Want déze God is onze God (slot)

1983-10-28
  • Jaargang 27
  • nummer 40
Wie God de HERE van harte belijdt als de Almachtige, moet er niet van opkijken wanneer hij in de praktijk van zijn leven op heel beklemmende vragen stuit. Die vragen zijn, om zo te zeggen, met de belijdenis van Gods almacht gegeven.
Een ongelovige kan het kwade dat hem treft nog enigszins relativeren met de gedachte: die dingen gebeuren nu eenmaal. Die speelruimte is er niet voor de gelovige die belijdt, dat hem niets kan overkomen bij toeval, maar alleen door de beschikking van zijn goedertieren Vader (art. 13 N.G.B.). Juist omdat hij erkent, dat Gods macht zich over heel het leven uitstrekt, komt op hem in alle hevigheid de vraag af: waarom moet ik dit allemaal doormaken?
Waarom neemt de HERE het lijden van die en die niet af? Waarom laat Hij het toe?

Als volharden in het geloof iets betekent, dan toch zeker dit, dat wij bij zulk soort vragen niet weglopen, maar ze neerleggen voor het aangezicht van de HERE. Vragen als: Waarom verbergt Gij uw aangezicht? Waarom vergeet Gij onze ellende en verdrukking?
Waarom,O God, verstoot Gij voor altijd, brandt uw toom tegen de schapen die Gij weidt? - u vindt ze niet voor niets in het gebedenboek van de Schrift: in de Psalmen.
Want dáár horen ze thuis. Niet in de eerste plaats in onze discussies, maar in onze gebeden.
Een christen hoeft de vragen die op hem afkomen niet te omzeilen: hij mag ze in volstrekte openheid uitspreken voor de HERE.

Toch moeten we erkennen, dat ook bij ons de neiging bestaat om de vragen die ons kwellen wèl uit de weg te gaan. En sommigen gaan zelfs zover, dat zij achter Gods almacht een vraagteken plaatsen en vluchten in de belijdenis van Gods onmacht. God moet oók maar machteloos toezien hoe de mens zijn schepping ruïneert, hoor je dan. Het enige wat Hij voor de mens kan doen is meelijden met de lijdenden. In plaats van God te belijden als de Almachtige, belijdt men Hem als de onmachtige. En voor die gedachtesprong beroept men zich dan ook nog op het centrum van het Evangelie: het kruis. Op Golgotha, zo zegt men, heeft God zich in Christus geopenbaard als de onmachtige, als degene die heeft moeten buigen voor de kwaadaardigheid van de mens. Van die onmacht moeten wij het hebben, niet van Gods almacht.

Op het eerste gehoor zit daar wel iets in. Aan het kruis liet de Here zich toch verdrukken, zonder dat Hij zijn mond opendeed? En toch worden we via deze weg in de ban van 'n valse tegenstelling gebracht. Het lijden van de Zoon wordt hier namelijk gebruikt om de almacht van de Vader uit zijn voegen te lichten.

Wie echter onverkort wil vasthouden aan de belijdenis, dat "Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte die ter rechterhand Gods is" (Rom. 8:34).
die zal hebben te buigen voor de almaoht van de Vader, en niet minder voor de almacht van de Zoon. Want het is toch opmerkelijk, dat wij in het eerste hoofdstuk van Openbaring eerst uit de mond van God de Vader horen: "Ik ben de alfa en de omega" (vs. 8) en even daarna uit de mond van Jezus Christus: “Ik ben de eerste en de laatste" (vs. 18). Wat de Hem verleende macht betreft, presenteert Christus zich op precies dezelfde wijze als zijn Vader al had gedaan onder het oude verbond (zie Jes. 41 : 4; 44: 6; 48: 12).

Eén ding mag ons daarbij niet ontgaan. Als Jezus Christus zich openbaart in zijn almacht, raakt het kruis daardoor nooit op de achtergrond. "Ik ben de eerste en de laatste en de levende, en Ik ben dóód geweest ... " Dat is een doorgaande lijn in heel het laatste Bijbelboek Zo lezen we dat Johannes de Heiland in zijn heerlijkheid heeft gezien "als een lam, staande als geslacht" (Openb. 5 : 6). En even verder tekent hij op: "Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte..." (Openb. 5: 12). Alle macht in hemel en op aarde is gegeven aan de Gekruisigde!

Deze macht vindt zijn zwaartepunt in de zeggenschap over de dood. "Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk". Christus' macht strekt zich niet enkel uit over de levenden, maar ook over hen die' gestorven zijn. Hij is bij machte om de poorten van het dodenrijk te openen voor hen diè geroepen zijn tot het eeuwige leven; Hij is ook bij machte die voor goed te sluiten voor hen die geweigerd hebben om te leven uit genade. Die ontzagwekkende bevoegdheid heeft de Here van zijn Vafer ontvangen.

Het visioen, waarin Christus zich heeft geopenbaard, heeft op Johannes een verpletterende indruk gemaakt. Toen deze Hem zag, viel hij als dood voor zijn voeten.
Maar dan is er dat gebaar, dat vertrouwen wil wekken. Jezus Christus legt zijn rechterhand op hem en zegt: Vrees niet! Die woorden mogen we nooit vergeten. Ze vormen de onmisbare toeleiding tot het woord waarmee Christus zijn almacht afkondigt. Ze herinneren ons aan de storm op het meer. Ook toen die stem tot de verbijsterde discipelen: Ik ben het; vrees niet!

Iemand die op aarde over macht beschikt, wordt als regel door zijn medemensen angstvallig in de gaten gehouden. Niet ten onrechte. Wie macht bezit wordt zomaar van macht bezeten. Alles hangt ervan af of de macht in vertrouwde handen terecht komt.

De macht die aan Christus geschonken is, is bij Hem volstrekt veilig. Want voor Hij die macht aanvaardde heeft Hij zich vernederd en is Hij gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. Dáárom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken" (Filipp. 2 : 8, 9). Eens en voor altijd is de almacht van Jezus Christus verbonden met zijn vernedering aan het kruis. Het kruis en de macht: ze sluiten elkaar niet uit, maar zijn op elkaar betrokken.

Op Gods almacht in Christus houdt een mens alleen dàn het rechte zicht, wanneer hij bereid is om, met verloochening van zichzelf, zijn kruis op zich te nemen en de Gekruisigde te volgen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief