Leven een voortdurend sterven?

2005-01-28
  • Jaargang 49
  • nummer 2
‘Laat dit kind zo dit leven, dat toch niet anders is dan een voortdurend sterven, om uwentwil getroost verlaten en op de jongste dag voor de rechterstoel van Christus, uw Zoon, met vrijmoedigheid verschijnen.’ Ouderen onder ons zullen deze woorden herkennen uit het gebed vóór de bediening van de doop aan kinderen in het klassiek-gereformeerde doopformulier.

Is het niet moeilijk om deze zware woorden uit te spreken over de hoofden van kinderen heen, die net aan het leven begonnen zijn?
Verraadt dit gebed niet een veel te negatieve kijk op het leven? Nota bene: het leven een voortdurend sterven!
Als dat waar is, is de dood een verlossing uit dit aardse tranendal.
Het geloof verlangt vurig naar wat de natuur vreest: de dood (Calvijn). Is de dood dan een vriend?
Ditmaal gaat het over onze gereformeerde traditie. Wat hebben we op het punt van dood en sterven aan geloofsgoed in huis, en wat kunnen we er mee in onze tijd? Via een bezoek aan Florence kom ik uit in het Genève van Calvijn in de 16e eeuw, waarna we kort Heidelberg aandoen, waar onze Catechismus is ontstaan.

Florence in donker
Een paar keer heb ik in Florence het museum bezocht, waar Michelango’s David te bewonderen is. Maar eerst kom je door de zalen met middeleeuwse kunst met een sombere sfeer en mensen geschilderd met strenge gezichten. Je voelt dat ze het leven als een voortdurend sterven hebben ervaren. De dood was extra bedreigend, omdat Gods oordeel aan de andere kant van het graf wachtte.
Dat bepaalde hun toch al korte leven vóór de dood en deed hun verwachting van het eeuwig leven voortdurend wankelen. Als stervensvoorbereiding werd vooral gegrepen naar het middel van de sacramenten. Ook het kopen van aflaten floreerde in dit eindtijdelijke klimaat. Dit angstige levensgevoel was ook kenmerkend voor de 15e en 16e eeuw bij de opkomst van de Reformatie.

Verlichting
Daarna komen we in de zalen met de Renaissance-kunst. We worden er overweldigd door licht en kleur. Het leven blaast van de schilderijen en beeldhouwwerken af. De wereld als het aardse tranendal lijkt hier overwonnen.
Het leven is geen voortdurend sterven meer, maar het bloeit en groeit in felle kleuren en met scherpe geuren. De dood lijkt de grote afwezige.
Michelangelo’s David vertegenwoordigt voor mij het toppunt van de humanistische overmoed, die toen baan brak. Via de Verlichting heeft deze overmoed zich diep geworteld in het geseculariseerde Westen.

Genève zonder kloostermuren
Wie in Genève de grote beeldengroep met de bekende reformatoren Farel, Calvijn, Beza en Knox bewondert, staat oog in oog met ernstige mannen.
Ze hebben een ver-ziende blik en staan midden in het leven. De angstige levenshouding, zo kenmerkend voor de middeleeuwse vroomheid, is bij hen afwezig. Ze waren volop betrokken in de politieke en economische ontwikkelingen van hun tijd. Het waren geen mannen die sociaal geïsoleerd leefden en beheerst werden door het middeleeuwse kloosterideaal.
Calvijn had in zijn Institutie goede woorden over voor lekker eten en drinken, voor mooie kleren; hij kon de schoonheid in de schepping als gave van God waarderen.
Toch heeft hij een slechte pers als zuurpruim die het leven haatte en alleen maar gericht was op de eeuwigheid.
Hij zou een asceet zijn geweest, die zijn navolgers heeft opgezadeld met een pessimistische levenshouding.
Dood gaan zou voor hem verlossing betekenen uit dit aardse tranendal, waarin leven toch niet meer is dan een voortdurend sterven.

Aangetast bestaan
Maar het ligt bij Calvijn ingewikkelder dan uit deze populaire voorstelling blijkt. Zeker, hij had het over de verachting van dit leven.
Zelfverloochening en kruisdragen waren voor hem realiteiten. Maar dat kwam omdat hij diep overtuigd was van de macht van de zonde in de wereld. Hij was zich sterk bewust van de zondigheid van de mens, ook van de christenmens.
De zonde heeft alles en allen aangetast. Dat maakte dat ongestoorde gemeenschap met Christus in deze wereld vrijwel onmogelijk was. Dat zou pas voluit mogelijk zijn in de toekomende eeuw na de dood.
Vergeleken met wat ons beloofd is, verbleekt wat we nu in deze wereld ontvangen hebben. Daarom is het niet goed vast te zitten aan de dingen van deze wereld, alsof er na dit leven niets meer te verwachten is.

Met de toekomst voor ogen
Zo komt hij tot een sterke relativering van het leven hier en nu. Met Paulus in 1 Corinthe 7:31 benadrukt Calvijn dat we in deze wereld moeten leven alsof ze niet meer van belang is, want deze wereld die wij kennen gaat ten onder. Dit levert geen doodsverlangen op. De dood is een vijand, die onze gemeenschap met Christus bedreigt.
Maar hij is een overwonnen vijand, die in het licht van de eeuwigheid zijn dreiging verliest. Door de dood heen bereiken we het hemelse vaderland waar Jezus Christus ons opwacht. Met de dood laten we de aardse ballingschap met zijn zonde en aanvechtingen achter ons. Wat Calvijn onderscheidde van de middeleeuwse vroomheid was de geloofszekerheid.
Vanuit het vaste geloof in Christus keek men, over het graf heen, uit naar de volle gemeenschap met Jezus Christus, de gekruisigde die opgestaan is.

Voorbereiding
In dit verband heeft Calvijn het dan over het nadenken over het eeuwige leven als voorbereiding op het sterven.
Het gaat hem niet om een wereldmijdende, het leven hatende spiritualiteit, waarin de dood belangrijker wordt dan het leven. Nadenken over het eeuwige leven is gericht zijn op de gemeenschap met Christus. Wie de gemeenschap met Christus zoekt, kan zich niet neerleggen bij de zonde en haar gevolgen in het hier en nu. Zo zette Calvijn in Genève de armenzorg op, en gaf de stoot tot ziekenverpleging.
Rentmeesters zijn we en geen deserteurs.

In leven en sterven
In 1563 werd in Heidelberg de Catechismus gepubliceerd. Het is wereldwijd een van de meest bekende en geliefde belijdenisgeschriften binnen het gereformeerde protestantisme.
Op het punt van dood en sterven komen we in Heidelberg in het zelfde geestesklimaat terecht als in Genève.
Zondag 1 zet de toon van wat de Catechismus belijdt over dood en sterven.
De geloofszekerheid is het uitgangspunt.
Wie vast en zeker gelooft dat hij met lichaam en ziel, in leven en sterven, eigendom is van onze trouwe Heer en Heiland Jezus Christus, hoeft geen levensangst of doodsvrees te kennen. In leven en sterven zijn we in Gods bewarende hand geborgen.

Waar Christus is…
In de taal van toen wordt in vraag en antwoord 57 beleden dat ons sterven de levende gemeenschap met Christus niet onderbreekt. In de tijd tussen ons sterven en de terugkomst van Christus zijn we daar waar Christus is – in de hemel. In het graf is Christus niet; dus wij zijn daar ook niet na onze dood, al is ons lichaam er voorlopig. In Afrika biedt vraag en antwoord 57 veel angstige gelovigen troost en zekerheid. Daar staat het graf centraal in de beleving van de dood; het is de plaats waar de voorouderlijke geesten verblijven. Volgens de Catechismus staat de hemel centraal als de plaats waar Christus is. We weten onze doden niet in het graf, maar in de hemel.

Dagelijks sterven en opstaan
Wat de voorbereiding op het sterven betreft, is het goed aandacht te geven aan zondag 33. De beste voorbereiding op de dood is de dagelijkse afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens (v/a 88). Dat houdt in: droefheid over onze zonden en voortdurende strijd tegen alles wat ons van Christus afhoudt (v/a 89).
Calvijn noemde dat de verachting van het leven. De positieve keerzijde is een groeiende vreugde in God door Christus, wat zich uit in onze inzet om concreet Gods wil te doen (v/a 90).
Calvijn noemde dat de overdenking van het toekomende leven. We leven met het oog op de eeuwige toekomst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief