Enkele facetten van het begrip 'waarheid' in het Nieuwe Testament (2)
1983-10-14
Keren we nu terug naar de tekst die ons uitgangspunt vormde, 1 Joh. fd : 8) dan moeten we helaas constateren, dat ons onderzoek van de l!'n~ere teksten in deze brief waar sprake is van de waarheid ons in zeker opzicht misschien wel verhelderend is geweest, maar toch voor het verstaan van deze tekst geen uitkomst schijnt te brengen. De context - de pericoop 93 : 7-11 - vertoont nl. niet de typische elementen die we in de tot nu toe besproken schriftplaatsen vonden: er is hier geen uitgesproken of impliciete tegenstelling tot het begrip 'leugen' (bedrog) misleiding) valse leer, te constateren en van 'getuigen' of van een leed, is geen sprake. - Jaargang 27
- nummer 38
We zullen dus voor het vaststellen van de betekenis de 'waarheid' (of 'het ware') hier heeft nog verder moeten zoeken. Dat doende stiet ik op twee merkwaardige, onderling overeenkomende formuleringen in het evangelie van dezelfde apostel, nl. in 4 : 23, 24 en in 1 : 14-17.
Joh. 4 : 23. 24
De eerstgenoemde tekst maakt deel uit van het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw. Op haar vraag, of men nu in Jeruzalem dient te aanbidden of op de berg van Samaria, antwoordt Jezus: "De ure komt, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. God is geest; en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid". Let u even op de wijze van uitdrukken:
a) geest en waarheid
b) geest
c) geest en waarheid.
Allereerst merken we op, dat het bij 'geest' gaat om iets dat kenmerkend is voor God, iets waarmee God om 210 te zeggen te identificeren is: "God is geest", zo heet het hier. De identificatie van God met 'waarheid' daarentegen wordt hier nièt gemaakt. Er staat niet 'God is waarheid' of 'God is geest en waarheid'. Wat moet dan in de uitspraken waardoor de zin "God is geest" geflankeerd wordt de toevoeging "en waarheid"?
Om dat op het spoor te komen, moet men m.i, met name letten op het feit dat Jezus hier een onderscheid noemt tussen de oudtestamentische en de nieuwtestamentische situatie; en dat de nieuwtestamentische aanbidders gesierd woroen met het bijvoeglijk naamwoord 'waar'.
Nu correspondeert op het zelfstandig naamwoord 'waarheid' in de betekenis die we de vorige maal ontdekten soms ook ditzelfde bijvoeglijk naamwoord 'waar'. We komen dat bijvoorbeeld tegen in 19: 35 "En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd; en zijn getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij de waarheid spreekt". Daar betekent 'waar' (of 'waarachtig') zoveel als: in overeenstemming met de feiten; dus betrouwbaar.
(Vgl. ook Openb. 3 : 14 "Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige".) Een ander voorbeeld vinden we in Joh. 8 : 16 ",indien Ik al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig". Een oordeel van een rechter is 'waar(achtig)', als het gebaseerd is op de hem bekend geworden feiten. Hier betekent 'waar(achtig)' dus ongeveer hetzelfde als 'rechtvaardig'. Dat blijkt ook ten overvloede uit Openb. 16 : 7 "Ja, Heere God, almachtige, uw oordelen zijn waarachtlig en rechtvaardig".
Maar het is duidelijk, dat 'waar-(achtig)' hier in Joh. 4 : 23 anders is bedoeld. De betekenis wordt doorzichtig, als men eens kijkt naar Joh. 6 : 32, waar Jezus zegt: "Ik verzeker u, niet Mozes heeft 11 het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel. (33) Want het brood van God is: Hij die uit de hemel neerdaalt 1) en leven geeft aan de wereld". Die bepaling 'waar' herhaalt Jezus nog eens - in een iets gewijzigde vorm, maar zakelijk maakt dat geen verschilin v. 55 "want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank"; waarbij Hij nog eens terugkomt op de vergelijking met het brood van Mozes (v. 58): "Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald, veel beter dan 2) wat de vaderen aten: zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal in eeuwigheid leven".
Ook bier wordt een oud-testamentische situatie vergeleken. met een nieuwtestamentische: Jezus vergelijkt het brood dat Mozes de Israëlieten in de woestijn deed eten (het manna) met het brood dat Hij aandraagt (Zichzelf). En dat laatste, dat nieuwtestamentische brood noemt hij dan "het ware brood". Kennelijk betekent dat dus: het eigenlijke brood, dat wat pas helemaal -, dat wat pas ten volle brood kan heten; in tegenstelling tot de oudtestamentische 'schaduw', de provisorische uitbeelding van het echte brood dat nog komen moest.
In een vergelijkbare zin gebruikt ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën het woord 'waar', als hij in 8: 2 en 9 : 24 spreekt van "de ware tabernakel" of "het ware heiligdom" (nI. de hemel), waarin de nieuwtestamentische hogepriester (Ohristus) binnenging, in tegenstelling tot 'het aardse heiligdom, waarin de oudtestamentische priesters dienden.
Dezelfde tegenstelling tussen O.T. en N.T. ligt waarschijnlijk - ofschoon de tegenhanger niet met name genoemd wordt - ook achter het woord van Jezus uit Joh. 15 : 1 "Ik ben de ware wijnstok".
De oudtestamentische wijnstok is nl. Israël: Ps. 80: 9-16; Jer. 2: 21 (vgl. daarmee reeds Deut. 32 : 32, 33); Ezech. 15: 2-8, 19: 10-14; Hos. 10 : 1. 3) Vergelijken laat zich verder nog Luc. 16 : 11, waar overigens de tegenstelling niet loopt tussen O.T. en N.T., maar tussen het leven bier op aarde nu en het leven hiernamaals: "Indien gij dus niet getrouw geweest zijt ten aanzien van den onrechtvaardigen Mammon, wie zal u dan het ware goed toevertrouwen?".
Deze laatste tekst is - ofschoon hij niet helemaal valt binnen het kader van de eerder genoemde teksten - toch bijzonder dienstig: hij onderstreept nl. het feit dat 'waar' in zulke contexten gezegd wordt van iets dat rechtstreeks bij God vandaan komt.
Het ware brood is "het brood van Golf', Joh. 8: 33. En datzelfde geldt van de ware drank Cv. 55); dus uiteraard ook van de ware wijnstok (15: 1). De ware tabernakel is die "welke de Heere heeft opgericht, niet een mens", Hebr. 8 : 2 (vgl. ook in 9 : 24 "niet met handen gemaakt"). Het ware goed is wat ons streks wordt ter hand gesteld "in de eeuwige tenten", Luc. 16: 9; het zijn "de schatten in de hemel", Mt. 6 : 20. 4) Nu, als het bijvoeglijk naamwoord 'waar(achtig)' zo gebruikt wordt, nl. om het eigenlijke, het volle te karakteriseren dat God in de nieuwe bedeling in zijn Zoon, Jezus Christus, heeft doen komen, dan valt 'te verwachten, dat dit met het zelfstandig naamwoord 'waarheid' ook het geval zal zijn. Zeker dus in een tekst waarin naast het bijv. nmw. 'waar' in deze zin ook het zelfst. nmw. 'waarheid' wordt gebezigd, zoals in Joh. 4: 23, lijkt het mij juist aan 'waarheid' déze betekenis te hechten. Ik denk daarom, dat daar met 'waarheid' aan het voorafgaande 'geest' niet een inhoudelijk nieuw begrip wordt toegevoegd, maar dat daarmee 'geest' wordt gekarakteriseerd als het ware wezen van God, als het eigenlijke aan God, zoals zich dat pas in het N.T. ten volle manifesteert, 'terwijl het O.T. er nog slechts de vage contouren van te zien gaf.
Zonder twijfel ondervonden ook de oudtestamentische bidders de werking van den 'Geest'. Anders had David niet kunnen bidden: "Neem Uw Heiligen Geest niet van mij' '(Ps. 51: 13). Maar de binding aan die ene plaats, de tempel te Jeruzalem, duidde erop - evenals zoveel andere "bepalingen voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het herstel" (Hebr. 9 : 10)dat de Geest nog niet de volle armslag had. (Geheel in dezelfde lijn ligt het, als Paulus in 2 Cor. 3 : 17 zegt: "De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, is vrijheid". Hij schrijft dat aan het slot van een vergelijking tussen de oude bedeling, die hij kenmerkt als die van de letter die doodt, en de nieuwe bedeling, die hij beheerst ziet door "den Geest van den levenden God" Cv.3), die ook levend maakt (v. 6).) Pas in Christus krijgt de Geest de volle ruimte; dan vallen alle belemmerende bepalingen weg. In Hem is het uur der 'waarheid' aangebroken.)
Joh. 1 : 14·17
Een vrij zuivere parallel van de uitdrukkingswijze in Joh. 4 : 23, 24 vinden we in Joh. 1: 14-17. Daar wordt van het Woord gezegd: het is "vol van genade en waarheid" en dan vervolgt de evangelist 5) aldus:
"Immers uit zijn volheid hebben wij allen genade... 6) ontvangen.
Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen". Achtereenvolgens is er dus sprake van
a) genade en waarheid
b) genade
c) genade en waarheid.
Weer hetzelfde patroon dus als in 4: 23, 24. Er is trouwens ook een sterke innerlijke verwantschap met deze tekst aanwijsbaar. Om te beginnen gaat het ook hier over de vraag, wie en hoe God nu eigenlijk is. Dat blijkt uit de slotzin van dit gedeelte: "Niemand heeft ooit: God gezien; de eniggeboren Zoon... heeft Hem ons duidelijk gemaakt"
(v. 18). In de tweede plaats wordt er een vergelijking gemaakt tussen de oude en de nieuwe bedeling: de genade van Jezus Christus wordt geplaatst tegenover de wet van Mozes. En tenslotte: als men het wijdere tekstverband in rekening brengt, ziet men ook hier weer het bijv. nmw. 'waar(achtig)' opduiken, nl. in v. 9, waar sprake is van "het waarachtige licht". En dit staat hier kennelijk niet in tegenstelling tot 'een vals licht', 'een dwaallicht', maar betekent zoveel als: het volle licht, in onderscheiding van het zwakke schijnsel dat dit vooruitwierp. Ook het oudtestamentische woord Gods, zowel het scheppend woord van Gen. 1: 3 als het herscheppend ; woord, vanaf de Sinaï gesproken, was een licht (Ps. 119: 105). Maar de Heere voerde onder Israël, om zo te zeggen, nog dimlicht, Het volle licht: ontstak Hij pas in Jezus Christus. 7) Ook in deze tekst wil de toevoeging 'en waarheid' na 'genade' dunkt mij zeggen, dat in de genade het wezen van God echt onthuld wordt. In de genade die in Jezus Christus verschijnt toont God om zo te zeggen zijn ware gezicht. Niet als zou Hij in de mozaïsche wet Zich van een masker hebben voorzien, dat Hem onherkenbaar maakte.
Nee, God droeg onder de oude bedeling geen masker, maar wel had Hij zijn gelaat verhuld. En Jezus Christus doet pas uit de doeken, hoe genadig Gods aangezicht nu eigenlijk wel is (v. 18).
Noten:
1) Omdat 'brood' in het Grieks mannelijk is (niet onzijdig, zoals in het Nederlands) kan men deze laatste woorden ook zo opvatten: "het (brood) dat uit de hemel neerdaalt". Zo zullen blijkens de reactie in v. 34 de Joden Jezus' woord hebben verstaan.
2) De woorden die hier in de Griekse grondtekst staan ('oukathoos') betekenen letterlijk 'niet zoals' maar worden in het Grieks - evenals' andere verbindingen met 'oukata' - meermalen gebruikt in de zin van: 'wat nu volgt kan de vergelijking met het eerste niet doorstaan; het haalt daar niet bij'. Vandaar dus dat Ik voor de hier gegeven vertaling koos.
3) Behalve met een wijnstok wordt Israël ook wel vergeleken met een wijngaard: Jes. 5: 1-7; Jer. 12: 10.
4) Lang geleden wees Ik er al eens op, dat het nieuwtestamentische in tegenstelling tot het oudtestamentische in het N.T. nogal eens wordt aangeduid als 'hemels' tegenover 'aards' (Opbouw 3de jrg. blz. 283 en 289). In een later artikel heb Ik getracht aannemelijk te maken, dat de bepaling 'Gods' soms ook gebruikt wordt om het nieuwtestamentische aan te duiden (Opbouw 10de jrg. blz. 181 en 189). Bij het schrijven van laatstgenoemde artikelen rees al het vermoeden, dat ook 'waar' en 'waarheid' In deze zin worden gebruikt. Dat vermoeden is nu bevestigd. V. 15 onderbreekt even het betoog, om te verwijzen naar het getuigenis van Johannes den Doper. (Vergelijkbaar is wat er gebeurt in vv. 6-8!) V. 16 sluit dan ook niet aan bij v. 15, maar bij v. 14 wat ook duidelijk is te zien: het woord "volheid" (16) knoopt aan bij "vol" (14). M.t. zou men het
begrip van deze proloog (vv. 1-18)kunnen dienen door typografisch wat reliëf aan te brengen: door nl. de verzen 6-8 en v. 15 iets te laten inspringen.
Dit eenvoudige middel zou ook op andere plaatsen het verstaan van de bijbeltekst kunnen dienen.
6) Ik laat de moeilijk helemaal bevredigend te verklaren woorden "voor genade" (eigenlijk staat er "In plaats van genade") nu maar even weg.
7) Toch gaat het ten diepste om één en hetzelfde licht: dit waarachtige licht was degene door Wien toch ook de wereld van den beginne was gemaakt. Vgl. ook 2 Cor. 4 : 6.