Fijn, bedankt!
1983-09-16
Graag wil ik aan het slot van deze jeugddag nog een paar dingen zeggen.- Jaargang 27
- nummer 34
Vanmorgen heb ik enkele opmerkingen gemaakt in verband met de hemelvaart van de Here Jezus. Ik wil er nu nog iets aan toevoegen. In Johannes 14 lezen we afscheidswoorden van de Heiland voor Zijn discipelen. Het hoofdstuk begint met de woorden (Willibrord vertaling): 'Laat uw hart met verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader is ruimte voor velen ... Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden'.
De hemelvaart van Jezus betekent niet dat Hij ophoudt met werken.
Vanuit de hemel gaat Hij verder werken aan het thuisbrengen van velen. Meer dan voorheen worden mensen daarbij ingeschakeld. Op de Pinksterdag wordt de Geest uitgestort. Die Geest zal mensen bekwaam maken voor het werk. Door die Geest werkt God vandaag in en door mensen. Door die Geest wil Hij in ons wonen. En zo kan Paulus in één van zijn brieven schrijven dat wij, jullie en ik, Gods huis zijn. Het is niet gemakkelijk om dat: 'zo maar' te aanvaarden, maar denk nog even aan wat ik vanmorgen zei. Ga over dit alles niet als een wijze en verstandige redeneren, maar geloof het als een kind, Dán alleen kun je van dat werk van de Heiland iets ontdekken in je eigen leven.
Jezus werkt vanuit de hemel aan het huis van de Vader. Hij werkt in en door ons. Hij werkt eraan als jij bezig bent met je huiswerk, Hij is er mee bezig als je werk!t in je beroep. Hij gaat met dat werk door als jij gaat naar het arbeidsbureau omdat je geen baan hebt.
Hij wil in dat werk ook betrekken het werk op de jeugdvereniging, het bij elkaar zijn op een jeugddag, het lid zijn van het GLJC. Al dat gedoe van ons krijgt pas werkelijke zin omdat Jezus er bij betrokken is. Hij gééft de zin er aan. En zo máákt Hij er wat van.
Omdat Jezus door Zijn Geest van ons werken op aarde iets maakt kunnen we dankbaar zijn voor het werk dat we mogen doen. Mensenwerk blijft stukwerk, werk met veel gebrek. Geen mens ontkomt er aan om in wat voor werk dan ook steeds weer zichzelf te zoeken.
Dat geldt ook va:n jarenlang bezig zijn in kerkelijk jeugdwerk. God moet er iets van maken. Hij moet de stenen die wij aandragen op de juiste plaats leggen. Het is goed om in al het werk dat we doen onze kleinheid goed in het oog te houden. Dán pas kunnen we God groot maken. Dan ook kunnen we alleen eoht dankbaar zijn voor het feit dat God ons, mensen, gebruiken wil ondanks onszelf. Als we dat beseffen hoeven we ook niet verontrust te zijn over wat we verkeerd doen, over de fouten die we maken. In het huis van de Vader is immers plaats voor veel zondige mensen.
Ik kan niet nalaten enkele regels aan te halen uit een preek van ds J. A. Vink die in 1964 onverwacht stierf en die daarvoor tien jaar voorzitter was van de bond van jongensverenigingen. In die preek zei ds Vink o.a. het volgende: 'Er gebeurt zo ontzettend veel ä:n de wereld en in de kerk en in ons eigen leven. Het levensbeeld verandert met de dag. Wat zit er niet een spanning in de voortgang der geschiedenis. Het kan zo spannend zijn in de wereld, dat het verloop der dingen ons beklemmen kan. Het kanzo spannend zijn in de kerk, vanwege de worsteling om voor Christus getrouw te mogen blijven, Het kanzo spannend worden in ons eigen leven, zó dat we gaan vragen, hoe het nu verder moet.' Ik denk dat deze woorden nog niets van hun actualiteit hebben verloren. Want spanningen zijn er, het werk van God in deze wereld brengt spanningen mee. Het zich bemoeien van Jezus met ons kan vragen oproepen. Het is goed te bedenken dat Jezus ook vandaag zegt: 'Laat uw hart niet verontrust zijn, Ik ben er.'
Ik w!ilbij dit afscheid een beroep op jullie doen, nl. om temidden van allerlei spanningen het met God te blijven volhouden. Ik vertel geen nieuws als ik zeg dat veel jongelui het vandaag met God niet meer zien zitten. Die ontwikkeling kan ons beklemmen, kan ons benauwd maken. Jezus is Zelf met dat probleem bezig geweest toen velen uit Zijn gezelschap Hem verlieten (Job. 6 : 66 e.v.). Ze hadden er genoeg van om met Jezus op weg te zijn. En dan stelt Jezus aan de discipelen een indringende, keiharde vraag. Hij zegt: 'Willen jullie soms ook weggaan?' Zo'n vraag li.egt er niet om. Zo'n vraag stelt je voor de keus. Zo'n vraag dwingt tot nadenken. Petrus dacht niet lang na maar reageerde meteen met de woorden: 'Here, tot wie zullen wij gaan, Gij hebt woorden van eeuwig leven.' Misschien ben je niet zo vlug met antwoorden als Petrus. Vlugge antwoorden zijn trouwens niet altijd overdracht. Dat heeft Petrus pas echt leren inzien nadat hij de Heiland had verloochend. Maar juist op dat moeilijke moment was Jezus aanwezig. Want toen Petrus zei dat hij Jezus niet kende, keerde de Heiland Zich om en zag Petrus aan (Lukas 22 : 61). En zoals Jezus naar Petrus keek, kijkt Hij naar ons. Hij kijkt naar je als je twijfelt, Hij kijkt naar je als je vloekt, Hij kijkt naar je als je je verstopt. Zo goed is God dat Hij Zijn Zoon zond om je steeds in het oog te houden. Willen jullie soms ook weggaan?
Geef je antwoord maar wat minder vlug dan Petrus, maar probeer het Petrus wel na te zeggen: 'Here, waar zou ik naar toe moeten, U alleen hebt woorden van werkelijk leven.'
We hebben het vandaag gehad over dankbaarheid. Ik wil vandaag afscheid nemen met een dankbaar hart. Ik mocht een lange tijd bezig zijn in kerkelijk jeugdwerk.
Ik heb het idee dat ik in dat werk van God en mensen meer heb ontvangen dan ik heb gegeven. Er zijn veel herinneringen, blijde en droeve. Ik denk aan mensen met wie ik mocht samenwerken en die reeds zijn gestorven. Hun namen zullen de meesten van jullie weinig of niets zeggen. Toch wil ik enkele namen noemen: ds J. A. Vink, ds H. Vogel, Tini Kok, Jan van Es, Rens Venderbos. Ik denk ook aan de heer Van Oord en professor Veenhof. Zij allen hebben voor hert jeugdwerk veel betekend. Ik denk aan hen met wie ik jaren omging en van wie ik door de kerkelijke breuk van 14, 15 jaar geleden ben vervreemd.
Hun namen wil ik niet noemen, één van hen is reeds gestorven.
Mensen kunnen elkaar binnen Gods gemeenten vaak niet vasthouden, vriendschappen breken stuk, breuken zijn aan deze kant van het graf vaak onherstelbaar, Ook onder deze omstandigheden mogen we luisteren naar wat Jezus zegt: 'Laat uw hart niet verontrust worden, in het huis van Mijn Vader is ruimte voor velen...' Ik wil vandaag ook denken aan hen met Wie een door het jeugdwerk ontstane vriendschap vandaag nog steeds mag voortduren. Hert is een rijke ervaring dat er vriendschappen zijn die hert uithouden ondanks verschillen van mening. Het was vandaag een verrassing voor me een aantal oude en minder oude bekenden hier te zien. Ik denk: vooral ook aan de banden die de laatste jaren in de mng van hert GLJC zijn gegroeid. Ik hoop dat ze voortduren. Het afscheid van vandaag betekent gelukkig niet dat we elkaar nooit meer zullen zien.
Tot slot nog dit: ik wil bij dit afscheid omboog kijken, naar God, en om me heen, naar mensen, naar jullie allemaal. En dan zeg ik: het was fijn, hartelijk bedankt! Want God is overstelpend goed!