Liefde

1983-11-04
  • Jaargang 27
  • nummer 41
In de Schrift is sprake van de liefde van God tot de mensen en van de liefde van mensen tot God en tot elkander. Om met het eerste te beginnen: Gods liefde tot de mensenwereld is heel anders dan de natuurlijke liefde van de mensen. De natuurlijke liefde richt zich op een ander, van wie we denken dat hij of zij die liefde waard is. Het voorwerp van die liefde moet aantrekkelijk zijn, mooi of knap of liefelijk enz. Maar het wonderlijke van de liefde van God is, dat zij zich richt op de mensenwereld, die dit helemaal niet waard is. Denk maar aan Joh. 3 : 16. Zo lief heeft God de mensenwereld gehad. Die mensenwereld heeft God helemaal niet lief. Dat heeft ze getoond, door Jezus Christus aan het kruis te nagelen. In Hem heeft God zijn genade ten toon gesteld. Maar Joden èn heidenen hebben geschreeuwd: Weg met hem. En voor zulk een mensenwereld heeft God zijn Zoon overgegeven tot de smadelijke en smartelijke dood.

Onder de oude bedeling heeft God het volk Israël liefgehad en verkoren.
Wat hetzelfde betekent. De andere volken is Hij voorbijgegaan. Dat noemt het O.T. haten. Dat betekent daar vaak: op de tweede plaats stellen. Zo staat er, dat Jakob Rachel liefhad en Lea bij haar achterstelde. Hij had haar minder lief dan de eerste. Tussen haakjes: als er staat dat God Jakob heeft liefgehad en Ezau gehaat (Maleachi 1), dan heeft het daar wel de betekenis van verwerpen, een afkeer hebben van. Maar in die tekst hebben we het woord Ezau te verstaan als een aanduiding voor het volk uit Ezau gesproten, Edom. Dat is duidelijk uit het vervolg, waar de HERE zegt: "Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen der woestijn prijsgegeven". En in vs. 4 wordt dan ook van Edom gesproken. Er is dan ook geen sprake van dat God in een eeuwig besluit Ezau al zou hebben verworpen. De tekst in Maleachi kan daarvoor zeker als bewijs met gelden,

De liefde toten de verkiezing van het oude volk Israël was bestemd om zich uit te breiden tot alle volken. In Abraham zouden alle geslachten der aarde gezegend worden. Daarom kan Paulus ook aan Titus schrijven in 2: 11 "Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor álle mensen... “. Die liefde van God is niet te beredeneren.
Wordt ook in de Schrift niet verklaard. Oude verklaarders zeggen het wel zo: Hij nam redenen uit Zichzelf. Wat de zaak niet duidelijker maakt. We zouden kunnen zeggen: Hij had lief, omdat dit Gods wezen is. Er staat dan ook in 1 Joh. 4: "God is Liefde". Die gaat uit naar zondaars. Jezus Christus is dan ook aan tollenaars, hoeren enz. niet voorbijgegaan, God toont zich in de Here Jezus als Redder van goddelozen. Hij verwerpt alleen wie Hém verwerpen. Hij haat wie Hém haten. Maar er staat nergens dat God haat is. Hij wil niet, dat één mens verloren gaat. Hij wil dat zondaren zich bekeren en leven in de volle zin van het woord. En voor eeuwig behouden worden. Dat allen behouden zuilen worden leert het Evangelie niet. Maar dat ligt niet aan God of aan zijn gebrekkige liefde. Maar dat ligt aan de onwil der geroepenen.
Zoals de Here Jezus heeft geklaagd over Jeruzalem: Ik heb uw kinderen geroepen, maar zij hebben niet gewild.

Ik hoop, dat niemand van ons twijfelt aan de liefde van God tot ons.
Hij heeft de mensenwereld liefgehad en heeft ook elk lid daarvan lief. Zodat we in geloof mogen doen wat Luther deed. Hij voegde zijn naam in en zei: God heeft mij, Maarten Luther lief. Meer moeite hebben sommigen mogelijk met onze liefde tot God en tot onze naasten. In twee zinnen heeft de Here Jezus de Wet samengevat: "Gij zult liefhebben de HERE uw God met geheel uw hart ... en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf". Is dat gebod niet zwaar en is dat wel een lichte last? In m'n pastorale praktijk heb ik gemerkt en merk ik nog, dat veel kerkmensen daarmee zitten. Men heeft mij wel eens gevraagd: Zijn wij wel in staat om God en de naaste lief te hebben? Daarop is het antwoord nogal duidelijk: Van nature, als wij onze oude mens gehoorzamen dan zeker niet. Maar daarmee is niet alles gezegd.
Daaraan mogen en moeten we toevoegen: Als we geloven, dat God ons heeft liefgehad en nog liefheeft, dan wekt die liefde van God tot ons onze liefde tot Hem en de naaste op. Maar, zo vroeg men, wel eens verder: Moet daartoe de liefde van God niet in onze harten uitgestort worden? Zo staat het toch in Rom. 5: 5. Inderdaad zo staat het er. En dat moeten we zo laten staan. Maar niet misverstaan. Het is niet een geheimzinnige belevenis, een soort injectie, die buiten onze wil en ons geloof omgaat. En waarop wij moeten wachten.
In m'n proefschrift stond deze stelling: "In Rom. 5 : 5 moeten we bij de uitstorting van de liefde Gods in onze harten ... denken aan de gave van het geloof." Waaraan ik nu zou toevoegen "gave èn opgave". Gods liefde stort zich uit door Woord en Geest. Dat treft ons hart. En als we gelovig die liefde aanvaarden, dan zijn we daarvan vol. En dan kan het niet anders of wij worden gedrongen om God en de naaste lief te hebben. Dat is dan ons antwoord. God laat een mens de vrijheid de Geest te weerstaan. En Gods liefde te verwerpen.
Hij dringt Zijn liefde ons op zou ik willen zeggen, door het Woord en de Geest. Maar Hij dwingt niemand. Maar als we door die drang van het Evangelie tot geloof komen, dan werkt God met het geloof ook de hoop en de liefde. Zoals Paulus ergens zegt, dat "het geloof door de liefde werkt".

Men heeft gezegd, dat liefde zich niet laat bevelen. Het zou geen vermaan of aansporing nodig hebben. Maar dat is met onze liefde zeker wèl het geval. In 1 Joh. 5 kunnen we lezen: "Dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden bewaren".
En ergens staat, dat liefde de vervulling van de wet is. In 1 Kor. 12 vs 31 vermaant Paulus: "Streeft naar de hoogste gaven". De allerhoogste gave van de Geest is liefde. Daarnaar zullen we in de eerst plaats streven. We zouden ook wel kunnen zeggen: we moeten er naar jagen. Ons ervoor beijveren. Het staat er, zoals ik nu zie, in 1 Kor. 14 vs. 1: "Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven van de Geest". Altijd gaan ze weer samen: gaven èn opgaven, beloften èn eisen. We moeten ons opbouwen in de liefde, erin groeien, er overvloedig in zijn. Elkander er door dienen. En de grootste in het Koninkrijk der hemelen is niet hij, die heerst, maar die dient. Gelukkig maar, want zo kan èlk lid van de gemeente er aan mee doen.

F. J. Pop schrijft in zijn boek "Bijbelse woorden en hun geheim" dl. 1, 135: "De liefde van God (zelfst. nmw.) wordt slechts vier keer vermeld, zijn liefhebben (werkwoord) daarentegen 32 keer. Deze voorkeur voor het werkwoord is typisch Israëlitisch. In Israël houdt men niet van abstracte begrippen, maar activiteiten. De nadruk ligt op wat gebéurt, niet op wat is. De aandacht is meer gericht op wat God dóét (zijn handelen in de geschiedenis) dan op wat verborgen in zijn hart aanwezig kan zijn". Dat is m.i. juist. Ik zou zeggen, dat is bijbels. En dat geldt niet alleen van de liefde van God tot ons, maar ook van de liefde van ons tot God. Dat is niet een vaag gevoel of wazige mystiek. Maar het is de bron van liefdedaden. Wie liefheeft denkt niet aan zichzelf, maar aan de ander. Liefde geeft zich, wil de minste zijn en dient. In Rom. 14 heeft Paulus het over het eten van vlees of van plantaardig voedsel. Dat was een kwestie tussen christenen uit de heidenen en uit de joden.
Dan schrijft hij in vs. 15: Als uw broeder door iets dat gij eet ten val komt, tot zonde wordt verleid, dan leeft gij niet naar de eis der liefde. Want de Liefde doet de naaste geen kwaad, doch alleen maar goed. Ze dóet wat.
Het is wel een goede zaak dunkt mij, dat in de samenkomst van de gemeente ook soms in plaats van de 10 geboden 1 Kor. 13 werd voorgelezen. Als regel om naar te leven. Het is m.i. één van de vele hoofdstukken, die in brede kringen van het kerkvolk vergeten worden.
Of aan de kant geschoven worden met de opmerking, dat hiervan toch maar weinig komt en komen kán. Wat per se niet waar is. Ik lees het tenminste nergens. Ook dit hoofdstuk behoort tot de lichte last van onze Heiland.

Het woord, dat in het N.T. voor ons woord liefde wordt gebruikt, kwam in de Griekse litteratuur weinig voor. Daar gebruikte men het Woord,dat wij nog vinden in ons woord erotisch. Eros was de god van de liefde. Dat zouden we kunnen noemen de natuurlijke liefde. Dat was o.a. de liefde tussen man en vrouw. In ons gebruik denken we dan vooral aan seksualiteit. In een woordenboek vond ik voor erotiek maar één betekenis: seks. Dat woord kent iedereen.
In het N.T. komt voor liefde een woord voor, dat in het gewone Grieks zelden werd gebruikt. Mogelijk hebt 'ge het wel eens horen noemen: agapè. Het werd ook gebruikt voor de zogenaamde liefdemaaltijd, die aan het Avondmaal was verbonden. De natuurlijke liefde en vooral de seksuele is niet onbaatzuchtig, niet belangeloos. Ze eist vaak meer dan ze geeft. Ze dient zichzelf meer en eerder dan dat ze de ander dient. Maar de liefde van God tot ons is onbaatzuchtig en belangeloos. Ze eist om te beginnen niet, maar geeft. Johannes zegt in cap. 15: "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden".
Dat heeft onze Heiland gedaan.
En hij zegt tot z'n volgelingen: "Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet wat Ik u gebied... Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt". Wee als brs. en zrs. elkaar bijten en vereten. Gal. 5 : 15.

Tenslotte: De voornaamste gaven zijn nu geloof, hoop en liefde. Geloof en hoop zullen eens niet meer zijn. Maar de liefde vergaat nimmermeer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief