Romeinen 8: 26, 27 (2)

1976-11-12
  • Jaargang 20
  • nummer 44
De dichter van Ps. 73 "zag met nijdige ogen aan, hoe dwazen hier op rozen gaan en hoe goddelozen in hun gangen al veeltijds rust en vree erlangen", maar, zegt hij, "mijn voeten waren, in mijn leed, schier uitgeweken en mijn treen van 't spoor der godsvrucht afgegleen".
En dat ondanks dat zijn ziel het weet: "hoe donker ooit Gods weg moog wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen".
Neem Petrus, die zich door den Here Jezus hoort zeggen: "Ik zeg u (Petrus: toen gij jonger waart omgord et gij uzelf en gij gingt, waar gij wildet, maar wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen, waar gij niet wilt" (Joh. 2: 1 18) Dacht u, dat Petrus op zijn oude dag Hoera! riep, toen de woorden van zijn Heiland in vervulling begonnen te gaan? 0 zeker, diezelfde Petrus schrijft later aan ,,de reemdelingen in de verstrooiing", aan de kerk in de verdrukking: "verheugt u daarin (in de erfenis van de hemelen) , ook al wordt gij thans indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd ... " (1 Petrus 1 : 6), maar dat laatste - bedroefd - telt toch wel degelijk mee.
Het verdriet wordt niet geëlimineerd, opgeheven door het geloof in de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden.

Jazeker - wij weten dat God hier niet buiten staat, buiten ons verdriet. Dat ontkent Paulus ook niet: wij weten nu dat God alle dingen doet medewerken ten goede, hun die Hem liefhebben (vs 28). En "als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zo bezegelt ons God de Vader, dat Hij ... van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren, of ten onzen beste keren wil".
(doopsformulier) Maar dat is niet het eerste wat Paulus schrijft, als hij het heeft over het lijden van Gods "lieve kinderen en erfgenamen", maar zo ongeveer het laatste.
En wij moeten maar niet proberen, voor onszelf of voor onze naaste, die volgorde om te keren. Paulus, naar de wijsheid die hem van God gegeven was, was wijs en voorzichtig genoeg, om deze orde te volgen.
En is dat in het mensenleven vaak ook niet het laatste dat wij tenslotte, aan het einde gekomen, van harte leren belijden: ja, God deed alle dingen - ook het leedvoor mij medewerken ten goede?
Maar voor het zover is, hebben wij al heel wat afgezucht en zijn er heel wat tranen gevallen: en ook wij, die den Geest als eerste hebben ontvangen, zuchten bij onszelf ... vs 23.
Natuurlijk, daarjs ook de christelijke hoop: wij dragen het leed niet "zoals de andere mensen, die geen hoop hebben", 1 Thess. 4 : 13.
Maar die hoop werkt niet als aspirine en het is ook geen morphinespuitje.
De christelijke hoop is eerder een hopen "op hoop tegen hoop". En midden in de vertwijfeling dienen we ons steeds te herinneren wat Paulus er bij schrijft, dat wij de verlossing moeten verwachten met volharding, vs 25.
Maar dan is er ook nog iets anders waarover Paulus gaat spreken als hij het heeft over het leed van Gods kinderen: het gebed, ons bidden, ons spreken met God over het lijden dat ons heeft getroffen. En wat schrijft Paulus het nu ráák. Hij doet helemaal niet alsof het gebed in alle nood de eenvoudigste zaak ter wereld r is; alsof het het probate middel is tegen- en de oplossing kant-en-klaar voor alle lijden: de onmiddellijke verlichting en bevrijding en verlossing van alle ellende eens christenmensen. Hij observeert veel scherper: wij weten niet ( eens) wat wij bidden moeten gelijk het behoort:

"In de nood van dit leven weten we dikwijls nauwelijks, wat we vragen zullen.
In het algemeen weten de gelovigen wel. dat ze zullen vragen om de komst van Christus en de volkomen zaligheid die hun beloofd is, om vergeving van zonden, het dagelijkse brood enz.
Maar in bijzondere omstandigheden en noden staat het hun vaak niet klaar voor de geest, wat ze eigenlijk beqeren moeten en mogen".

(H. J. Jager)

Zo is het toch? Wij zitten als kinderen Gods met het probleem van ons lijden.
Wij zitten ermee, zelfs en juist in ons gebed. Wat moeten wij er mee aan?
Moeten wij de HERE vragen het lijden van ons weg te nemen?
Mogen wij dat? Als het leed er is om de beproeving van ons geloof bijv., van den HERE gezonden, mogen wij dan bidden: weer steeds alle smart? Of: heilig alle smart?
Kunnen wij de weelde van de voorspoed wel dragen, is ons geloof daar sterk genoeg voor? Of was het juist andersom: vond de HERE het hoog nodig ons voor een tijd te beproeven?
Nood leert bidden, zegt men.
Misschien wel. Maar 't is dan toch wel heel moeilijk om te weten wat wij bidden moeten, gelijk het behoort, d.w.z. zó dat ons gebed den HERE behaagt. Want in de nood, ook van het gebed, vermenigvuldig en zich de gedachten, en wordt het duister en verward in onze ziel.
De HERE verhoort toch ons gebed? Waarom doet Hij dan niets? Zou Hij ons wel horen? En moeten wij Hem nog langer bidden en smeken? Of zou Hij vinden dat wij nu eindelijk eens moesten ophouden met zeuren? Maar is het zeuren als wij van den HERE vragen om herstel bijv.? Om te mogen blijven leven? En mogen wij wel vragen om bewaard te blijven voor de gevolgen van onze zonden bijv.? Is dat niet erg goedkoop?
Zou de HERE dat niet goedkoop en laf vinden?
De gedachten vermenigvuldigen zich. En we weten niet te bidden gelijk het behoort. We weten het op het laatst niet meer. We pakken het nu eens zó aan en dan weer zus. Maar we komen er niet uit. We weten niet wat we er mee aan moeten. En dat is nu onze "zwakheid", onze verlegenheid: we zitten er mee en komen er niet uit. Het lijden is ons te groot. Het torent boven ons uit. Het is "geweldig over ons". Er zitten te veel kanten aan. Het brengt te veel problemen met zich mee. We kunnen het allemaal niet doordenken en overzien, en komen er niet mee klaar. Het wordt ons op het laatst zwart voor de ogen.
We wankelen. Zelfs in ons gebed.
Wij zijn te klein ervoor, te zwak.

(Volgende week het slot)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief