Waar gebeurd
1976-12-24
In de vijftiger jaren van de eerste eeuw had de evangelist Lukas een onderhoud met Maria, de moeder des Heren. Maria was toen ongeveer tachtig jaar oud en zij herinnerde zich de geboorte van Jezus Christus als de dag van gisteren ...- Jaargang 20
- nummer 50
Ja, mijn eerste kerstfeest, hèt eerste kerstfeest, nu al meer dan zestig jaar geleden... Weet je, Lukas, het gebeurde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven.
En ze gingen allemaal op reis om zich te laten inschrijven, ieder naar z'n eigen stad. Ook Jozef trok op van Galiea, uit de stad Nazareth, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet - want, weet je: hij was uit het huis en het geslacht van David - om zich te laten inschrijven. Ik was met Jozef verloofd, we waren in ondertrouw en ik verwachtte het kindje waar de engel Gabriël over gesproken had. En het gebeurde, toen we in Bethlehem waren, dat de dagen vervuld werden dat ik baren zou, en ik baarde mijn eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat er voor ons geen plaats was in de herberg ...
Ik zie het nog voor me. Het kind lag in de kribbe. Jozef had alles opgeruimd. Ik was moe, maar zielsgelukkig. Toen - toen kraakte de staldeur open en kwam een stel ruige buitenlui binnen zetten. Ze kwamen hier uit de buurt, dezelfde landstreek. Ze hadden zich opgehouden in het veld en 's nachts de wacht gehouden over hun kudde. Opeens stond er een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. Maar de engel zei tot hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David. En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende: Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens. En het gebeurde toen de engelen van hen heengevaren waren naar de hemel. dat de herders tot elkaar spraken: Laten we dan naar Bethlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is bekend gemaakt ...
Stel je voor, Lukas! terwijl wij binnen met het kind bezig waren, was daar buiten de hele hemel in de weer! Om een stelletje herders naar mij toe te sturen en naar Jozef en naar het kind - herders uit het veld van Bethlehem. Begrijp je, Lukas, dat ik wel aan vader David móest denken? Vader David, herder in ditzelfde veld van Bethlehem, in deze zelfde landstreek? Het was net, of de grootvader het kleinkind kwam begroeten! Maar dat is zo maar een gedachte van mij - een feit is, dat ze het op een lopen hadden gezet en naar de stal waren gekomen. Ik heb dat altijd zó mooi gevonden van die kerels! Dat ze zo'n haast maakten om bij ons te komen. Ik heb dat altijd zo mooi gevonden van de Here God! Dat Hij ze zo aan het rennen kreeg. En weet je, Lukas, zo helemaal zonder dwang - geen gebod, geen gedrijf. De engel had helemaal niet gezegd, dat ze naar Bethlehem moesten gaan. Hij had hun alleen het blijde nieuws verteld, alleen een hint, een teken, gegeven. Maar gebóden om naar ons toe te gaan, had de engel niet. Ze kwamen vanzelf. Toen ze dit grote nieuws hadden gehoord, dreef de liefde hen vanzelf! Weet je, Lukas, er zijn vandaag wel mensen, christenmensen ook, die de zweep er over willen leggen: zus moet en zo moet. Maar neem van mij aan, ik ben een oude vrouw en ik heb het zelf meegemaakt: als de mensen het blijde, bevrijdende nieuws van Jezus horen en ze gelóven het: dan hoef je ze niet meer op te porren - dan lopen ze zich het vuur uit de sloffen. Waar Jezus te zien is, past haast. Daar is werk aan de kerk. Echt geloven betekent altijd: handen en voeten gebruiken. In het verblindende licht van Gods genade wordt de meest slaperige herder wakker - brandend zijn hart in hem. Zó doet God dat, Lukas! Ik heb dat altijd zo mooi gevonden van God. Ik heb zo'n diep respect voor de Here gekregen, zo'n fiducie in zijn woord ...
Maar weet je wat 't meest indruk op me heeft gemaakt? Dat licht, die engel. die hemelse legermacht, dat "Ere zij God", de herders die hals over kop naar ons toe kwamen - geweldig was het allemaal. Maar 't meest heeft indruk op mij gemaakt, dat de herders toen ze de kleine Jezus hadden gezien, bekend maakten wat tot hen gesproken was over dit kind. Nu moet je me goed begrijpen, Lukas, dit zijn twee wonderen. Ja, als je ouder wordt, heb je overal goed over nagedacht, dan kun je precies zeggen wat je bedoelt. Het zijn twee wonderen: één wonder buiten op het veld en één wonder binnen in de stal. Een!
wonder buiten op het veld: dat de engel tot hen zei: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David.
En een wonder binnen in de stal: dat de herders tot Jozef en mij zeiden: En dit kind is het nu! Dit is nu de Heiland, die geboren is, Christus, de Here, in de stad van David. Dat ze dat zeiden van dit kind: in een stal, in een kribbe, in doeken gewikkeld!
Want je weet hoe wij, vrouwen, zijn. Niets is veranderlijker dan een vrouw, nietwaar? Het ene ogenblik zijn wij hemelhoog juichend, het andere ogenblik ten dode bedroefd. De engel Gabriël was bij mij geweest en ik had de heerlijkste, de wonderlijkste boodschap gekregen die ooit een vrouw gekregen heeft. En ik had gezegd: Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord. En ik had gemerkt dat ik in verwachting was, later voelde ik het leven in mijn schoot.
en ik, ik alleen wist toch welk een groot wonder dit leven was - zonder de wil van een man, onbegrijpelijk, ongelofelijk: kind van God.
En ik had van die fijne maanden gehad bij Elisabeth en ik had gezongen, gedicht als ik nog nooit heb gedaan. Maar dan - dan moet je op reis en dan vind je geen onderdak en dan komt het kind, in de stal. in doeken, in een kribbe - en dan zie je dat kleine wicht daar liggen, rood-rimpelig van de geboorte, onder de meest primitieve omstandigheden ter wereld gekomen - en dan is de satan vlakbij, die machtige boze geest en je wilt maar al te graag luisteren - je eigen boze hart! - en dan denk je: Is dat het nu? Is dat het nu heus? Is dat nu alles? Is dat, is dat mijn Koning? Dat aller vaderen wens? Is dat de wens van vader David? Dan ga je vragen, dan ga je twijfelen, Lukas! en van het een komt het ander. Je weet, hoe wij, vrouwen zijn... Maar dan ondervind je ook, hoe God is! Want dan zwaait de staldeur open, kijken die ruige kerels rond, zien ze het kind in de kribbe - en zij moeten toch dezelfde vragen hebben gehad als ik: Is dat, is dat onze Koning? Dat aller vaderen wens? Is dat de wens van vader David? - Maar dan zeggen, belijden ze van dit kind: Dàt is Het nu!
Dat is nu de Heiland die geboren is, Christus, de Here, in de stad van David! - O, mijn goede, vergevende, begrijpende God! Dank U voor deze herders - hun namen? ach, wat doet het er toe hoe ze heetten en hoeveel het er waren, hoe oud ze waren en hoe ze eruit zagen - ik dank U voor deze herders, dat ze kwámen (haastig), dat ze zágen (dit kind) en dat zij bekend maakten hetgeen tot hen gesproken was over dit kind! Over dit kind! Gesproken over dit kind!
De Heiland Christus, de Heer! Ik dank U, dank U, Vader in de hemel. voor deze begrijpende liefde van U. Dank U voor deze herders, dank U,o dank U voor dit kind! o nee, ze bleven niet lang, die herders. Ze zagen wel dat ik doodmoe was - wat wil je ook amper een uur na de bevalling - maar ik zie ze nog gaan, weggaan, door de open staldeur, de donkere nacht in, geen engel meer te bekennen, gewoon weer op de schapen passen, zo helemaal niets bijzonders, het gewone werk, de alledaagse tredmolen - maar ànders dat ze waren! Het waren andere mensen geworden, met een ander hart, andere moed, andere wil. andere zin, andere lust, andere liefde! God lovende en prijzende om alles wat ze hadden gehoord en gezien gelijk het hun gezegd was. Weet je, Lukas, ze hadden het me wel verteld: over die hemelse legermacht en zo, over de engelen die zeiden "Ere zij God in hoge en vrede op aarde bij mensen des welbehagens" - maar ik had het zelf natuurlijk niet gezien, niet gehoord. En nu? Nu zag en hoorde ik het ook. "Ere zij God, ere zij God", ik zag en hoorde het van de hèrders! God heeft helemaal gelijk, het is precies zo als Hij. heeft gezegd, ere zij God! Langzaam stierf hun zingen weg, de stilte sloot zich om de stal...
Reken maar dat ik dàt vaak nageneuried heb, zachtjes, als ik aan het werk was, en er was altijd zoveel werk in ons gezin - in een groot gezin is altijd veel werk, Lukas - reken maar dat ik dàt vaak nageneuried heb: "Ere zij God in de hoge, ere zij God in de hoge...".
De woorden van de engel Gabriël: Wees gegroet, gij begenadigde, de Heer is met u! Weest niet bevreesd, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. En de woorden van Elisabeth: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot mij komt? En de woorden van de herders ... Ik zal die woorden wat gerepeteerd hebben - verteld aan Jozef, aan Jezus - mijn lieve jongen, mijn machtige Heiland, aan de andere jongens die God me heeft gegeven, aan de broeders en zusters in Jeruzalem, en nu ook aan jou, beste Lukas ...
Ik weet dat jij schrijven kunt, je hebt een goede pen, Lukas, en de Geest van Jezus zal je helpen om alles te onthouden en op te schrijven, want dit moet verteld worden, altijd weer verder, ook als ik er niet meer ben. Zul je het opschrijven, beloof je me dat, Lukas? Want dit zijn de woorden des levens! En deze woorden hebben mij helemaal vervuld, mijn hart, mijn ziel. mijn verstand, mijn kracht. Schrijf dat ook maar op, Lukas, dat moeten de mensen later ook weten. Dat Maria helemaal vol is geweest van de woorden en de werken van Jezus, haar zoon. Dat ze daar over heeft nagedacht, zoals Mozes zegt, als zij in haar huis zat, als zij onderweg was, als zij nederlag en als zij opstond. Het was een teken op haar hand en een voorhoofdsband tussen haar ogen, het stond geschreven op haar deurpost, haar huis, hàar poort en vooral stond het geschreven in de tafel van haar hart: Ere zij God! Want ze moeten het goed weten, Lukas, de mensen die jouw boek zullen lezen: het ging niet om mij, om Maria, de moeder des Heren; het gaat om Jezus, om Jezus alleen.
Ik weet niet of je daar wel eens over nagedacht hebt, Lukas - maar de Zoon van God is een tijdlang, negen maanden lang, niet in de hemel gevonden en niet op de aarde gevonden - Hij was verborgen in mijn schoot. Het is een wonder in m'n eigen ogen, ik begrijp zelf nauwelijks wat ik zeg. Maar Gods Zoon vervulde mij - mijn lichaam en mijn ziel. Je moet goed begrijpen, Lukas, en alle mensen moeten goed begrijpen, dat zelfs aan deze innige inwoning een eind kwam.
En wat is nu inniger dan de verhouding van moeder en kind voor de geboorte? Zelfs aan deze innige verhouding kwam een eind. Want het werd Kerstfeest, weet je. En Kerstfeest, Christusfeest - dat betekent voor alle mensen: nu krijgen ze Jezus, Heiland, Zoon van God, Christus de Redder. Maar Kerstfeest betekent voor mij, zijn moeder: nu raak ik Gods Zoon kwijt. Lichamelijk tenminste. Geestelijk niet, o nee, geestelijk sta ik naast jullie allemaal. Maar nu moeten jullie dit vooral weten: toen Jezus uit mijn schoot weg was, toen woonde het woord van God in mijn hart. Zelfs ik moet het hebben van dat woord' van God dat in mijn hart woont. En het hééft daar gewoond, reken maar! Schrijf maar op: "En Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart".
Dat is het eigenlijke werk dat Hij in mij heeft gedaan. Negen maanden duren lang en negen maanden zijn gauw voorbij. Maar zestig jaar is een hele tijd, Lukas, een hele tijd. Een mensenleven lang. En al die tijd heeft Jezus' woord in mij gewoond. En dat woord bleef.
Zestig jaar lang. Een mensenleven lang. Ik voel mij zeer verwant aan die herders. Hoe ouder ik word, des te dichter sta ik bij ze. Aan die herders voel ik me toch zó verwant, daar heb je geen idee van! Want ik ging ook de staldeur uit, de nacht van mijn leven in - en geloof maar, dat het daar dikwijls nacht is geweest! Er zullen wat zwaarden door mijn ziel gegaan zijn! Wat dacht je? als je zo dicht bij Jezus leeft, gaan er wat zwaarden door je ziel! Ik ging naar mijn huisje in Nazareth. naar het gewone alledaagse werk, zo helemaal niets bijzonders, maar ik ging met een nieuw hart, een nieuwe moed, ik ging als een nieuw mens. En dat had de Geest van God, de Geest van Jezus gedaan! Mijn zoon, mijn Heiland, mijn lieve zoon, mijn machtige Heiland!