Bewerken en Bewaren
1983-11-11
Bewerken en Bewaren - Jaargang 27
- nummer 42
Studies aangeboden aan Prof. dr K. Runia - vijf en twintig jaar na zijn inauguratie als hoogleraar in de theologie te Geelong, Australië.
Uitgave van J. H. Kok te Kampen - 180 pag., f 32,50.
Vrienden en collega's van de Kamper homileticus hebben ter gelegenheid van zijn zilveren hoogleraarsjubileum in 1982 deze bundel samengesteld. Er zijn in dit boek eigenlijk drie delen te onderscheiden nl.: Kerk en theologie; de reformatorische oecumenische beweging en de christelijke organisatie.
Enkele opstellen zijn in het engels geschreven, maar worden direct gevolgd door een Nederlandse samenvatting. De medewerkers zijn: Gerben Heitink, Jaap H. van der Laan, Johannes C. de Moor, Herman N. Ridderbos, Kor A. Schippers, Jan Veenhof. Alexander Barkley, Paul G. Schrotenboer, Jacob Klapwijk, Jan Plomp en Ype Schaaf.
Het is een illustere rij! Uiteraard kunnen we in deze boekbespreking niet alle bijdragen releveren.
We zullen daarom moeten volstaan met het belichten van enkele facetten zoals die ons bij lezing en bestudering hebben getroffen. Dr Heitink behandelt een hoofdstuk uit de geschiedenis van het gereformeerde diaconaat onder de titel: De armen hebt gij altijd bij u. Hij gaat daarbij nader in op de ingrijpende ontwikkeling, die zich ten aanzien van de bediening van het diakenambt in de loop der jaren heeft voorgedaan. Hij constateert terecht, dat binnen de diaconie het accent verlegd is van het helpen námens de gemeente naar het stimuleren vàn de gemeente.
Al geef ik toe, dat in het verleden teveel het principe van de christelijke barmhartigheid in dit kader werd benadrukt terwijl men geen oog bleek te hebben voor het recht der armen, toch houd ik moeite met de principiële onderbouw van de ommezwaai wals die zich in de gereformeerde kerken via de gen. synode van Leeuwarden 1955 voltrok. De aanvaarding van overheidssteun ligt voor mij meer op het vlak van de praktische noodzaak vanwege de huidige constellatie van de maatschappij dan dat ik haar bejubel in verband met de vervulling van een principiële roeping van de zijde van de overheid. Overigens brengt Heitink een bepaald spanningsveld goed in beeld! De kerk "als instituut" is het thema van het onderwerp, dat Prof. Herman Ridderbos aansnijdt. In een boeiende stijl zoals wij dat van hem gewend zijn, gaat de bekwame Nieuwtestamenticus nader in op de institutionele elementen in de opbouw van de gemeente. In deze tijd spelen velen de kerk als organisme tegen te kerk als instituut uit en gaan daarin verder dan Abraham Kuyper ooit bedoeld heeft. Het institutionele staat niet tegenover het spirituele. Een dergelijke gedachte is niet af te leiden uit de bijbelse grondstructuren, maar komt uit een andere, een vreemde bron voort. Ik geef een citaat. "Zo min men het charismatische werk van de Geest mag beperken tot "ongewone", spectaculaire krachten of zelfs extatische bewustzijnstoestanden, zo min kan men ook op grond van het bijbelse kerkbegrip het institutaire element in de kerkopbouw, de "vaste" ambten, de binding aan bepaalde regels etc.
als van een lagere, ongeestelijke orde beschouwen in tegenstelling met de "niet gebonden", spontane initiatieven, die de Geest oproept wanneer en waar Hij wil." (pag. 51).
In deze tijd van voortgaande devaluatie van het ambt is het goed kennis te nemen van de evenwichtige opmerkingen, die Ridderbos in zijn bijdrage lanceert.
Gemeente en ambt kunnen niet buiten elkaar. Al komt het ambt niet uit de gemeente op, maar is het een gave van boven, dat neemt niet weg, dat niemand in de gemeente enig ambtelijk gezag kan bekleden als hij daartoe niet eerst door de gemeente zelf is aangewezen.
(p. 54). De krachtige werking van het gezag hangt samen met de duidelijke overeenstemming met het Woord van Christus. De Zender moet zichtbaar worden in de door Hem gezondenen! Ridderbos acht het op geen enkele manier te motiveren wanneer men stelt, dat het tot de taak van het kerkelijk instituut zou behoren om als een soort "derde macht" politiek en maatschappij op allerlei wijze met zijn uitspraken te begeleiden en dat dan als het "spreken der kerk" aanmerkt. Maar dat betekent vervolgens niet, dat het kerkelijk instituut indirect geen grote invloed kan uitoefenen op de samenleving nl. door de gemeente alert en mobiel te maken voor haar taak in de wereld (p. 57). Het hele betoog van Ridderbos is zó instruerend, dat het zonder meer de moeite waard is ervan kennis te nemen. Een interessante bijdrage van Prof. J. Veenhof handelt over de gereformeerde prediking rondom de eeuwwisseling. Hij acht daarvoor de prediking van P. A.E. Sillevis Smitt (1867-1918) representatief. "Preken. weerspiegelen geloofsbeleving en geloofsbezinning.
De preken van Sillevis Smitt verwoorden de spiritualiteit van ons eigen voorgeslacht en de reflectie daarop." (p. 76). De preken van Sillevis Smitt, die maar kort hoogleraar in de ambtelijke vakken (destijds betiteld als de "diaconologische vakken") is geweest, hebben een apart stempel gezet op de toenmalige generatie. De begaafde prediker was een dankbare leerling van Kuyper en voelde zich verwant met H. Bavinck.
Veenhof geeft een weergave van de hoofdmomenten van de prediking van Sillevis Smitt. De keuze viel op twee bundels: "Uit de springader Israëls" en "Paulus in Filippi".
De Amsterdamse homileticus van het begin van de twintigste eeuw wist in welsprekende taal en bewogen woorden het werk van Christus samen te vatten. Eén voorbeeld moge tot nadere illustratie daarvan dienen: "Een werk, zóó groot, zóó volmaakt, zóó onvernietigbaar,zóó duurzaam, zóó in alle delen aangelegd ook op de nooden der ziele, en daarom zóó troostvol, dat ge het in zijn volheid nimmer geheel zoudt kunnen vatten. Bij dage kan het u bezighouden en leiden en verrukken bij uw werk; bij nachte mag het nog de stille verkwikking uwer vermoeide ziel zijn. Een werk, dat ingrijpt in den hemel, en doordringt tot de hel. Het verbaast de engelen, het verplettert de duivelen, het vernieuwt de wereld, en het bereidt elken uitverkorene tot den Dag der dagen, volkomen gerechtvaardigd, geheiligd, gezaligd, verheerlijkt ..." (p. 81). Zo preekt er onder ons niemand meer! Maar is het niet leerzaam van één en ander nader kennis te nemen?!
De homiletiek is niet bij ons begonnen en de prediking is niet ons eigentijds privilege.
Dan blijven er wel vragen over betreffende het aandringen op zelfonderzoek zoals dat bij Sillevis Smitt samenhing met zijn visie op wedergeboorte en geloof. Hij heeft trouwens zèlf ook wel de gevaren van een zelfanalyse onderkend.
Maar dat neemt niet weg, dat in genoemde prekenbundels waardevolle schatten liggen opgetast. En het is een goed ding, dat Prof. J. Veenhof ons deze schatkamer op een fijnzinnige manier heeft binnengeleid. Wanneer de auteur van de onderhavige studie aan het slot in een terugblikkende bezinning vanuit en met het oog op het heden de balans opmaakt merkt hij op: "Meermalen spreekt Sillevis Smitt indringend en concreet over het sterven en de dood.
De verwijzing naar de eeuwigheid wordt intussen enigermate problematisch, wanneer zij moet dienen om het verschil tussen rijk en arm te relativeren. Sillevis Smitt beweegt zich hier in de lijn van antwoord 27 van de Heidelbergse Catechismus, waarin ook van rijkdom en armoede gezegd wordt, dat ze uit Gods vaderlijke hand ons toekomen. Vele christenen van nu zien in, dat zeker rijke mensen een dergelijke verklaring niet als hun credo in de mond mogen nemen." (p. 93, 94). De laatste zin roept bij mij kritiek op. Ik zie niet in waarom rijke mensen (vandaag) dit niet (meer) kunnen belijden.
Geldt deze confessie niet voor de héle kerk?! En dient niet iedere gelovige deze woorden via een toepassing op eigen leven voor zijn rekening te nemen?! Juist wanneer de rijke ook thans beseft, dat hij zijn overvloed niet aan zichzèlf te danken heeft, zal hij daarin de hand van God erkennen en met zijn bezit de ander in de wereld in liefde dienen. Maar deze kritische notitie aan het slot doet niets af van mijn diepe waardering voor wat Veenhof naar voren heeft gebracht. Wij willen het hierbij laten.
De hele bundel biedt veel wat onze kennis vermeerderen kan als men tenminste bereid is ervoor te gaan zitten. Wij feliciteren Prof. dr Klaas Runia en degenen, die de diverse opstellen geschreven. hebben, heel hartelijk met dit resultaat en wensen dit voorname boekwerk, dat door Kok op een keurige wijze werd uitgegeven, graag een ruime lezerskring toe!