Zo, was het (2)
1976-12-24
Het spreekt vanzelf dat teleurstellingen voorkwamen. De één had een vrouw getrouwd en een ander was bang voor de klandizie, een derde wilde zich helemaal niet op dé hoogte stellen. Een heel sterk voorbeeld maakte ik mee. Ik catechiseerde ergens en toen vroeg een ouderling mij of ik eens mee wilde gaan op bezoek bij een broeder, die zeer met ons sympathiseerde; maar niet tot de daad van vrijmaking wilde komen. Ik zal dat gesprek wel nooit vergeten. Ik viel direct met de deur in huis: We wilden met hem over vrijmaking spreken. Z'n antwoord was: dat is helemaal niet nodig, want ik weet er alles van. Ik zei: dat is gémakkelijk, zegt u dan maar hoe u erover denkt. Wel, zei hij, die theorie van het "houden voor wedergeboren", de leer van dr Kuyper, vind ik verderfelijk en ik heb er nooit wat van geloofd.- Jaargang 20
- nummer 50
We mogen zeggen, dat onze kinderen verbondskinderen zijn. Dat is geen "houden voor", doch dat is zeker. Maar verbondskinderen kunnen ook verloren gaan, als ze het verbond breken. En wat de schorsingen en afzettingen betreft, daar deugt niets van. Aan de synode is veel te veel macht toegekend en de professoren hebben daar alles te zeggen. Dat is hiërarchie, die ik verfoei.
Wel, zei ik toen, dan is het dus wel duidelijk wat u moet doen. Hij weer: Ik weet heel goed wat ik moet doen, maar ik doe het niet!
Van mijn kinderen, die hier wonen kan ik niemand overtuigen. Ik zou alleen moeten gaan. En dat doe ik niet. Ik wil geen onenigheid met m'n kinderen!
Wij wezen hem er op, dat het gevaarlijk is tegen het geweten in te gaan. Dat hij geleek op de zoon uit de gelijkenis, die zei: Ik ga Here, maar het niet deed. Hij wist wel wat de Here wilde en dat hij dus de Here weerstond.
Het hielp alles niets en hij bleef in de kerk, ofschoon hij alles veroordeelde wat die kerk deed! Hij liet zich leiden door z'n kinderen, in plaats van aan die kinderen het goede voorbeeld te geven! Z'n 'hart had ge~ kozen en dan helpen redenaties niet. , Ondanks teleurstellingen beleefden we toen een mooie tijd. Waaraan ik met een beetje heimwee kan terugdenken. We 'voelden ons bevrijd van een knellend juk. Niet, dat we in een hoerastemming leefden. W e beweerden ook niet, dat de Vrijmaking gelijk stond met de grote Reformatie van Calvijn en Luther. We zeiden ook niet, dat er "reformatie van elk terrein des levens" moest komen.
Maar we gingen onze weg wel met blijdschap. Overtuigd, dat we in de weg des HEREN gingen. We waren maar een kleine groep van 150, later 200 zielen. Maar dat heeft ook z'n voordelen boven een grote gemeente van een 1400 zielen. Er was een sterke band, iets van de gemeenschap der heiligen, die in een massale kerk .vaak gemist wordt. Er was een met elkaar meeleven, die in een grote kerk vaak ontbreekt. Daar kent men elkaar vaak niet eens.
Het is wonderlijk, wat een kleine groep van niet vele edelen en rijken tot stand kan brengen. Als er maar bereidwilligheid is om samen te werken.
Financieel ging het best. Boven verwachting van velen. Het lokaal kostte ons - eerst niets - maar f 5,- per week. Maar de banken moesten vervangen worden door stoelen. Die werden gekocht - een 150 stuks denk ik - en contant betaald. Er moest een orgeltje komen en het kwam er. Een preekstoel werd, door eigen leden in elkaar getimmerd. Een grote kachel gekocht. Dat ik met vreugde preekte heb ik reeds vermeld.
Maar de zaterdagmiddagen zal ik ook nooit vergeten. Dan moest het gymnastieklokaal veranderd worden in een kerklokaal. Daar waren in de eerste plaats vrouwenhanden voor nodig. Nu, die waren er meer dan genoeg. Ik moest wel eens denken aan wat Paulus schreef van een paar vrouwen in Filippi, die meestreden voor het Evangelie.
Ze heetten Euodia en Syntyche. Zo waren er ook in V. Emmers en dweilen kwamen er aan te pas. Want het lokaal moest "met bezemen gekeerd worden". Onvoorstelbaar is de hoeveelheid stof, die honderden kinderen in een gymnastieklokaal bijeen brengen. Het was elke zaterdag grote schoonmaak om zo te zeggen. Mannenkracht was ook nodig: de toestellen moesten in een hoek achter een gordijn geschoven worden. De preekstoel moest in mekaar gezet worden. De stoelen moesten van de galerij naar beneden gebracht worden. Er was niet bij allen, maar wel bij velen grote trouw. Ik herinner mij een geval: Een broeder, die z'n beurt had, vergat in de drukte van zijn bedrijf. dat het zaterdag was. Hij ging op weg naar Kootwijkerbroek voor zaken. Maar halverwege kwam hem in de zin, dat hij helpen moest, voor de kerk. Hij bedacht zich niet, maar maakte direct rechtsomkeert en kwam nog net op tijd om te helpen. Daarna ging hij zijn zaken afdoen.
Ik ging ook vaak kijken en soms wat helpen. Gezellig was het. Als het werk afgelopen was zaten we in een kring en dan was er vaak iemand, die wat had meegebracht. In de pruimentijd waren er pruimen. In de kersentijd kersen. Zo werd het nuttige met het aangename verenigd. Ons getal was klein, maar de gemeenschap sterk. Ik wil in het algemeen wel opmerken, dat kleine kerkgemeenschappen grote voordelen hebben boven massale kerken. Vóór de vrijmaking waren er in de kerk van V. ongeveer 1400 zielen. We hadden een prachtig kerkgebouw, dat in 1927 gebouwd was en toen ongeveer een ton gekost had. f 100.000,- en dat in die tijd. Het zou nu wel een miljoen kosten denk ik. Over het algemeen waren de V.'s trots op die grote kerk. Soms kwamen er bezoekers om de kerk te zien. Als ik er dan bij was, zeiden ze: Wat een prachtige kerk! Dan zei ik: Het is maar een prachtig kerkgebouw. Maar de eigenlijke kerk, het lichaam van Christus, is de gemeente, het volk Gods, geroepen uit de duisternis tot het wonderbaar licht van Gods genade. Was de gemeente maar zo "mooi" en prachtig als dit kerkgebouw! Daarmee wil ik niet zeggen, dat de gemeente van Voorthuizen minder was dan welke andere kerk ook. Maar zulk een massale gemeente loopt toch groot gevaar een volkskerk te worden. Met een vrij grote rand van leden, die "het wel geloven". Ze gaan een keer naar de kerk, laten hun kinderen dopen.
Doen soms ook wel belijdenis des geloofs. Maar vieren geen avondmaal en leven vrijwel niet mee. De massa is niet te overzien en niet zo te bewerken als een kleine gemeente. Een volkskerk lijkt wel mooi. U hebt mogelijk wel eens gehoord van dr Hoedemaker. die de leuze aanhief: "Heel het volk en heel de kerk". Maar we kunnen aan de katholieke kerk en de hervormde kerk zien, wat daarvan wordt. Men krijgt een vrij groot getal leden, die wel op een kaart staan of in een doopboek. Maar die helemaal niet meer meeleven.
Ik heb iets merkwaardigs daarvan beleefd in Amsterdam. Daar was de Geref. kerk in de jaren 20-30 ook een volkskerk geworden. Dat ondervond ik, toen Ik eens op stap ging voor een of ander doel bij alle gereformeerden in een bepaalde wijk. De ontvangst was soms zeer vreemd. Ik herinner mij, dat in één geval mij van boven werd toegeroepen: "als u boven komt gooi ik u van de trappen neer! Ik wil van de Kerk niets meer weten en kom nooit meer in een kerkgebouw. Dat was een buitengewoon geval, maar het was heel gewoon, dat ik te horen kreeg, dat men niet meer geloofde en van de kerk niet meer wilde weten. Van de gemeenschap der heiligen komt in een massale kerk weinig of niets terecht. Een dominee zag men in de stadskerken vrijwel nooit. Een leuk verhaal hoorde ik eens van een kennis, die op stap ging voor een cadeau, dat aan een dominee zou worden aangeboden toen hij 25 jaar in die gemeente "stond". (Een dominee stáát ergens.) Ze kwam toen in een gezin, waarvan de man en vader zei: "Een cadeau voor de dominee? Laat me niet lachen. Als ik straks dood kom te leggen, dán komt hij hier in huis. Maar hij kan mij niet eens, want in die 25 jaar is hij hier nooit geweest." Voor een cadeau kreeg de bezoekster geen cent.
Wat mij betreft, ik vond het altijd veel eenvoudiger en gemakkelijker voor een 100 of 200 mensen te preken dan voor een schare van 1000. In een grote kerk wordt preken vaak een schreeuwen. Een kleine groep kan men toespreken en aanspreken. Men kan de mensen in de ogen zien om zo te zeggen.
Vermoedelijk is een grote massa niet bevorderlijk voor de ingang van het Evangelie.
Ik weet wel, dat anderen er anders over denken. Maar ik spreek alleen van mijn mening.
Er was eens een dominee gelogeerd in de vakantietijd in V. Hij zei tegen mij: Ik moet zondag naar Oss om te preken, maar ik zie daar toch zo' tegen op. Want daar moet ik preken in een huis, waar misschien een 40 of 50 vakantiegangers verzameld zijn.
Hij preekte veel liever in V. voor een 1000 hoorders. Ik zei, dat ik graag met hem wilde ruilen, maar dat ging vanzelf niet. Want m'n collega was een dominee uit een grote stad.
met een klinkende naam als preker, en ik was maar een onbekende dorpsdominee. Ik had het anders graag gewild. In de zomer hielden we in Garderen een dienst. Daar hadden we om zo te zeggen een filiaal van de geref. kerk. Voor de pensiongasten hielden we dan een dienst. Eerst in een villa, later in een pakhuis van een joodse antiquair. Eerst moesten de antiquiteiten naar de achterwand geschoven worden, een paar weefstoelen, een paar oude muziekinstrumenten en zo. En dan kon ik in een hoek achter een lessenaartje de gemeente van 25 à 30 zielen toe- en aanspreken. Ik heb daar met meer vrijmoedigheid gepreekt dan in de grote "kathedraal" van V. Je overziet allen, je ziet of zè luisteren, het is alsof je in een leerhuis bent. Dat spreekt aan. Ik las eens van een beroemde professor, die in Berlijn universiteitsprediker was. Die mocht preken in een van de grote kathedralen.
Zo stonden er meen ik een vijftal in Berlijn. Grote bakbeesten - wel prachtig gebouwd en fraai versierd. Maar de professor preekte er liever niet. Hij koos een kerkje, hier of daar, waar hij de gemeente kon zien en tasten om zo te zeggen. En hij schreef: Onze voorvaderen hadden het Evangelie een dienst gedaan, indien ze in plaats van 5 grote kathedralen tientallen kerkzalen over de stad hadden verspreid.
Met bij elke kerkzaal een pastor, die "in het midden van zijn volk" zou moeten wonen.
Dat zou de kerk en het Evangelie ten goede zijn gekomen. Hij had m.i. gelijk. Maar de hang naar een grote gemeente en grote kerk is machtig.