Boeken lezen
1983-09-23
(Een en ander over Literatuur, de Lusten en de Lasten, de zin of de onzin, voor de lol of voor de Leraar, en verder van alles dat me in de zin komt.) - Jaargang 27
- nummer 35
Zo, en nou ga ik eens lekker wat schrijven, zonder veel systeem, zonder veel orde, maar volgens een methode die veel beter bij me past: de methode van het toeval en de inval.
Wie daar een hekel aan heeft, weet het dus van te voren en kan de rest wel laten liggen. En als u over een poosje mijn naam niet meer bij de redactieleden ziet staan, weet u hoe dat komt. Maar vóór u nu stopt met lezen, moet u nog weten welk publiek ik hoop te bereiken: in de eerste plaats leerlingen bij het voortgezet onderwijs (de hogere klassen), maar ik zal tegelijk zó proberen te schrijven dat ook hun ouders het kunnen volgen. (Dat was een grapje; ik zeg het er maar bij, anders worden sommigen nu al boos.) En wie iets niet begrijpt of het niet met me eens is, schrijft me maar: Spoolderbergweg 18, Zwolle.
Op weg naar het einde
Dat is niet alleen de sombere titel van een boek, maar ik krijg ook wel eens de indruk dat mensen geneigd zijn ergens aan te beginnen en dan tegelijk al uit te zien naar het einde ervan. Leerlingen in de 4e klas Havo lopen grote kans tijdens de eerste school weken talloze keren het woord "eindexamen" te horen, zij zijn al "op weg naar het einde". Maar ná dat einde begint er iets nieuws, en zo gaat het maar door, een leven lang, tot het. einde komt waarnaar door slechts weinigen wordt uitgezien, Simon Vestdijk heeft eens een studie geschreven onder de titel: "Het pernicieuze slot". Pernicieus betekent: verderfelijk, kwaadaardig. Vestdijk trekt daarin een vergelijking tussen het leven en de roman: het begin heeft nog alle mogelijkheden in zich, maar naarmate de tijd verstrijkt, wordt het aantal mogelijkheden kleiner. Het is als met een schaakspel: door elke zet neemt het aantal volgende mogelijkheden af en komt het einde dichterbij. Ik zal nu niet verder op dat artikel van Vestdijk ingaan, ik vermeld alleen dat hij constateert dat veel boeken een zwak,soms zelfs een slecht einde hebben. En daarin heeft hij gelijk, al schijnt het ,in tegenspraak te zijn met wat de Prediker zegt, namelijk dat het einde van een begin beter is dan zijn begin. Vandaar dat sommige moderne boeken een "open einde" hebben en dat oudere romans nog wel eens een bladzijde ná de laatste bladzij hadden: "Hoe het verder ging". Daar wordt dan verteld hoe het met Pietje afliep, wie met Martetje trouwde en hoe lang de rentenier nog van zijn geld geleefd heeft. De school was nog maar nauwelijks begonnen, we draaiden nog maar een week, en toch had ik zelf ook al weer enkele keren moeten praten over het einde: het examen. Ik doe dat altijd met grote tegenzin, want ik besef dat bet gevaar dreigt dat het eindexamen een doel wordt op zichzelf.
En dan wordt het inderdaad een pernicieus, een kwaadaardig slot. Want de klassieken zeiden het al: "Niet voor de school, maar voor het leven leren wij." En zo is het! Zo kom ik, zij het via een kronkelig paadje, terecht bij wat ik op het hart heb.
Elk jaar wordt er wel weer in een of ander blad iets gezegd over de literatuur op school. Meesrtal komen de scholen en de leraren er dan niet zo best af. Dat leerlingen met literatuur in aanraking worden gebracht, dát ondervindt in het algemeen geen kritiek, maar daarmee houdt het dan wel zo'n beetje op. Dat er van leerlingen wordt verlangd dat zij boeken lezen, en vooral boeken van een behoorlijk niveau, dáárover lopen de meningen sterk uiteen.
Een misverstand
Dank zij de methode die ik in mijn inleiding aangaf, mag ik nu eerst even een veel voorkomend misverstand wegwerken: Leraren kunnen in feite leerlingen niet verplichten bepáálde boeken te lezen. Aan het begin van de vierde klas krijgen mijn leerlingen een gestencild lijstje met "aanbevolen boeken", maar ik zeg er dan direct bij: "Niemand is verplicht één van deze boeken te lezen!" De zaak komt natuurlijk anders te liggen, als een leraar een bepaald boek klassikaal wil behandelen, dan zal iedereen moeten meedoen, maar verder heeft elke leerling een heel grote vrijheid in de keuze van zijn boeken. Ik moet daarover nog twee opmerkingen maken: de boeken moeten een bepaald niveau hebben, en dan kan de leraar een boek dus wel eens niet accepteren.
En over dat klassikaal lezen: de leraar hoort bij zijn keuze wel verstandig en verantwoord te werk te gaan: hij hoort open te staan voor principiële kritiek, zeker als het gaart: om het morele gehalte van wat er gelezen wordt. Ik betreur het dat zo weinig jonge mensen op dit punt "mondig" zijn.
Lezen voor de lijst of lezen voor de lol?
Het lijkt er soms op dat een school (of een leraar) maar uit twee mogelijkheden kan kiezen: hij kan de leerlingen helemaal hun eigen voorkeur laten volgen, of hij moet ze verplichten bepaalde werken van een bepaald niveau te lezen. Beide methodes kunnen gemakkelijk belachelijk worden gemaakt.
"Lijstebrij", uitgegeven ter gelegenheid van de Boekenweek 1973, maakt een karikatuur van het gedwongen lezen en van de eisen die daarbij gesteld worden; het is ook niet zo moeilijk een dwaze schets te maken van wat leerlingen zouden kunnen gaan lezen, als er geen beperkende eisen werden gesteld. Maar in beide gevallen wordt geen recht gedaan, niet aan de leraar en niet aan de leerlingen. De tegenstelling in de keuze is ook niet juist! Er moet toch een zekere "lol" te beleven zijn aan het lezen van boeken? Het is alleen maar de vraag wat voor ,,101" dat is. Pietje Bel en Dik Trom zijn een tijdlang leuk, maar op een bepaalde leeftijd is er meer waardering voor Pa Pinkelman of Adriaan en Olivier. En op een gegeven moment ontdekt men in de verhalen van Carmiggelt kwaliteiten die bij Bomans ontbreken, Arthur van Schendel blijkt dan ook iets ánders en beters te bieden dan b.v. Toon Kortooms. Ook het "lezen voor de lijst" kan met een zekere ,,101", met plezier en voldoening, gepaard gaan. Het is de taak van de school de leerlingen het inzicht bij te brengen dat daarvoor nodig is. En dat vraagt inspanning, van de kant van de leraren en van de kant van de leerlingen. Wie plezier wil beleven aan voetballen of aan schaken, zal óók de nodige theorie moeten verwerken en hij zal óók moeten oefenen. Met muziek en schilderkunst is het niet anders: wie iets weet van techniek en compositie kan er dáárdoor meer van genieten. Dat geldt ook voor literatuur.
"Niet voor de school, maar voor het leven"
De school en de examens zijn geen doel op zich zelf. De kreet van de "Tachtigers", namelijk "Kunst om de kunst", is al lang achterhaald. De school staat midden in het leven, zij moet oppassen dat zij er niet van vervreemdt. Ik betreur het nog steeds dat door de Mammoetwet zo veel vakken in de hogere klassen zijn geschrapt, want daardoor kan de school niet meer voldoen aan wat volgens mij haar wezenlijke taak is, nl. een zo breed mogelijk veld van het leven voor leerlingen openleggen. Jeugdige mensen zijn bezig het leven te verkennen, zij willen er wegwijs in worden, en de school moet hen daarbij helpen. Literatuur heeft daarin een functie bij uitstek: dáár treft men het leven aan in een overweldigende hoeveelheid facetten. Dát feit alleen al maakt dat het alleszins verantwoord is in de hogere klassen veel met letterkunde bezig te zijn.
De christelijke school: ànders, maar hoe?
De ohristen is wel in, maar niet ván deze wereld. De christelijke school moet dat ook laten uitkomen in de manier waarop zij leerlingen voorbereidt op het leven.
Wij zijn niet maar "op weg naar het einde", wij hebben ándere perspectieven. Wij hebben ook een bepaalde taak in het leven. Dat leven mogen wij niet als onbelangrijk, bijkomstig, beschouwen. In het gebed van het oude doopsformulier wordt gesproken van "dit leven dat toch niet anders is dan een gestadige dood"; ik vind dat een vreselijke, in wezen onbijbelse uitdrukking, Wij zijn niet in dit leven geplaatst, om alleen maar te sterven; ook niet om ons alleen maar bezig te houden met "hogere dingen". De sombere, pessimistische opvattingen van b.V. W. F. Hermans wijzen we af. Het is goed een boek als "Het behouden huis" te lezen en dan duidelijk vast te stellen wèlke boodschap Hermans daarin brengt. Het is ook goed duidelijk te laten zien wat daar fout aan is. Tegelijk merken we op dat het boek uitmuntende kwaliteiten heeft. Maar het is óók goed aan te wijzen wat er verkeerd is aan een ándere, even sombere kijk op 't leven die we bij schrijvers kunnen aantreffen, die doorgaan voor "goed christelijk", of zelfs "calvinistisch". En tenslotte mag ik ook nog wel eens zeggen wat ik in verschillende boekbesprekingen heb opgemerkt: zonder een goede technische beheersing ontstaat er géén kunst, ook al zijn de verwerkte gedachten nóg zo goed en vroom.
Naar de praktijk
De volgende keer hoop ik in te gaan op een boek van Hans Werkman: Aangekruist. Ik kan nu alvast elke leerling in de hogere klassen van het voortgezet onderwijs dit boek aanbevelen. De praktijk is nu eenmaal dat er boeken gelezen moeten worden en dat die op een bepaalde manier verwerkt dienen te worden. Het probleem waar leerlingen het éérst mee te maken krijgen, is wèlke boeken ze zullen kiezen. Ze kunnen dan eens beginnen in "Aangekruist" te snuffelen en ze moeten dan maar proberen voor zich zelf te bepalen welke boeken hen waarschijnlijk zullen aanspreken. Ik hoop zelf ook wat aan te reiken. Wie iets zoekt van de laatste tijd, verwijs ik alvast naar "De Aanslag" van Harry Mulisch, En tenslotte, voor deze keer, het hoeft niet altijd zo zwaar en zo serieus. Lees het volgende maar eens met een glimlach:
C. J. Kelk:
Het rechte rugje
Het rechte rugje van zijn
kinderjaren
raakt menigeen zijn leven niet
meer kwijt.
't Weerbarstig kuifje slecht
gekleurde haren
is nauwelijks vatbaar voor de tand
des tijds.
Het schoolse schrift, de wel-
verzorgde handen
beklijven en met rekenen blijft
het gaan...
O, konden wij eens ruilen met
elkander
en zorgeloos in eens anders
schoenen staan.
Ik zou zo graag dan Casanova
wezen
Of Don Quichotte of De Dikke
Man
of iemand die een afschuw heeft
van lezen
maar daarentegen goed chaufferen
kan.