Jeremia
1976-12-03
Reformatorische landdag- Jaargang 20
- nummer 47
En zo ging Josia aan het werk. Hij ontbood de oudsten van Juda en Jeruzalem bij zich. Tijdens die vergadering vertelde hij hun van de ontdekking in de tempel en gaf hij hun te kennen, dat !hij heel het volk bij elkaar wilde roepen voor een soort reformatorische landdag. Er werd een datum voor die dag vastgesteld en de oudsten kregen de opdracht ervoor te zorgen, dat het volk op die datum samen kwam bij de tempel. Op de afgesproken dag stroomde het volk, zowel groot als klein, inderdaad massaal bij de tempel samen.
En toen heeft Josia het hele wetboek van Jahweh van A rot Z aan het volk voorgelezen. Dat is wel een lange preek geweest. En het volk zal heus nier in één keer alles ervan onthouden hebben. Maar wat wel tot hen kon doordringen was het besef: onze praktijk wijkt ver af van wat er in de wet van Jahweh staat. En daar was het Josia om te doen. Hij wilde dat het volk zich met een schok zou realiseren,dat ze helemaal op de verkeerde weg waren en dat ze moesten omkeren.
Dat Josia daarop mikte, blijkt uit wat hij vervolgens deed. Hij ging op een podium staan en sloot een verbond voor het aangezicht van Jahweh, een plechtige belofte dat men voortaan Jahweh zou volgen en met hart en ziel zijn geboden zou onderhouden. En heel het volk beaamde dat, zei er armen op. Je zou kunnen zeggen dat het volk massaal openbare geloofsbelijdenis aflegde, Het moet voor Josia een geweldige dag geweest zijn. Is het niet prachtig – al het volk als één man bereid blijkt te zijn ·een nieuw begin te malkenen de wet van God in praktijk te gaan brengen?
Uitwerking
Onmiddellijk na deze landdag pakt Josia de koe bij de horens.
Hij ontketent een rigoreuze beeldenstorm. Alle afgodsbeelden en alles wat met de verering daarvan te maken had, worden uit de tempel van Jahweh verwijderd en buiten Jeruzalem verbrand. Alle afgodspriesters in juda en Jeruzalem worden ontslagen en de offerhoogten ontwijd. De verblijven bij de tempel van Jahweh, waarin gewijde prostitutie bedreven werd, worden afgebroken. Alles wat maar met publieke afgodendienst te maken had in juda en Jeruzalem, wordt vernietigd, ook worden de dodenbezweerders en waarzeggers uit de weg geruimd. En Josia strekt zijn activiteiten zelfs uit tot in het voormalige Tienstammenrijk.
Bovendien laat hij voor het eerst sinds onheuglijke tijden het pascha weer vieren volgens de wet van Jahweh. Dat was inderdaad een indrukwekkende reeks van maatregelen. Josia liet het niet bij goede voornemens.
Er was een daadwerkelijke ommekeer. Er werd. concreet een eind gemaakt aan allerlei afgodische praktijken. De dienst van Jahweh in de tempel werd gezuiverd van allerlei onbijbelse tradities.
Het Pascha werd weer in ere hersteld volgens Gods Woord. En de Kroniekschrijver vermeldt dan Dok dankbaar, dat men in Jeruzalem en Juda, zolang Josia leefde, niet afweek van de HERE (2 Kron. 34 : 33). Dat is ook iets om dankbaar voor te zijn. Want hoe vaak blijft het in de kerk niet bij goede voornemens? Dan is men wel ook het inzicht gekomen dat er allerlei dingen zijn ingeslopen, die afbreuk doen aan Gods Woord en dat er iets moet veranderen, maar er gebeurt gewoon niets, Het blijft alleen maar bij een constatering. En daar schiet je natuurlijk niets mee op.
Daarom was het prachtig dat er in Juda en Jeruzalem werkelijk iets veranderde, Maar toch betekende her feit dat er in de publieke eredienst een terugkeer naar Jahweh en zijn Woord gekomen was, nog niet dat nu met het volk alles in orde was. Men was in de eredienst weliswaar tot Gods Woord teruggekeerd, maar niet in het leven van elke dag. Men was om zo te zeggen in de leer wel weer orthodox geworden, maar in de dagelijkse levenspraktijk bleef men zijn eigen gang gaan. En dan zegt de HERE: een dergelijke orthodoxie kan Me gestolen worden.
Besnedenen die toch de voorhuid hebben
De reformatie van Josia was niet niks en heeft natuurlijk geweldige veranderingen teweeggebracht. Stel voor dat er in opdracht van de een speciale sloop- en afbraakploeg door ons land trok om alle kerkgebouwen te vernietigen en af te breken.
Dat zou zonder meer een ingrijpende zaak zijn. Niet minder ingrijpend was wat Josia deed, En zeker bij het herstel van de eredienst in de tempel is het volk ook actief betrokken geweest. En we kunnen ons voorstellen dat het teruggevonden wetboek daarbij ook voor het volk een belangrijke rol speelde. Voordat het gevonden werd. had men er geen idee meer van hoe de HERE wade dat de eredienst in de tempel moest plaatsvinden. Nu wist men dat weer en was het wetboek er weer.
We kunnen goed begrijpen dat dat in combinatie met de afbraak van de publieke afgodendienst, sterk tot de verbeelding van het volk sprak Dat is altijd zo bij een reformatie. Dan staan de afschaffing van allerlei misstanden en de ontdekking van wat men vergeten was, centraal. Om een paar voorbeelden te noemen: bij de reformatie in de 16e eeuw stond de rechtvaardiging door het geloof alleen centraal en bij de vrijmaking in 1944 speelde artikel 31 van de DKO een centrale rol. Zo zal er ook bij de reformatie van Josia een sterke nadruk gelegen hebben op de zuivere, bijbels verantwoorde manier van offeren in de tempel en dergelijke, Josia en Hizkia, de hogepriester, zullen er wel voor gezorgd hebben dat de bijbelse eredienst er bij het volk goed ingehamerd werd.
Maar hoe ingrijpend dit alles ook was, na verloop van enige tijd bleek het hart van het volk er niet door geraakt. Toen het stof van de verpulverde afgodsbeelden en heiligdommen wat was opgetrokken, bleek er geen innerlijke bekering te hebben plaatsgevonden. Ondanks de besnijdenis had men toch de voorhuid. Heel het huis van Israël bestond uit onbesnedenen van hart (Jer. 9 : 25, 26). Maar die innerlijke bekering is nu juist het belangrijkste. Daar gaat het de HERE om.
Kernvraag
De vraag die na elk nieuw begin aan de orde moet komen, luidt: is er een werkelijke terugkeer tot de HERE? Nu all weer een aantal jaren geleden is er in ons kerkelijke leven ook een nieuw begin geweest.
Toen hebben we gezegd: Geen boven-bijbelse bindingen meer. Dat is een goede zaak. Maar de kernvraag blijft: Heeft dat nieuwe begin ons nu ook dichter bij Christus gebracht? Zijn we daardoor meer afhankelijk van Hem gaan leven?
Dat moeten we blijven vragen. Want helaas garandeert het een het ander nog niet. Het is mogelijk met gloed en verve te vechten regen kerkelijke organisaties en reglementen en tradities die de Schrift overwoekeren, terwijl men toch Gods Woord in eigen persoonlijke leven niet laat heersen. Dat kan, Je kunt op de bres staan voor de christelijke vrijheid en intussen die vrijheid misbruiken als een springplank voor eigen zondige begeerten. Dam gaat het je niet om de vrijheid van Christus, maar om losbandigheid. Dan wil je Christus niet laten heersen, maar zelf de baas zijn. De centrale vraag blijft: Heeft Christus het meer voor het zeggen gekregen in ons leven of hebben we op dat punt helemaal geen vooruitgang geboekt? Als dat laatste het geval is, zegt God: Al dat gedoe, al dat ijveren voor christelijke vrijheid interesseert me geen zier.