Wat God doet, dat is welgedaan
1976-11-05
Er is een bekend Luthers gezang, waarvan de 5 coupletten aanvangen met de bovenstaande zin. De tekst is van Samuel Rodigast, die in de 17de eeuw leefde; de melodie komt uit het Nürnbergisches Gesangbuch en is mogelijk van Severus Gastorius afkomstig, ook uit de 17de eeuw.- Jaargang 20
- nummer 43
Het gezang is in ons land bekend geworden door de Evangelische Gezangenbundel en werd ook in de N.H. bundel van 1938 opgenomen.
Dat was de berijming van PetronelIa Moens, een dame die omstreeks 1800 leefde. Zij vertaalde het Duitse lied in 5 coupletten, die alle met de bekende zin begonnen. Reeds nu willen wij u er op wijzen, dat in het Liedboek voor de Kerken een nieuwe berijming, en wel van ds Jan Wit, is gebruikt, die op essentiële punten anders is dan de originele; daar komen we straks op terug.
Het lied is, althans de titel, overbekend. De term "wat God doet dat is welgedaan" heeft onder ons vrijwel de waarde van een bijbeltekst en betekent bij leed het einde van alle tegenspraak, de volheid van christelijke troost. Merkwaardig dat men deze spreuk nooit aanheft bij voorspoed en geluk - alleen bij tegenspoed en ramp. Dat wijst al in een richting. Dat wijst er op (als het dan toch gezegd moet worden) dat deze zin een panacé is voor rampen; een eerste hulp bij ongelukken.
Maar laten we eerst de verouderde vertaling van PetronelIa Moens eens lezen. Zij vertaalde en berijmde Samuel Rodigast als volgt:
1. Wat God doet, dat is welgedaan, zijn wil is wijs en heilig. 'k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan, die hand geleidt mij veilig. In nood is mij zijn trouw nabij. Ja Hij, de Heer der Heeren, blijft eeuwig wijs regeren.
2. Wat God doet, dat is welgedaan, zijn woord eischt mijn eertrouwen.
Hij leidt mij op de rechte baan, 'k mag daar zijn liefde aanschouwen.
Hij geeft mij kracht, zijn hulp, zijn macht redt mij uit smart en banden: mijn lot rust in zijn handen.
3. Wat God doet, dat is welgedaan, Hij luistert naar mijn klachten.
Zou mij zijn liefde gadeslaan en ik zijn hulp niet wachten? God kent mijn hart; geen ramp, geen smart is ooit voor Hem verborgen: Hij zal als Vader zorgen.
4. Wat God doet, dat is welgedaan, dat blijft de vreugde mijns levens.
God plant wel doornen op mijn paân, maar strooit daar rozen nevens.
Met smart paart God vaak rein genot. Zijn vaderlijke ontferming blijft eeuwig mijn bescherming.
5. Wat God doet, dat is welgedaan, zijn trouw blijft mij ten hoede.
Zijn liefde doet geen kwaad ontstaan, 't werkt alles mee ten goede. Als God mij leidt, zal 'k: wel bereid mijn hoogst en reinst verlangen in de eeuwigheid ontvangen.
Hebt u dat? En bent u ook geschrokken van gedachten als: "God plant wel doornen op mijn paan" ... "maar strooit daar rozen nevens?" En hebt u gemerkt, dat het eerste couplet spreekt van nood, het tweede van smart en banden, het derde van klachten, ramp en smart, het vierde van smart en doornen en 'het vijfde van "zijn liefde doet geen kwaad ontstaan"? Dat laatste is dan nog waar ook - maar zijn zulke termen niet tekenend voor een kerkelijk lied, dat speciaal voor ramp en tegenspoed is gemaakt?
En is het niet waar, dat dit lied weinig zegt over de voorspoed, die God de Heere aan zijn rechtvaardige kinderen belooft? Jawel, dat God "smart paart met rein genot" klinkt, hoe ondoorzichtig ook, gematigd blijmoedig. Dat God rozen zou strooien op onze paden ... het klinkt goed maar u kunt het terecht betwijfelen. Trouwens: geen roos zonder doorns en wat moet u dan met zulke rozen? Alleen de zin: ,,'t Werkt alles mee ten goede" is gezonde taal; is dan ook ontleend aan de Schrift zelf: "wij weten nu, dat God alle dingen doet meewerken ten goede voor hen, die God liefhebben", Rom. 8 : 28.
Gelukkig heeft het Nieuwe Liedboek deze tekst niet overgenomen. Men zag, dat God de Heere belangrijker is dan een meldingspost voor tegenspoeden; en dan een meldingspost, die tegelijk min of meer aansprakelijk wordt gesteld voor gezegde tegenspoeden.
Ds Jan Wit verzorgde lied 432 in het Nieuwe Liedboek. Hij nam het eerste couplet van Petronella Moeris ongewijzigd over. Daarna ging hij verder met 2 nieuwe coupletten:
2. Wat God doet, dat is welgedaan. Hij is mijn licht en leven. Ik wil mijzelf van nu voortaan blijmoedig aan Hem geven, omdat ik weet in vreugde en leed: zijn vaderlijke ontferming blijft eeuwig mijn bescherming.
3. Wat God doet, dat is welgedaan, daar laat ik het bij blijven. Al moet ik door de engten gaan waar mij de dood zal drijven - als God mij leidt kan ik de tijd van duisternis verdragen: ik zal zijn licht zien dagen.
U zult gemerkt hebben: dit is heel andere taal. Hier is geen jammerklacht.
In 2 hoort u de geloofszang van psalm 27: "De Heere is mijn licht en mijn heil - voor wie zou ik vrezen?". Ook spreekt hier de taal van "in voorspoed dankbaar, in tegenspoed geduldig" uit zondag 10 H.C. en de belijdenis uit zondag 1: "in leven en sterven eigendom van Jezus Christus" en "van harte willig en bereid voortaan voor Hem te leven". Ook in 3 klinkt geloof: "al ga ik door een dal van doodsschaduwen
- Gij zijt bij mij", psalm 23. Eveneens het geloofslied van Habakuk: al zou er geen steen op de andere blijven staan, nochtans zal ik juichen in de Heere, jubelen in de God van mijn heil". En wat de andere coupletten van Petronella betreft: ds Wit heeft ze vergeten; onwillekeurig zei hij het: "daar laat ik het bij blijven".
De gedachte, welke ds Wit tot een nieuwe en gans andere berijming" van dit overbekende “christelijke" gezang bewoog, is aan de voet aangegeven.
Het is Gods woord in 2 Samuël 22: "Gods weg is volmaakt; des Heeren woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. Want wie is God behalve de Heere, wie is een rots buiten onze God?"
Eeuwen lang is daar door geleerde heren over getwist: of God nu wel of niet de auteur van het kwade zou zijn. En dan "kwaad" in de zin, waarin wij mensen de schaduwzijden van ons leven ondergaan of ook weerstaan. Ons verdriet, onze tegenspoeden, onze rampen ... Stel u bouwt een zaak op; naast u vestigt zich een supermarkt en uw zaak gaat op de fles. Stel u plant akkers; er komt oorlog en uw vruchtbare grond verandert in verschroeide aarde. Stel u vormt een gezin, bestaande buiten u uit een lieve vrouwen bloeiende kinderen; op een kwade dag sterft uw kind. En zouden wij daarop maar direct moeten antwoorden: "wat God doet, dat is welgedaan"? Dat is veel gevraagd!
Wie zo doet zou de Bijbel aan zijn kant hebben. Althans de taal van Job: "zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?" En ook: "De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd". Job zei dat goed, zegt de Bijbel. Maar zegt u het hem na?
Ja, wie denkt dat de Heere God ons met de ene hand plezierige dingen schenkt - en met de andere hand onheil aanreikt ... schijnt de belijdenis op zijn hand te hebben. Zondag 10 zegt dat gezondheid en ziekte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, ons uit Gods vaderlijke hand toekomen.
Nog sterker wordt God in zondag 9 aansprakelijk gesteld voor “al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toezendt".
En inderdaad neemt de Heere de aansprakelijkheid voor licht en duister, voor heil en onheil op Zich (Jes. 45 : 7). Maar dan niet in de zin van: met de ene hand doorns planten en met de andere rozen strooien zoals een grillige despoot dat zou doen. Als de Heere onheil zendt (en is er een kwaad in de stad, dat de Heere niet doet?) dan kunnen we op Hem aan: dat hier onze Vader optreedt. De Bijbel leert ons dat God berouw kan hebben van zijn voornemens, dat Hij zich kan laten verbidden, dat Hij zelfs zijn reeds aangekondigde plannen (Mozes, Jona) kan terugnemen.
De Bijbel leert ons dat God geen despoot is als de afgoden, geen wreedaard als de afgoden, niet stom, doof en blind is als de afgoden.
De Bijbel leert ons dat Hij een vader is, die open staat voor ons gebed en onze tranen; die graag hoort dat wij zijn beloften in het geding brengen; die graag ziet dat wij zijn vaderhand blijven vasthouden.
Onze Vader heeft weet van onze tegenspoed, van ons leed, van onze rampen. Natuurlijk is onze ziekte, ons leed, onze rouw aan de Heere bekend. Geen haar valt van ons hoofd zonder zijn wil. En als ons onheil treft ... dan spreekt God tot ons. Hij straft, wie Hem tegenstaan.
Maar Hij kastijdt de zoon, die Hij liefheeft. Hij beproeft in wie Hij een welbehagen heeft. En soms, als bij Job, laat Hij het leed over ons komen: opdat ieder zal zien, dat de Satan niet tussen Hem en zijn kinderen kan komen!
Dat is erg geweest voor Job. Dat is erg, als het u zou overkomen. Maar het is een grote eer: meewerkend voorwerp te mogen zijn bij de openbaring van Gods trouw. De boze kan van alles proberen, om ons los te krijgen uit Gods vaderhand. En dan kan onze klacht de hemel doen scheuren. Maar dan ontdekt Zich de Heere.
Dan blijkt dat Hij ons in de hand houdt. Want God is goed - dat blijft staan. Hij slaat met mededogen, gelijk een vader doet. Hij maakt het goed met ons, als wij onze weg op Hem aansturen. Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zit góed.
"Zijn vaderlijke ontferming blijft eeuwig mijn bescherming". Hier zijn Petronella en Jan Wit het weer eens. U zinge dit lied dus blijmoedig en de prettige melodie zal het u gemakkelijk maken. "Wat God doet, dat is welgedaan", zo is het inderdaad. U kunt het moeilijk een ander" aanpraten - maar U moet het zelf verstaan. En dan in de troostrijke zin van Gods Woord, dat ons in de liefdevolle Heiland de liefdevolle Vader getoond heeft.