Het rad van depressieve interactie
2005-02-11
In Opbouw 2005/02 werd het rad van depressieve interactie genoemd. Voor veel lezers zal dit psychologische mechanisme minder bekend zijn. Daarom volgt hier nog een toelichting. Het kan verhelderend zijn als o.a.- Jaargang 49
- nummer 3
hulpverleners, ambtsdragers en leden van pastorale teams iets weten van de vicieuze cirkel waar ze in terecht kunnen komen.
In ‘Doe uzelf geen kwaad’ (ook in Opbouw besproken) beschreef Govert Bach het rad van depressieve interactie.
Hij beschrijft daar hoe mensen vast kunnen lopen in hun relatie tot depressieve mensen. Deze manier van kijken is echter breder toepasbaar, namelijk overal waar mensen uit bewogenheid betrokken zijn bij anderen en proberen anderen te helpen.
Een voorbeeld dat ik gebruik in cursussen:
Stel je voor dat je oma is opgenomen in een verzorgingshuis. Op woensdagmiddag ben je vrij en je besluit je oma op te zoeken. Je gaat met haar een eindje wandelen, drinkt een kopje koffie in een restaurant en daarna ga je weer terug naar het verzorgingshuis. ’s Avonds bel je je oma nog even op om te vragen hoe het met haar gaat. Ze zegt: 'Ik krijg ook nooit bezoek.' Mijn vraag is vervolgens: 'Wat gebeurt er op zo’n moment met je?' Opvallend is dat veel cursisten als antwoord geven: 'Ze is misschien dement, dus ze weet niet beter.' Dat kan natuurlijk waar zijn. Tegelijkertijd is het ook een valkuil. Het betekent namelijk dat je op zo’n moment een stukje emotie bij jezelf ontkent. Je legt een rationele, vakinhoudelijke verklaring over je eigen emotie. Aan de ene kant helpt dat je om niet boos te worden, aan de andere kant laat je niet toe om te denken dat je misschien best teleurgesteld bent dat oma niet wat dankbaarder is.
Zorgen voor
Waarom bezoekt de kleindochter haar oma? Er kan een ‘moeten’ in zitten, maar veel waarschijnlijker is de drijfveer van oprechte bewogenheid. 'Ze zit daar maar zo alleen, ik ga haar opzoeken.' Oma doet door haar kwetsbaarheid een appèl op de zorg van anderen, in dit geval van haar kleindochter.
Daar is niets mis mee. Sterker nog: we zijn als mensen gezegend met deze innerlijke drijfveer om voor anderen te zorgen. De ontworteling van een samenleving valt af te lezen aan de verminderde zorg voor mensen die niet voor zichzelf op kunnen komen (denk aan de Griekse cultuur in Sparta en aan Hitler-Duitsland).
Valkuil
Wat is dan de valkuil bij het bieden van hulp? Naast de onvoorwaardelijke liefde en zorg zit er bij mensen ook altijd een stukje eigenwaarde in de hulp aan anderen. Het kan nog verder gaan: sommige mensen ontlenen hun identiteit aan de hulp aan anderen.
Paula Lampe heeft dit het ‘moeder Theresasyndroom’ genoemd. Hoewel de naam niet gelukkig gekozen is, is dit proces zeker herkenbaar in o.a. de zorg voor ernstig zieke patiënten.
Mensen ontlenen dan hun identiteit aan de rol van redder: ik word gewaardeerd omdat ik altijd voor anderen klaar sta.
Echter, ook als het om meer gewone situaties gaat kunnen mensen toch worden ingezogen in het proces van het helpen. De grenzen vervagen.
Onbewust ontstaat het idee dat de ander dankzij jouw toedoen een stukje beter zal gaan functioneren. De keerzijde is dat je verwacht dat de ander (bijvoorbeeld) dankbaar zal zijn of op zijn minst een beetje prettiger zal voelen. Nu is het natuurlijk ook zo dat niemand zonder een beetje perspectief kan. De hulpverlening wordt echter tot een gespannen verhouding als de behoefte aan erkenning bij de hulpverlener zélf het motief van handelen wordt.
Het proces
Als we nog eens kijken naar het voorbeeld van de kleindochter die bij haar oma op bezoek gaat, dan zou het volgende kunnen gebeuren.
De kleindochter ging uit liefde en bewogenheid op bezoek bij haar oma.
’s Avonds belde ze haar oma op. Haar oma had geen goede dag gehad, ze begon te klagen dat ze nooit bezoek kreeg.
Op zo’n moment moet je als kleindochter vermoedelijk toch even slikken.
Je krijgt het gevoel dat ‘niets helpt’. Wat moet ik dán doen om oma op te vrolijken? Dit is een gevoel van machteloosheid. De reactie van de kleindochter is dan dat ze oma zal gaan mijden. 'De volgende week ga ik gewoon lekker alleen de stad in.' Machteloosheid is een gevoel dat we slecht kunnen hanteren. Na het gevoel van machteloosheid ontstaat vaak woede. De kleindochter wordt boos op haar oma. 'Ik offer mijn vrije woensdagmiddag op en nóg zit ze ’s avonds te mopperen. Ze laat zich ook niet helpen, ze wil gewoon niet.' Onze eigen woede kunnen we vaak slecht verdragen als het om mensen gaat die ons na aan het hart liggen.
Er ontstaat een schuldgevoel. 'Oma heeft het ook moeilijk, ze woont daar ook alleen, ze mist opa iedere dag, wat ben ik eigenlijk een ontaarde kleindochter dat ik boos werd.' Een week later gaat de kleindochter weer vol goede moed en uit bewogenheid op bezoek bij haar oma. Ze gaan een eindje wandelen, drinken een kopje koffie in de stad en de kleindochter brengt oma weer terug naar het verzorgingshuis. De volgende avond belt de kleindochter haar oma op en vraagt….
(in de cursusgroep klinkt dan meestal een zucht. Het proces wordt herkend….).
Als zo’n proces lang duurt en zich vaak herhaalt dreigt uitputting. Het is één van de belangrijkste redenen voor een burn out in de geestelijke gezondheidszorg.
Gebed
Ook in het samenleven binnen de christelijke gemeente komt de vicieuze cirkel van het rad van depressieve interactie voor. Machteloosheid en woede worden daar soms toegedekt.
God kan immers alles, waarom zou je je machteloos voelen? Of: het gaat om onze christelijke naaste, om je ouders, op hen mag je niet boos worden.
Juist in die ontkenning schuilt mijns inziens het grootste gevaar.
In evangelische kring vertaalt zich het ontkennen van machteloosheid en woede soms in de ontkenning van het niet genezen worden. Het bestaat niet dat na intensief gebed iemand niet geneest. Of, ernstiger nog voor de betrokkene: als hij niet geneest was zijn geloof niet groot genoeg. De schuld wordt naar de ander toegeschoven omdat de eigen machteloosheid en woede niet erkend wordt.
Hiermee raak ik een teer punt. De andere kant van dezelfde medaille is de vraag of veel gereformeerden zich niet bijvoorbaat teveel indekken. Om teleurstelling te voorkomen durven ze God niet meer om een genezingswonder te vragen. Ook die houding zou je kunnen plaatsen in dit proces: we mijden het gebed uit angst voor een gevoel dat het allemaal toch niet helpt.
Ook daarmee laten we de zieke in de kou staan.
Voor mij is in dit verband de houding van de vrienden van Daniël richtinggevend geworden. 'Indien onze God, die wij vereren, in staat is om ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven en uit uw macht, o koning, bevrijden, maar zelfs indien niet-' (Daniël 3 vers 17). Ook als God ons gebed niet lijkt te verhoren, dan tóch….
Cement
Als ik bij meneer van Dam op bezoek ben geweest en hij is wéér aan het mopperen…. Ik doe heel aardig, ik zet mijn beste beentje voor, ik slik een aantal kritische opmerkingen van hem…. Verwacht ik op zo’n moment niet (tóch) dat mijn houding hem zal veranderen? En wat gebeurt er met mijzelf als ik iedere maand, een jaar lang, een mopperende meneer van Dam tegenover me heb? Raak ik niet zózeer betrokken, ingezogen in deze situatie dat het ook voor mijzelf een bodemloze put wordt? En wat en wie heb ik nodig om verder te kunnen?
Bewogenheid, betrokkenheid, naastenliefde: ze vormen het cement van de christelijke gemeente. Als gemeentelid ben je geen professionele hulpverlener, als familielid nog minder. Deze hulpvaardigheid ‘om niet’, pro Deo, is een groot goed. Toch is het goed om af en toe even wat meer afstand te nemen.
Geciteerde literatuur: Govert Bach: Doe uzelf geen kwaad (Boekencentrum, 1984) Paula Lampe: Het moeder Teresasyndroom (Nelissen, 2002) tel 038-3333698