadden. We kregen later een kleine pastorie toegewezen - de burgerlijke autoriteiten waren ons zeer welgezind - met een klein stukje tuingrond. Maar de gemeenteleden zorgden voor fruit enz., zodat we bijna niet konden merken, dat we de grote tuin niet meer hadden. Zo zorgde de HERE voor ons. Door middel van de kleine gemeente en enkele anderen.
De grote "men" begreep niet, hoe dit mogelijk was. Dat bleek mij uit een opmerking van een synodale broeder. Het was meen ik in 1948, toen ik pas benoemd was als docent aan de School hier. Ik stond op een bus te wachten, toen een broeder van de niet-vrijgemaakte kerk op mij kwam toelopen. Die broeder was wat eigenaardig. Een heel best mannetje, maar wat kinderlijk en vreemd. Nu zeggen kinderen en dronkaards, naar men zegt, altijd de waarheid. Nu, deze broeder was allerminst een dronkaard, maar wel wat kinderlijk. En hij zei wat anderen ongetwijfeld dachten. Hij zei: "Gelukkig, dat u benoemd is in Kampen. Wel gefeliciteerd. Maar mag ik u eens wat vragen?" Ik zei: "Vragen is vrij en het weigeren er bij." Toen kwam hij heel bedeesd met z'n vraag voor de dag: "Dominee, wie heeft u totnogtoe onderhouden met uw gezin?" Ik antwoordde niet direct, maar stelde een vraag aan hem: "Wie denkt u, dat ons onderhouden heeft?" "Wel." was z'n antwoord, ,”men zegt, dat voor uw traktement gezorgd wordt door een groothandelaar in kolen, die in Rotterdam woont."
Hoe men ter wereld daarbij kwam is mij tot vandaag een raadsel. Maar in elk geval was mij duidelijk, dat velen dachten: "Dat kleine groepje kan natuurlijk nooit dat gezin onderhouden." Ik heb toen tegen die broeder gezegd: "Uiteindelijk is het de HERE, die voor ons gezorgd heeft, maar door middel van de kleine gemeente, die mij niet in de steek gelaten heeft." Hij lichtte z’n bolhoedje op, groette mij vriendelijk en mompelde: "Wel verbazend, wel verbazend, hoe is dat mogelijk. "
Tot de volgende keer.