Een abc van het geloof
1983-09-30
Licht - Jaargang 27
- nummer 36
We zullen allen wel de tekst kennen uit de eerste brief van Johannes:” God is een Licht en er is in het geheel geen duisternis in Hem.” D.w.z. dat Hij de bron is van heil. De fontein van al wat goed is. Licht is een aanduiding van vlekkeloze reinheid] stralende hoogheid] onbegrensde verhevenheid boven al wat slecht is. Jacobus waarschuwt ons] dat niemand als hij wordt verzocht mag zeggen: Ik word van Godswege verzocht.
Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hij brengt ook niemand in verzoeking. Hij beproeft wel] maar verzoekt niemand met het doel tot zonde te verleiden. Dát doet de boze] de duivel. Vader aller boosheden zouden we kunnen zeggen. Maar van God] die enkel licht is] schrijft Jacobus: “alle goede gaven en volmaakte gift daalt af van boven] van de Vader der lichten] bij wie geen verandering is of schaduw van omkeer:" D.W.Z. Hij blijft ons goede gaven geven] daaraan hoeven en mogen we niet twijfelen. Hij is geen auteur van de zonde en al wat zondig is.
Het is een heidense gedachte, dat God licht èn duisternis zou zijn. Een bron van alle heil èn van alle onheil. Met de woorden van Paulus uit Ril. 4 vs 8 zouden we het zou kunnen zeggen: God is de oorsprong van al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, Wie wat thuis is in de Schrift kan deze lijst met vele goede gaven aanvullen.
God is een God van licht en heil en vrede en Heide enz. In dat alles heeft Hij behagen. Maar Hij haat al wat zondig, boos en slecht is. En we mogen uitzien naar een nieuwe aarde en hemel, waar het enkel licht zal zijn, omdat God daar is alles in allen. Onder de oude bedeling heeft God nog niet de volheid van Zijn Licht laten stralen. Dat heeft Hij laten schijnen door Christus. Na zijn geboorte werden de herders omstraald door de Heerlijkheid des Heren. Zoals we telkens lezen in de Schrift, dat mensen bij de verschijning van die heerlijkheid vriezen, zo vreesden de herders ook. Maar de engel zei tot hen, dat ze niet moesten vrezen, want ze mochten blij zijn, want de Heiland was geboren. Die 'terecht later kon zeggen: "Ik ben het Licht der wereld".
Tot verlichting niet maar van het volk der Joden, maar van alle volken. Van Wie Simeon getuigde: Mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken, een licht voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël.
Zo wordt de Heiland ook genoemd in het begin van het Evangelie van Johannes. De doper was het licht niet, maar hij moest van het licht getuigen. Van Hem konden de apostelen getuigen: Hij heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Hij was het Licht, het vleesgeworden Woord, dat door de duisternis niet werd aanvaard. Men heeft de duisternis Liever gehad dan het Licht. Maar eens zal de duisternis worden verdreven. Tegenover de buitenste duisternis van de hel staat de uiterste heerlijkheid van het Licht, dat eeuwig schijnen zal voor hen, die het Licht hebben aangenomen.
Met het voorgaande zullen allen, die met het Evangelie bekend zijn, wel geen of weinig moeite hebben. Maar dat is mogelijk wel wat anders, als de Here Jezus van zijn leerlingen zegt: "Gij zijt het licht der wereld". En zó staat het er toch in Matth. 5 : 14. Er stonden om Hem heen de 12 discipelen. Maar niet zij alleen werden zo aangesproken, maar allen die de Herder wilden volgen. En dat waren voor het merendeel heel gewone mensen, Vissers, boeren, burgers en buitenlui, zoals wij dan zeggen. Ze zullen wel vreemd hebben opgekeken of opgehoord, toen ze deze woorden hoorden. Ze waren immers geen schriftgeleerden, De meesten zullen door die heren wel beschouwd zijn als "de schare, die de wet niet kent". Wat zou daarvan nu te verwachten zijn? Ze waren toch maar “leken"?
Dat mocht dan zo zijn naar het oordeel der Rabbijnen, maar toch is het waar. Allen, die Jezus volgen vormen het licht der wereld. Dat is een gave, Dat voorrecht geeft Jezus Christus aan die van 'Hem zijn. Uit zichzelf zijn ze duisternis. Maar geroepen uit de duisternis tot het wonderbare licht van het Koninkrijk Gods.
Ook onze voorouders waren blinde heidenen. Ze zijn door het Evangelie geroepen. En zo mogen wij licht zijn in de Here of door de Here. Hij wil ons dat geven. Het is een gave Gods. Maar tevens, zoals dat met alle gaven is, opgave. Dat blijkt zonneklaar uit het vervolg van Jezus' woorden: Laat dan uw licht schijnen voor de wereld. Schaamt u voor het Evangelie niet. We mogen en moeten het licht van het Evangelie laten schijnen in onze omgeving. Dát is het licht waardoor men getrokken kan worden. Opdat in dat licht onze goede werken mogen gezien worden. Dan is het voor de wereld duidelijk, dat die goede werken niet uit ons zijn, maar vrucht van Gods genade. Vruchten of gaven van de Geest van Christus. Niets om te roemen, alleen maar om dankbaar voor te zijn. Ook die goede werken zijn gaven. En tevens opgaven. We worden niet behouden om onze goede werken. Maar ook niet zonder.
Wee, als we aIleen maar zeggen: Here, Here. En niet doen de wil van onze hemelse Vader.
We zullen geoordeeld worden, ook naar wat wij gedaan hebben, het zij goed het zij kwaad. Dat mag ons vreemd in de oren klinken.
We boren het niet graag. Het is toch alles genade? Gewis, alle roem is uitgesloten. Maar Paulus is wel een goede leerling van z'n Meester ais hij schrijft in 11 Kor. S : 12: "Want wij moeten aIlen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage, wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad". Maakt ons dat niet angstig? Dat hoeft en mag niet. Maar wel mag dat ons prikkelen om enthousiast aan het werk te gaan. Om te ondervinden, dat Zijn juk zacht is en Zijn last licht. En dat Gods geboden niet zwaar zijn. Zo mogen en kunnen mensen van de wereld uit de duisternis worden getrokken, Opdat zij met de gemeente onze hemelse Vader verheerlijken. Door als ranken aan de Wijnstok veel vrucht te dragen. (Joh. 15). Want naar het woord van de Heiland wordt de Vader daardoor verheerlijkt. Daarin bestaat de werfkracht van de gemeente. Als dát ontbreekt mogen allerlei acties worden gevoerd. Ze zullen weinig of niets uithalen.
Heel het N.T. is vol van vermaningen, om in het licht van Christus te leven. Wandelen zegt de Schrift. Als de Heiland in Joh. 8 gezegd heeft dat Hij het licht der wereld is, dan vervolgt Hij: "Wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het Iioht des levens hebben". Daarin ligt een belofte, maar ook een opdracht.
We mógen het, maar we móeten het ook. In het gesprek met Nicodemus (Joh.3) heeft Hij gezegd: "Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen en de mensen de duisternis liever hebben gehad dan het licht, want hun werken waren boos. Want ieder die kwaad bedrijft haat het licht en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht opdat van zijn werken blijke, dat zij in God (in Zijn gemeenschap) gedaan zijn". Zolang we van de zonde onze praktijk maken zijn we Iichtschuw, maar als we de waarheid doen, oprecht God vrezen, dan schuwen we het licht niet. Zodat blijken mag, dat wat we doen geen werken der duisternis zijn, werken van ons vlees (de oude natuur), maar vruchten van de Geest.
De apostelen zijn het licht voor de wereld geweest en zijn het door hun geschriften nog. Ze zijn goede leerlingen van het Licht geweest.
Bijv. als Paulus in Rom. 13 schrijft: "Laten wij de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen van bet licht. Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar leven, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd. Maar doet de Here Jezus Christus aan (staat op als nieuwe mensen) en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt". Vlees staat tegenover de Geest. Werken der duisternis kunnen niet samengaan met werken, die het licht kunnen verdragen. In 11 Kor. 6 vraagt Paulus: "Wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met ongerechtigheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Welke overeenkomst is er tussen Christus en Belial? Of welk deel beeft een gelovige met een ongelovige? Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God...
Daar wij nu deze belonen hebben, lieve brs. en zrs., laten wij ons reinigen van álle bezoedeling van vlees en geest, en zo onze heiligheid volmaken in eerbied voor God". Ja, zo staat het er echt, onze heiligheid volmáken, omdat we God vrezen!
Van verschillende kanten hoor ik zeggen, dat er van dit alles in de gemeente weinig komt. En anderen beweren, dat het ook toch niet kan? We zijn toch zus en zo? 't ZaI ons allen wel bekend zijn welke verhalen er dan volgen. Waar haalt men dat toch vandaan? Zijn we dan geen kinderen van het licht? Aan de Thessalonicensen heeft wel het een en ander gemankeerd.
Maar als Paulus spreekt over de wederkomst van Christus, dan zegt hij, dat die dag hen niet als een dief zal overkomen. Want, zo staat het er "jullie brs. en zrs, bent allen kinderen des lichts. Laten we dan ook niet slapen. God heeft ons niet bestemd, om onder zijn toorn om te komen...
Hij heeft ons bestemd voor de zaligheid". 'k Zou zeggen: leest dat nog maar eens na en vermaant èn vertroost elkaar.