Enkele facetten van het begrip 'waarheid' in het Nieuwe Testament (3)

1983-10-21
  • Jaargang 27
  • nummer 39
Oud en nieuw
Als we nu voor de tweede keer terugkeren naar 1 Joh. 2 : 8 (vgl. het begin van het tweede artikel), dan is dat met het vermoeden) dat we nu wel eens de sleutel tot het verstaan van deze tekst in handen konden hebben.

Immers: meteen valt op, dat dit vers - evenals de beide uit Johannes' evangelie besproken teksten (4: 23,24 en 1 : 14-17) - beheerst wordt door het onderscheid tussen oud en nieuw. Ditmaal wordt het oude gebod "dat gij van den beginne (vgl. 1: 1 en ook het evangelie 1: 1) gehad hebt" gesteld tegenover het nieuwe gebod.
Daar komt nog iets bij. Oppervlakkig gezien schijnt Johannes zichzelf tegen te spreken. Eerst zegt hij: het is geen nieuw gebod, dat ik geef, maar het oude. Dan: het is toch ook weer een nieuw gebod. Wel, dat was nu ook typerend voor die andere teksten waarin een zaak aanvullend als 'waarheid' werd gekwalificeerd. Miste Gods oudtestamentische wet het genadekarakter (Joh. 1: 17)? 8) Nee, maar Gods genade komt in Jezus Christus zo overweldigend uit, dat dáárbij vergeleken de wet van Mozes als genadeblijk in het niet zinkt. Ik moet hier opnieuw denken aan 2 Cor. 3, nu aan v. 10 "Immers zelfs hetgeen verheerlijkt was, is in zoverre niet verheerlijkt, als déze heerlijkheid het te boven gaat". En hetzelfde geldt t.a.v. Joh. 4: 23. Baden de oudtestamentische vromen “in geest'?
Ja; en toch ook: nee, als we hen met de gelovigen van de nieuwe dag vergelijken.
Al verder valt ook hier weer het woord 'waarachting)', als Johannes zijn nieuwe gebod motiveert. De woorden waarin dat laatste gebeurt stemmen bovendien overeen met die van Joh. 1 : 9 "het waarachtige licht schijnt nu"; woorden die we bij de bespreking van Joh. 1 : 14-17 reeds tegenkwamen. Al hebben we bier dus niet de merkwaardige opbouw van de twee uit het Johannesevangelie eerder besproken teksten, toch heb ik het vermoeden, dat ook hier 'waarheid' (of 'het ware') een ander begrip uit de context accentueert als wezenlijk voor God en pas in de nieuwe bedeling in volle duidelijkheid door Jezus Christus aan het licht gebracht. Als we dan de dingen nagaan waarvan Johannes in zijn brief zegt, dat 'in ons wonen' (zie het eerste artikel van deze reeks), dan gaan - gezien het verband - onze gedachten het eerst uit naar wat daar onder d is gerubriceerd: Gods liefde. Zie maar, wat volgt in VVo 10-17: wie in het waarachtige licht (Christus) wandelt heeft zijn broeder lief. De wereld daarentegen mogen wij niet liefhebben, want dan woont de liefde van den Vader niet in ons.
Bovendien is de liefde - juist als 'geest' in Joh. 4: 24 - iets waarmee God zelf zo naar waarheid getypeerd is, dat Hij ermee geïdentificeerd wordt: "God is liefde" schrijft Johannes verder op in deze zelfde brief (4 : 8). Ik ben dus geneigd onder "het ware dat in Hem en in ons is" te verstaan: de liefde Gods in Christus die ook in onze harten is uitgestort door den Heiligen Geest (Rom. 5 : 5). Als we het zo verstaan, valt ook te begrijpen, waarom Johannes van dit nieuwe gebod zegt, dat het toch eigenlijk al een oud gebod is.
Als nl. aan Jezus gevraagd wordt, wat het grote gebod is in de (oudtestamentische) wet, dan zegt Hij: “Gij zult den Heere, uw God, liefhebben..." en "Het tweede, daaraan gelijk, is: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet..." (Mt. 22 : 36-40). In dezelfde geest spreekt ook Paulus in Rom, 13: 8-10. Alleen: God bewees zijn liefde op een oneindig veel rijkere manier in het prijsgeven van zijn Zoon dan in de verlossing uit Egypte. Daarom klemt voor ons zijn liefde-eis ook veel sterker dan voor Israël.
Deze uitleg wordt ook treffend bevestigd door wat Johannes schrijft in zijn tweede brief, v. 5: “En nu vraag ik u, vrouwe, niet alsof ik u een nieuw gebod zou schrijven, maar hetgeen wij van den beginne gehad hebben: dat wij elkander liefhebben".

Gave en gebod
Intussen is er oog een probleem te bespreken, t.w. welke functie het zinnetje "het ware dat in Hem en in u is" nu in het verband heeft. Een aanwijzing voor de oplossing daarvan meen ik te vinden in de opbouw van het voorafgaande vers. Daar zegt Johannes:
a) dat het een oud gebod is wat hij neerschrijft,
b) wat dat gebod is
Ligt het niet voor de hand te vermoeden, dat de opbouw van v. 8 daarmee overeen zal stemmen?
Dan zou dus Johannes, na gezegd te hebben a) dat het een nieuw gebod is wat hij neerschrijft nu vervolgen met aan te geven b) wat dat gebod is.
Ik kan me voorstellen, dat we tegen die gedachte even steigeren: dat in het zinnetje "het ware dat in Hem en in ons is" (= de liefde Gods) een gebod zou kunnen zijn vervat. Gods liefde is immers een gave van Hem aan ons. Hoe kan die hier dan worden voorgesteld als een gebod van Hem aan ons?
Hier zou ik willen wijzen op Jac. 4 : 5 "Helemaal voor Zich all een 0) verlangt God den Geest dien Hij in ons deed wonen". God vraagt terug wat Hij eerst gaf. Hij wil uit ons hart naar buiten zien komen de liefde die Hijzelf daarin uitstortte. 10) En dan niet alleen naar Zichzelf toe, maar ook naar onzen broeder toe. Niemand kan God verwijten, dat Hij van ons verlangt wat wij niet kunnen opbrengen. Het enige immers wat Hij vraagt is wat Hijzelf eerst schonk. Zo simpel ligt dat.
Ja? Is dat werkelijk ZlO gemakkelijk? Ik denk zo, dat Johannes ons toch wel voor een overmoedige reactie (zo van 'maar dàt moet te doen zijn!') heeft willen behoeden door de merkwaardige formulering die hij k!iest. Hij schrijft niet kortweg 'het ware dat in u is', maar "het ware dat in Hem en in u is". Het is alsof hij ons wil inprenten: niet alleen als de liefde van God als geschenk tot ons komt, is Jezus Christus de tussenpersoon, maar ook als die liefde van ons terug moet komen, kan Christus als middelaar niet gemist worden.
Daarom eindigt hij dit hoofdstuk ook met de oproep: "En nu, kinderkens, blijft in Hem" (v. 28).
Wij hoorden vroeger, als er over de leer der schepping gesproken wero. ook het woord 'deïsten' vallen. Dat waren mensen die leerden, dat God de wereld had 'gestart', maar toen uit handen gegeven. De wereld, en met name de mens, moest nu verder zich maar zelf redden. 11) lik vrees soms, dat een parallelle misvatting ons parten speelt t.a.v. het werk der verlossing; en dan niet zozeer in theorie als wel in de praktijk.
Doen wij niet meermalen alsof wij als gelovigen nu toch wel zelf, en als vanzelf, de taak die God ons geeft aan moeten kunnen? Wordt er onder ons met betrekking tot het christelijk leven en handelen wel eens niet geredeneerd alsof we autark zijn? Ik heb folders in handen gehad van vrijgemaakte scholen waaruit een brutaal optimisme sprak, als zou het onderwijs nu gegarandeerd goed gaan, omdat het in handen was gelegd van louter ware kerkleden. En laten we nu niet 'van ons af kijken', maar ook onszelf de vraag stellen: zijn wij ons er voldoende van bewust, dat we zelfs die ogenschijnlijk simpele eis: 'teruggeven wat we gekregen hebben', niet kunnen volbrengen zonder de band met onzen Verlosser aan te houden in dagelijks bidden tot -, en luisteren naar Hem? Laten we Johannes' fijnzinnige formulering maar goed ter harte nemen: "in Hem en in ons". Eerst in Hem, dan in ons. Alleen door Hem in ons. Ook alleen door Hem uit ons terug.
Maar tegelijk mogen we ons ook door hem laten bemoedigen: hij durft - zo schrijft hij - die zware eis van de volmaakte liefde ons stellen, "omdat de duisternis wegtrekt en het volIe licht nu schijnt".


Noten:
8) Ik laat nu even in het midden wat hier onder "genade' nu precies is te verstaan. Zie daarover mljn artikelen In Opbouw 3de jrg. blz. m en 68. Het zal den lezer blijken, dat ik nu t.a.v. de betekenis van 'waarheid' in de onderhavige tekst tot een andere opvatting ben gekomen.

9) Eigenlijk staat er "jaloers". God duldt geen rivalen in zijn aanspraken op het mensenhart.

10) Zo stelt ook Paulus in 2 Cor. 8 : 7 de liefde die de Corinthiërs betonen voor als dezelfde die hij hun van Godswege geschonken heeft.

11) Dat deze opvatting nog niet dood is. kan b.v. blijken uU het artikel 'Nogmaal over de mens als beeld Gods' van Dr A. J. Nijk in het boek 'Wat dunkt u van de mens?', Kampen 1970, blz. 103-107. De exegetische enormiteiten waartoe 'de schrijver vervalt, worden overigens op de volgende blz. door Dr A. S. van der Woude kort weerlegd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief