Prediking een groot obstakel (Trouw)
1983-11-11
Het is wat vermoeiend om betogen aan te horen waarin bezwaren tegen de prediking in onze kerken worden geuit, zonder dat deze duidelijk en CONCREET worden aangegeven.- Jaargang 27
- nummer 42
Wat moeten we aan met een bewering dat in onze kerken gepreekt wordt op een manier, zoals dat gebeurde vijf en vijftig jaar geleden in de toen nog ongedeelde gereformeerde kerken. Is dit het resultaat van een grondig onderzoek van de prediking in de diverse kerken binnen ons verband? Graag zou ik een rapport over deze zaak willen inzien.
Zelf beschik ik niet over de nodige gegevens.
Het wil mij voorkomen dat er moeilijk te spreken valt over "de" prediking in onze kerken.
De ouderen onder onze predikanten hebben doorgaans hun opleiding gehad in Kampen; een groeiend aantal jongeren in Apeldoorn.
De opleiding is van invloed op de prediking en aangezien het overgrote deel van onze studenten in Apeldoorn studeren, zou men toch enig vertrouwen voor de toekomst mogen verwachten. Wanneer ik zo hier en daar het oor te luisteren leg, krijg ik de indruk dat er onder ons nog al wat variatie in de prediking is. Het gaat daarbij niet om de verscheidenheid in gaven bij de dienaren van het Woord, maar om de inhoud van de prediking. De moeilijkheid is weer, dat ook binnen de Christ. Geref. Kerken geen eenheid in deze voor de kerken zo belangrijke dienst is.
In het rapport van de Christ. Geref. deputaten staat hierover te lezen: "Wat in de bezwaren naar voren wordt gebracht ligt niet alleen tussen de Chr. Geref. en de Ned. Gerei. Kerken, maar ook binnen de Chr. Geref. Kerken zelf" . Kom hier nu maar eens uit!
Toch wil ik een poging wagen iets van de moeite boven water te brengen.
In de Chr. Geref. Kerken is de invloed van de nadere reformatie altijd groot geweest. In de zeventiende eeuw, al in de dagen van Voetius kwam genoemde stroming' op, in reactie op allerlei veruitwendiging en verwereldlijking in de gereformeerde kerken. Sterke nadruk werd gelegd op de wedergeboorte en de bekering, de heiligmaking en een bevindelijk geloofsleven. Jodocus van Lodenstein, de dichter van het lied: 't Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet ..." had veel invloed in deze kringen evenals de bekende Wilhelmus à Brakel.
De invloed van deze wat piëtistische richting deed zich ook sterk gelden in de dagen van de Afscheiding en, in mindere mate, bij de Doleantie.
In de bevindelijke prediking in deze kringen werd veel aandacht gegeven aan de worsteling van de ziel met God en aan het werk van 'de Geest in de mens; de geboorte van Christus in het hart. Ik meen niemand onrecht te doen, wanneer ik zeg dat men in de Christ. Geref. Kerken gesteld is op' een bevindelijke prediking en dat is, bij alle verscheidenheid die daar is, toch steeds op te merken. Van invloed op die prediking is de gemeentebeschouwing - er zijn tweeërlei kinderen van het verbond - en een sterke nadruk op de toe-eigening van het heil.
In de kerken van de Vrijmaking heeft de nadere reformatie niet zoveel krediet gehad en stond de doorgaande reformatie in het centrum van de aandacht.
Met doorgaande reformatie bedoel ik nu niet het streven naar allerlei vrijgemaakte organisaties, want dat is geen reformatie maar restauratie.
Het gaat mij nu om de herbezinning in de Geref. Kerken in de dertiger jaren. Mannen als K. Schilder, S. G. de Graaf, D. Th. Vollen hoven e.a. zetten zich aan de uitbouw van de erfenis van de vaderen.
Men greep daarbij beslist niet terug op de nadere reformatie; integendeel; nog hoor ik K. Schilder in een preek het lied "Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet" op de hem eigen wijze als onschriftuurlijk afwijzen. S. G. de Graaf werd niet moede om steeds weer te wijzen op de doorwerking van Gods genade in deze wereld en dit leven.
Men keerde zich soms wat ongenuanceerd tegen alles wat "mystiek" geacht werd.
Voor de prediking betekende dit dat de boodschap van het werk van God in Jezus Christus, zijn komen in de geschiedenis van deze wereld centraal kwam te staan.
Door velen is dit ervaren als een vernieuwing van de prediking, waarin nog al eens de slechte of vrome christen centraal stond, terwijl in de Schrift allerlei voorbeelden van christelijke levenswandel werden gezocht. In die tijd schreef De Graaf zijn "Verbondsgeschiedenis" en vroegen Schilder en Holwerda aandacht voor de heilshistorie in de prediking. De ouderen onder ons herinneren zich deze dagen als een lentetijd in het kerkelijk leven toen mannen als C. Veenhof, M. B. van 't Veer, B. Holwerda, E. Th. v. d. Bom en anderen ons de Schriften nieuw leerden verstaan Dit alles heeft grote invloed gehad in de vrijgemaakte kerken.
Soms vraag je je af wat daar nog van over is zowel binnen als buiten verband.
Nu weet ik wel dat Schilder en De Graaf mensen van hun tijd waren met hun beperkingen en dat er ook anderen waren (Van Ruller, Noordmans b.v.) die hun ontdekkingen in de Schrift deden.
We moeten ons er dan ook voor wachten dat we wat in de dertiger [aren gebeurde gaan canoniseren. We moeten niet alleen bewaren, maar ook uitbouwen in kritische sympathie. In de grote lijn horen we in een prediking, beïnvloed door de doorgaande reformatie de boodschap van de werken Gods in Jezus Christus in de geschiedenis van zijn verbond met Israël en de vervulling van zijn beloften in het werk van de Heiland op aarde en in de voortgang van het heil door de Geest.
Aan de verkondiging van die grote daden waarin het heil werkelijkheid (de enige) wordt,grijpt zich het geloof vast en komt tot zekerheid.
Aan de vertroosting van heel Gods volk, hangt de troost voor ieder persoonlijk. In het grote werk van God krijgt ons kleine leven een plaats bij de vervulling van de beloften. Aan eenzijdigheden is men ook in de dertiger jaren niet ontkomen.
Bij de nadruk op Gods genade in de herschepping van het leven op aarde is de vreemdelingschap wel eens wat in gedrang gekomen en in reactie op de "mystiek" aan het werk van de Geest in het hart te weinig aandacht gegeven.
Wanneer de kritiek op de prediking in onze kerken zou inhouden dat wij deze "erfenis" (verbond- en heilsgeschiedenis) zouden moeten inleveren dan moet in alle duidelijkheid gezegd worden dat dit te veel gevraagd zou zijn.