Romeinen 8: 26, 27

1976-11-05
  • Jaargang 20
  • nummer 43

"En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp: want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.
En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit."

... Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid,
die over ons geopenbaard zal worden", zo schrijft Paulus (in vers 18) aan het begin van deze pericoop (vs. 18-30).
Maar wie zou denken, dat de HERE dat lijden van zijn kinderen nu dus met een luchtig woord en een vluchtig gebaar als afgedaan beschouwt èn als afgedaan beschouwd wil zien door zijn kinderen, die heeft het helemaal mis: daar is de HERE veel te barmhartig voor. Hij kent onze noden, en als geen ander peilt Hij de diepte ervan: Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn (Ps. 103: 14).
Hij weet, dat dat lijden ons dagelijks bezig houdt. dat wij er mee tobben, er bijna niet boven uit- en er weer boven op kunnen komen.
Hij ziet dat het water ons soms tot aan de lippen gestegen is.
Het lijden van deze tegenwoordige tijd - wie kent er de breedte en de lengte en de diepte van? Wie zal peilen hoe diep onze ellende soms is?
De HERE!
Daarom laat Hij er Paulus. Zijn knecht, ook juist een hele pericoop over schrijven, het ene vers na het andere - terwijl Hij zelf als het ware met een lamp dat lijden van zijn kinderen van alle kanten belicht en toe-licht.

Wat is het eerste dat een mens denkt, wanneer hij lijdt?
Toch dit. dat hij er moederziel alléén voor staat. Dat hij, alle goed bedoelde en tegelijk toch zo hulpeloos-troostende woorden van zijn medemensen ten spijt, het toch maar alléén moet dragen.
Dat hij alléén zijn lijdensweg moet gaan, zielsalleen.
Maar is dat waar?
De HERE vertelt ons wel anders!
Zijn het alleen de mensen, Gods kinderen, die zuchten bij zichzelven in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam? (vs. 23.).
Neen! “want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is" (vs. 22).
En opdat we niet hoog van de toren zouden blazen en ons van het lijden van de schepping zouden distanciëren als hadden wij daar niets mee te maken, en opdat we niet egocentrisch zouden worden (dat kan zo gemakkelijk, wanneer we denken dat het leed nu net óns weer moest treffen), daarom zegt de HERE er haastig bij: dit lijden en zuchten van de schepping is “niet gewillig", niet uit eigen wil en uit eigen vrije verkiezing, maar - en nu wijst zijn vinger naar ons als de schuldigen - "om diens wil. die het der ijdelheid (zinloosheid) onderworpen heeft" (vs. 20).

En als wij dat tot ons hebben laten doordringen, noemt God nog iets anders, nl. dat ook de Geest zelf voor ons bidt, met onuitsprekelijke verzuchtingen (vs. 26)!
Dat is dan weer een nieuw punt in de openbaring des HEREN, inzake het lijden van Gods kinderen. Een punt dat, om zijn onbekendheid en onbegrepenheid bij velen, wel eens apart onze aandacht mag hebben.
Opdat wij ook uit het zuchten des Geestes bewust de troost des geloofs kunnen putten in het lijden van deze tegenwoordige tijd!

Er is veel leed en lijden in de wereld. En dat leed gaat heus niet de deur van Christus' kerk voorbij. Integendeel.
Zelfs heeft de kerk vaak meer te lijden dan de wereld. Door haat en vervolging. En door de afmattende strijd tegen de zonde: ik ellendig mens - wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? (7: 24).

Daarbij kunnen Gods kinderen in hun leed nimmer de vergetelheid zoeken in de bedwelmende roes, van het "eten, drinken en vrolijk zijn", waartoe de kinderen dezer wereld in hun wanhoop vaak de toevlucht nemen. Zij dragen hun leed niet onder verdoving maar bij vol bewustzijn. gelijk Christus op Golgotha, toen Hij de bedwelming van “wijn, vermengd met gal" weigerde (Matth. 27: 34).

Ja, er is veel leed in deze wereld.
Het leed dat wij zien. Maar ook veel lijden dat onzichtbaar blijft voor de mensen. Waar alleen I God weet van heeft.
Duizendvoudig lijden.
Bij anderen.
En bij onszelf.
Een loden last. Die wij niet dragen willen. Maar die wij dragen moeten.

"Elk huisje heeft zijn kruisje".
Wij kunnen wel proberen ons huis hermetisch gesloten te houden voor het lijden van deze tegenwoordige tijd - maar het lukt ons niet. Het leed kruipt bij de ramen op, glipt - achter ons langs onze deur binnen. Het is er plotseling, zo maar - en op de meest ongelegen en onverwachte momenten.
Ziekte en dood, tegenslag en tegenspoed - wie kan ze keren? Wanhopig vechten wij tegen al die rampspoed. Maar wat baat het een mens? Machteloos is hij ertegen - met al zijn kennis en kunde en macht. Machteloos als de reus Goliath: een kiezelsteentje is voldoende om hem te vellen.

Daar is in onze woonplaats een meiske van zo’n twee, drie jaar: het roept al maar om haar moeder.
Maar de HERE heeft haar moeder vrijdag jl. van haar afgenomen.
Tot zich genomen, zegt u?
Ja. maar ook van haar afgenomen.
Zoals Hij deze week maandag een van onze broeders thuis gebracht heeft.
Thuis!
Ja, maar bij ons vandaan.
Er zijn in onze gemeente zieken.
Ze hadden plannen, idealen voor hun leven.
Maar ze werden ziek. Lang ziek soms. Of wéér ziek.
God zond hun deze ziekte?
Ja, maar dat betekent tevens een streep door hun rekening, hun plannen en idealen.
Een paar jonge mensen trouwden.
Zij waren blij. En hoopte als alle jonggetrouwden op de vreugde van het ouderschap. Maar de kinderen bleven uit ...
God gaf hun geen kinderen?
Ja, zo moeten we het wel zeggen, maar elke dag weer schijnt het verdriet.
Er waren een man en een vrouw.
die samen de HERE dankten: God zou hun huwelijk bekronen met kinderzegen - voor het eerst - of opnieuw. Maar toen hun kindje kwam, was het niet als alle andere kinderen.
God?
Ja, maar die vreselijke teleurstelling ...
Er waren twee mensen - gelukkig getrouwd. Ze hadden elkaar, hun werk en hun kinderen. Door een vergissing werd de man en vader van het leven beroofd, uit zijn gezin weggerukt.
God vergiste zich niet zegt u?
Nee, maar hoe kom je dáár over heen? En er dóórheen?
Er waren ... och, u kunt het nu voor uzelf wel aanvullen. Voor uzelf - en niet te vergeten: voor anderen, voor uw medemensen.

Zo is het leven immers?
Leert de Schrift dat ons niet zelf?

(Volgende week verder)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief