Discussie over homofilie (3)

1976-10-22
  • Jaargang 20
  • nummer 41
Dit laatste artikel uit mijn antwoord-serie aan ds Van der Kwast wil ik gebruiken om nog eens duidelijk in het licht te stellen vanuit welke hoek komend ik het verschijnsel van de homofilie benader.
Want terecht signaleert mijn collega dat mijn uitgangspunt anders is dan van onderscheiden mede-ondertekenaars, daar ik immers homofilie een afwijking, een deviant noem, en geen variant.
Het is mij gebleken, hoe gevoelig dit punt ligt en hoe boos de mensen om dat woord 'afwijking' kunnen worden. Daarin steekt wel een begrijpelijk protest, begrijpelijk vooral als dat komt van de zijde van betrokkenen. In onze geëgaliseerde maatschappij, waarin, zoals ons van alle kanten toegetoeterd wordt, alle mensen gelijk zijn, wordt men niet graag apart gesteld en aan bijzonderheden herinnerd. Men voelt zich dan van een etiket voorzien. Voor het verzet hiertegen kan ik begrip hebben, als ik er op let hoe vaak dit apart stellen leidt tot liefdeloze beschouwing op afstand, zoals we in het evangelie al tegenkomen: "Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?" (Joh. 9 : 2). Inderdaad zetten wij mensen met een afwijking graag in een kijk-doos. Het beklag dat dan volgt is onvruchtbaar en vals. Nog eens, als men om die reden de voorkeur geeft aan het woord variant boven deviant, kan ik daar begrip voor hebben.
Maar er is hierbij toch iets meer aan de hand. In het protest tegen het woord 'afwijking' proef ik ook een humanisme. Men wil tegenover de Here God niet erkennen, dat ons mensenleven beschadigd en geschonden is; dat onze val in zonde ernstige gevolgen met zich meebrèngt. Niet alleen voor die en gene, maar voor ons allen. Bij deze blijkt dat op dit gebied, bij gene weer op 'n ander. Het gaat er mij daarom bij het woord 'afwijking' niet om, de hovaardigen een stok in de hand te geven om de hond te slaan, maar juist integendeel.
dat wij een mensheid zijn, die om der zonde wil zucht onder Gods toorn en de gevolgen daarvan. En de homofilie is wel een zeer ernstig gevolg. En dat om twee redenen: ten eerste ligt deze beschadiging zo dicht bij het centrum van ons mens-zijn, het als mannelijk en vrouwelijk geschapen zijn naar Gods beeld, en ten tweede omdat als allen homofiel waren ons menselijk geslacht zou uitsterven. Daarom moeten we hier van een ernstige beschadiging spreken.
Jawel. maar Jezus Christus is toch onze Verlosser? Waarom dan die nadruk op dat door de zonde geschonden mensenleven? Is die beschadiging in Hem niet opgeheven in principe en dus op te heften in de praktijk? Het zijn vooral, maar toch niet alleen onze charismatische medechristenen, die dit in het midden brengen. Ik wil hierop antwoorden met een aanhaling uit de Dordtse Leerregels (V, I): "Die God naar Zijn voornemen tot de gemeenschap van zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, roept, en door de Heilige Geest wederbaart. .die verlost Hij wel van de heerschappij en slavernij der zonde, doch Hij verlost hen in dit leven niet ganselijk van het vlees en het lichaam der zonde".
Christus is onze Verlosser, maar er staat van de verlossing nog zoveel uit, dat pas hierna komt. De gevolgen van Adam's val woeden nog zo schrikwekkend voort in onze menselijke existentie.
Dat geeft ons reden tot collectieve -verootmoediging en spant ons verlangen naar de grote dag van Christus.
Het is ook bepaald niet zo, dat naarmate een beschaving, laten we zeggen een christelijke beschaving, oud wordt, men er beter in slaagt, die gevolgen van ons aller zondeval uit te bannen of althans te bedwingen, Het tegendeel is het geval. De vooruitgangsgedachte liegt. Steeds duidelijker treden in onze oud geworden cultuur de beschadigingen waaraan wij lijden, aan het licht.

Nu leefde en werkte onze Here ook in zo'n oud geworden cultuur, te weten de Israëlitische. En Hij heeft dit gezien. Hij trad niet tijdloos op, maar gaf integendeel antwoorden, die zeer indringend op de problemen van juist dat tijdsgewricht ingingen. Hij sprak tegen de achtergrond van een ondergaande beschaving en dat gaf aan zijn woorden een crisis-karakter en een eindtijdelijke gelding. Wat juist zo kenmerkend aan de joodse theologie van Zijn dagen ontbrak.
Die werkte met een oppervlakkige zondeleer. welke de ernst van Adam's val niet doorzag. Ieder mens was toegerust met een goede en een boze trek en zondigen betekende dat de boze trek de overhand had over de goede. Dat gaf aan de zonde in het joodse denken iets incidenteels. Iedere zonde werd als het ware op zich zelf beschouwd. En dan vervolgens ook iedere zondaar! Zo ging men er gemakkelijk toe over, de zondaar met zijn zonde te isoleren.
En dat op zijn beurt leverde weer een eenzijdig-juridische en moralistische benadering van het leven op. Dat iemand tollenaar was, b.v. kon hem helemaal als 'n persoonlijke beslissing worden aangerekend en voor alle gedragingen die uit dat tollenaarschap voortvloeiden, droeg zo iemand de volle persoonlijke verantwoording.
Niemand immers had hem gezegd, dat hij tollenaar moest worden, en ook stond het hem ieder moment vrij, dat besmette gilde te verlaten.
Nu hanteerde Jezus zeer zeker ook de juridische benadering van het leven. Hij kende het woord 'zonde' en gebruikte het. Maar wat bij Hem opvalt is dat Hij daarnaast met een andere benadering werkte, de medische. Ik denk hier aan zijn bekende woord, juist tegenover de joodse theologie gesproken: Niet de gezonden, maar de zieken hebben een dokter nodig (Marcus 2: 17). De Here overwoog namelijk, dat zo'n beroep als dat van tollenaar in Israël niet zomaar uit de lucht was komen vallen. Dat daarin een maatschappelijke beschadiging aan de dag trad, waaraan allen schuld droegen. Dat 't daarom niet aanging, enkelen met deze besmetting apart te stellen. Dat voorts de kinderen van de tollenaars echt niet zo vrij waren in de keuze van hun beroep, maar zelfs als ze moeite deden eruit te komen, door de samenleving terug gestoten werden in het milieu waarin ze opgegroeid waren. Zodat in het tollenaarschap meer lot school dan daad, al kon iemand zich dan in dat beroep ook weer persoonlijk als een echte misdadiger of als een fatsoenlijk mens gedragen. En zo lag het ook met de andere zondaars.
Deze dingen zo zijnde, constateren wij bij Jezus een geringe behoef te om te oordelen en te veroordelen.
Zeker, het komt bij Hem voor: Ga heen en zondig niet meer (Joh. 8: 11), maar meestal word je in een merkwaardige onzekerheid achtergelaten, als je de vraag stelt of de hoeren en tollenaars met wie Jezus verkeerde, zich nu ook bekeerd hebben of niet. Het schijnt dat Jezus daar minder interesse voor had dan wij. Het lijkt alsof Hij volstond, van Zijn goddelijke Zender uit de hand van solidariteit en liefde uit te steken, om hen te laten weten, dat Hij --- hoezeer persoonlijk onschuldig --- zich medeverantwoordelijk voelde voor het feit dat zij er waren. Ook als wij Hem horen zeggen: "Ik ben geen rechtvaardigen komen roepen, maar zondaars", (Matth. 9: 13) moeten we niet te snel zeggen, dat we hier nu toch het bewijs hebben, dat Jezus oordeelde en veroordeelde ('zondaar'), want weliswaar wordt dit gesteund door Luc. 5: 32, waar Jezus toevoegt, dat Hij zondaars tot bekering is komen roepen, maar waarom voegt Jezus er dit, volgens Mattheüs en Marcus, niet aan toe?
Wat is dat voor een opmerkelijke aarzeling in de evangelische overlevering?
Zoals we 't bij de eerste twee evangelisten lezen, is er reden te vertalen: "Ik ben geen 'rechtvaardigen', maar 'zondaars' komen roepen", waarbij dus de woorden 'rechtvaardigen' en 'zondaars', tussen hoge komma's geplaatst, aanduidingen zijn, die niet van Jezus zelf afkomstig waren, maar waarmee Hij zich aansloot bij een bestaand spraakgebruik in een verjuridiseerde en vermoraliseerde samenleving.

Jezus sprak en werkte in een eindtijd.
Daarin leek Hij op de profeten van Israël in het tijdperk vóór de ballingschap. En daarin onderscheidde Hij zich van Mozes, Nehemia en Paulus, die structuur-bouwers waren en aan een begin stonden. Dat verklaart waarom je bij Mozes voorschriften vindt, die de homofilie verbieden, niet maar het homofiele wangedrag, maar ook dat homofiele gedrag waarvoor wij nu een geldige verontschuldiging zoeken (Lev. 19: 22 20: 13). Jezus echter spreekt over het onderwerp niet. Mogelijk vallen bij Hem de homofielen onder de categorie van de maatschappelijk gediscrimineerde 'zondaars'. Bij Mozes treffen wij een sterk theocratisch ideaal aan van heiliging op alle terreinen des levens, terwijl je bij de profeten en bij Jezus vooral een concentratie op het wezenlijke waarneemt, een zekere reductie die tegelijk een verdieping inhoudt. Ook al zegt Jezus dat er van de wet geen tittel of jota vergaan zal, eer alles zal zijn geschied, (Matth. 5: 18). valt toch op dat in het wetsonderricht dat dan volgt, de detaillering eigenlijk ontbreekt. Het is meer verdieping' dan uitwerking van het gebod. Nog veel sterker is dat het geval waar Jezus spreekt over het thema rein-onrein, (Marcus 7 : 1-23).

Ik heb al gezegd dat wij ons tijdsgewricht het meest terugherkennen in dat van Jezus. Zijn en onze dagen zijn sterk eindtijdelijk.
Betekent dat nu, dat wij aan Mozes' voorschriften geen boodschap zouden hebben? Dat niet! Ik denk, dat we in de opvoeding er goed aan doen, de aangehaalde bepalingen uit Leviticus als richtsnoer van handelen te nemen. Dat we dus in de gezinnen een sfeer trachten te kweken, waarin de tweepoligheid van het mannelijkvrouwelijk als een boeiend en inspirerend gegeven voor het opgroeiende kind van de prilste jeugd af iets begerenswaardigs is.
De homofilie, die er van den beginne niet geweest is, mag en moet men in de opvoeding trachten te vermijden. Maar als dat dan hier en daar toch niet lukt ... En dat komt toch voor, want aan de algemene beschadiging participeren wij, allen, ook als christen volk.
Waar dat nu zo is zou daar van ons dan niet de navolging van Christus gevraagd worden, die meer medisch-barmhartig dan juridisch-streng op deze verschijnselen reageerde? Het is mij verre, deze twee geheel tegen elkaar uit . te spelen. Daarom kies ik hier niet voor het óf … óf-, maar voor het én... én-model, én medischbarmhartig én juridisch-streng, al naar gelang wie je vóór je hebt ..
Want aan wie veel gegeven is, mag ook veel worden gevraagd.
Dat is ook in het ethische het geval.
Zo kan het dus gebeuren, dat een dominee (ik bedoel mezelf) een streng stuk schrijft als uitwerking op het kerkeraadsbesluit van Amsterdam-Centrum over het voor-echtelijk samenleven, met de strekking: waar is dat voor nodig?
Ben je niet bereid de publieke zede te helpen hoog houden? --- en dat diezelfde predikant het opneemt voor het samenleven van homofiele vrienden in een duurzame relatie. In het eerste geval roept hij zondaars tot bekering, in het andere geval roept hij 'zondaars' (= maatschappelijk als zodanig aangeduiden) tot de gemeenschap met Jezus Christus.
Hier heb je eigenlijk hetzelfde verschil als tussen Mattheüs en Marcus enerzijds en Lucas anderzijds, dat ik hierboven aanduidde, --- een verschil dat uit de situatie verklaard moet worden: wie heb je voor je? Aan wie veel gegeven is, mag ook veel worden gevraagd.

Laat ik nog even op de vergelijking met de tollenaars en zondaars uit het evangelie terugkomen.
Van de tollenaars zei ik, dat ze niet zomaar uit de lucht waren komen vallen. Dat geldt voor de homofielen ook. Ze zijn er altijd geweest, dat weten we allemaal.
Maar wat is de oorzaak, dat we nu meer dan voorheen met het verschijnsel geconfronteerd worden?
Die moet wel hierin gezocht worden, dat op de sexualiteit vandaag een veel sterker publiek accent valt dan vroeger. Geen sprake van dat ik zomaar zou gaan zeggen, dat de mensen vroeger ingetogener waren dan nu. Ik weet dat gewoon niet. Wat ik wel weet, is dat 't sexuele leven meer openlijk geworden is. Denk bijvoorbeeld eens aan de reclame. Te pas, maar veel meer te onpas wordt daar de sexualiteit bijgehaald en een appèl gedaan op onze lust. Hebt u zich wel eens ingedacht, wat dat betekent voor mensen, die sexueel anders geaard zijn dan wij? Die moeten zich vreemden, uitgeslotenen voelen.
Want voortdurend wordt in de samenleving de suggestie gewekt, dat mannelijk of vrouwelijk zijn toch belangrijker is dan mens zijn, --- wat in flagrante strijd is met de prediking van Gen. 1 : 27, waar we vernemen dat het mens-zijn voorop staat en het mannelijk of vrouwelijk een bijkomend gegeven is. Welnu ik heb een vermoeden, dat wij, dat onze cultuur, met haar overaccent op het mannelijk-vrouwelijk (en dat naar twee kanten: copulerend en rivalerend) homofielen kweekt. En in ieder geval deze groep tot een verdrukte minderheid gemaakt heeft, die om haar maatschappelijke rechten is beginnen te schreeuwen.
Wanneer we nu deze groep de onthouding opleggen, dan is dat, onbedoeld, huichelachtig. We laten hen dan opdraaien voor ons aller fout. Wat er zou moeten gebeuren is dat er een algemene sexuele matiging over ons komt.
Dat er juist onder de christenen weer gesnedenen gevonden worden, die zichzelf gesneden hebben ter wille van het Koninkrijk der hemelen. En als die er weer zijn, dan zullen we merken dat juist zij geen neiging tot veroordeling bezitten. Zoals Jezus die niet had. Hij was in zuiverheid solidair en zo een grote bemoediging voor degenen die de samenleving als 'zondaars' uitstiet.
Ik denk dat wij Jezus' medischbarmhartige benadering van het geschonden leven op steeds meer gebieden nodig zullen hebben. Ik zeg dit met het oog op de zorgelijke toestand waarin onze cultuur verkeert. Als ik de sprake van deze tijd versta, zijn wij het geslacht dat vóór alles tot barmhartigheid geroepen is. En dat op alle gebied.
De eindtijdelijke nood breekt veel van Mozes' wet. En toch drijft diezelfde nood tot vervulling van de wet (eer alles zal zijn geschied' --- de geschiedenis als vervullingsfactor!).
Steeds meer toegespitst zal het gaan over het gebod der liefde. En er is geen nood die deze wet, dit gebod breekt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief