Na het abortus-debat

1976-11-12
  • Jaargang 20
  • nummer 44
Het parlement heeft gesproken
De uitspraak van de Tweede Kamer over het abortusvraagstuk heeft ons weer eens duidelijk laten zien, dat de invloed van de christelijke moraal in ons land sterk aan het tanen is.
Het is nog mogelijk, dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel afwijst, of dat de Minister van Justitie zijn handtekening weigert te zetten, maar dat neemt niet weg, dat het parlement, gekozen volgens het systeem der evenredige vertegenwoordiging, met vrij grote meerderheid de baan heeft vrijgemaakt voor het afbreken van het menselijke leven.
Volgens een Nipo-enquête was de meerderheid van de nederlandse volk geen voorstander van de aanvaarde abortuswet. Misschien is dat een klein lichtpuntje, maar het is moeilijk na te gaan, gezien de ervaring met dergelijke enquêtes, of deze enquête werkelijk representatief is.

Het "linkse"standpunt
Het abortusdebat heeft ook weer duidelijk gemaakt, dat de belijdende christenen in de P.v.d.A., de V.V.D. en de P.P.R. ten aanzien van fundamentele vraagstukken als de bescherming van het ongeboren leven vrijwel verstek laten gaan. Enkele afwijkende geluiden zoals van mr. B. de Gaay Fortman bleken van weinig invloed op hun geestverwanten in deze linkse partijen. De aanwezigheid van belijdende christenen in deze partijen heeft bepaald niet de werking van zuurdeeg.
Een beroep van mr. Aantjes op deze Kamerleden werd hem zelfs zeer kwalijk genomen.
Het was een goed bedoeld, maar toch wel wat naïef beroep. Naïeveteit is de fractievoorzitter van de A.R.P. niet vreemd. Immers sinds de doorbraak is gebleken, dat overgang naar een van de genoemde linkse partijen, of het nu de P.v.d.A. en de P.P.R. of de V.V.D.
is, bijna steeds betekent een in feite loslaten van de bijbelse normen voor de politiek.
Slechts af en toe kan men bij een enkeling bemerken, dat Gods Woord voor hem in de politiek toch wel betekenis heeft.
Het abortus-debat toonde aan, dat de oude scheiding tussen rechts en links nog steeds een aktuele onderscheiding is.
De overeenstemming tussen deze linkse partijen was frappant.
Allen gingen bij het debat uit van de autonome mens, die zichzelf tot norm is. Zodra er werd gesproken over een andere Wetgever was het antwoord, dat de individuele burger deze voor zich mag aanvaarden, maar dat de overheid zich daar ver van moet houden.
Anders, zo stelde men, werd de vrijheid van de burger aangetast.
Zo werd van liberale zijde gezegd, dat men in de samenleving aan niemand zijn persoonlijke mening van de ethiek mag opdringen.
De beslissing van de vrouw moet doorslaggevend zijn.
Bij de P.P.R. klonk eenzelfde geluid. "De openbare rechtsorde moet maximale afstandelijkheid betonen tegenover de afzonderlijke gewetensopvattingen van de uiteenlopende groepen in de samenleving". Alleen de moeder kan de embryo beschermen.
D.S. 70 zat op dezelfde toer. De wetgever moet trachten in goede rechtsregels vast te leggen wat de samenleving in meerderheid kan aanvaarden.
Ook bij de P.v.d.A. was de vrijheid van de mens, waar men in ander opzicht niet zoveel oog voor heeft, het uitgangspunt. De overheid staat voor de vraag, zo zei men, hoe zij ieders persoonlijke verantwoordelijkheid het beste tot zijn recht kan laten komen.
Het bleek duidelijk, dat bij de fundamentele zedelijke vraagstukken socialisten en liberalen hand in hand gaan. De mens is baas in zijn eigen leven.

De "rechtse" partijen
Helaas kan niet gesproken worden van het "rechtse" standpunt. Tegenover het eensgezinde optreden van de linkse partijen stond helaas de verdeeldheid van de christelijke fracties.
Een verdeeldheid niet in die zin, dat van deze zijde werd opgekomen voor de autonomie van de mens.
Men was het eens over de vraag of God de God van ons leven is.
Men was het in grote lijnen met elkaar eens over de eis van Gods wet ten aanzien van de abortus. nl. het verboden zijn van abortus, tenzij het leven van de vrouw op spel staat.
Het is goed. dat we oog blijven houden voor de eensgezindheid, die er op dit punt was.
Het verschil zat niet in de beoordeling van de abortus zelf, maar in de taak van de overheid bij het handhaven van de wet van God.
Op dit punt was men als vanouds verdeeld.
Van de zijde van het S.G.P. werd gesteld.
dat de overheid tot taak heeft zorg te dragen voor de naleving van Gods wet. Het klassieke S.G.P.-standpunt.
Wat het C.D.A.-standpunt betreft. dit werd het duidelijkst door mevr. Van Leeuwen vertolkt.
Uitgangspunt is. dat de overheid het recht heeft te handhaven in gebondenheid aan de bijbelse beginselen. Daarbij moet echter worden bedacht. dat de wetten moeten kunnen leven in het rechtsbewustzijn van het volk. De overheid heeft dus te rekenen met twee kriteria, te weten het absolute kritierium van de eis van Gods wet en het relatieve kriterium van de zedelijke draagkracht van het volk.
Het standpunt van G.P.V. tenslotte stond wat tussen S.G.P. en C.D.A. in. P. Jongeling wees erop. dat er verschil is tussen wat God verbiedt en wat de overheid straft. Zoals in zondag 42 van de catechismus wordt gezegd. dat God niet alleen dat stelen en roven, dat de overheid straft, verbiedt, maar ook allerlei wortels van dat kwaad. Hij erkende dan ook, dat bij aanvaarding van het enig juiste uitgangspunt, het absolute kriterium van de universele wet van God, toch rekening gehouden moet worden met wat men noemt de zedelijke draagkracht van het volk.
Van de zijde van het C.D.A. was daarbij gewezen op de scheidbrief, die Mozes had toegestaan, maar, zo stelde Jongeling, dat is niet te vergelijken met wat hier gebeurt. het doden van derden.
Aldus zeer in het kort de standpunten der christelijke fracties in de Kamer.

De zedelijke draagkracht
Over het hier naar voren gekomen verschil in uitleg over de overheidstaak ten aanzien van de wet van God, wil ik nu een paar opmerkingen maken. Daarbij realiseer ik mij, dat in de kring van de Opbouw-lezers wellicht dezelfde verschillen van opvatting liggen als bij de christelijke fracties in de Tweede Kamer.
Het valt op dat bij dergelijke discussies steeds een beroep gedaan wordt op het feit dat Mozes wegens de hardheid van hun harten aan de Israëleten een scheidbreif toestond.
Erkend moet worden. dat op deze tekst vaak ook te onpas een beroep gedaan wordt. Vaak is deze gebruikt als excuus voor het feit. dat de overheid terugdeinst voor impopulaire maatregelen. Op deze wijze kan men de tekst gebruiken om het christelijk geweten te sussen en om te doen vergeten. dat er ook nog zo iets is als christelijke onverdraagzaamheid.
We mogen niet vergeten. dat de scheidbrief niet werd gegeven om echtscheiding gemak~ kelijker te maken. maar om het wegzenden van de echtgenote te bemoeilijken. Mozes tracht door deze regeling de volkszede in de goede richting om te buigen. opdat na verloop van tijd het 7e gebod weer sterker tot gelding zal kunnen komen.
De bepaling in Deut. 24 betekent niet een aanpassing aan de feitelijke toestand. maar is een poging vanuit die feitelijke toestand tot verbetering te komen. opdat daardoor op den duur herstel van de rechtsorde kan worden bereikt.
Ook in later tijd komen we in Israël dergelijke situaties tegen. Zo lezen we. dat Asaf alle afgodsbeelden verwijderde. maar de offerhoogten bleven bestaan. Van deze Asaf lezen we echter ook. dat zijn hart volkomen aan de Here was toegewijd. Na het voorbe reidende werk van Asaf kan Josafat later deze zaak afmaken. Hij verwijderde ook de offerhoogten. Zo zijn er meer voorbeelden te noemen, waaruit blijkt, dat meer toegelaten werd dan met de wet van God in overeenstemming was.
De overheid moet nu eenmaal met andere normen werken, dan de Bijbel ons geeft, omdat ze met de zondige werkelijkheid heeft te rekenen.
Deze werkelijkheid verhindert het voeren van een integrale christelijke politiek.
Christelijke politiek vereist zowel een christelijke overheid als een christelijk volk.
We raken hier een van de grote gevaren, die het voeren van christelijke politiek, bedreigen.
Het gevaar is nl., dat we ons neerleggen bij de bestaande situatie en ons aanpassen aan de werkelijkheid.
Al is die werkelijkheid ons uitgangspunt, we moeten in de wetgeving de eisen hoger stellen en op deze wijze het volk opterkken naar de bijbelse norm.
Die bijbelse norm moet ons wenkend perspectief blijven.
Op deze wijze is in Nederland door de christelijke partijen in het verleden met tal van zaken gehandeld.
We hebben een strenge zondagswet gekend, die totaal niet meer werkte.
Daarop kregen we een soepeler wet, die toch wel bepalingen bevatte in verband met de zondagsrust. Dat gaf weer een mogelijkheid tot het functioneren van de zondagswet.
Bij de echtscheidingsregeling zagen we hetzelfde.
We hadden een wet, die niet meer functioneerde, omdat ze geen weerklank vond bij ons volk. Daarop kwam een ruimere wet, maar deze kan tenminste functioneren.
Staat het bij abortus anders?
We hebben een wettelijke regeling, die de abortus tegengaat. Maar ook van deze wet moet helaas gezegd worden, dat ze totaal niet meer functioneert.
We leven nu haast in een situatie van wetteloosheid, met als gevolg, dat Nederland zo ongeveer het abattoir lijkt om ongeboren kinderen om te brengen. Een dergelijke dode wet is niet meer tot leven te brengen.
Eenzelfde soort wet zal onherroepelijk eenzelfde lot beschoren zijn.
Het is op dit moment onmogelijk een wet te maken tegen de abortus, die voldoet aan de wet van God. Ons volk is te zeer aan de normen van Gods Woord ontzonken om een functioneren van een dergelijke wet mogelijk te maken.
Wanneer het voorstel Gardenier-v. Leeuwen tot wet zou zijn verheven, dan hadden we een soepeler wet gekregen dan de bestaande, maar in feite zou het toch een wet zijn, die dichter bij de wet van God staat, dan de bestaande situatie van wetteloosheid. Het zou een stap kunnen zijn om een begin te maken met bestrijding van de abortus.
H. Algra schreef dan ook in het Friesch Dagblad, dat hier een goede, Christelijke, verantwoorde poging wordt gedaan om de normloosheid te breken.
"Een poging 'waar wij volledig achterstaan."
In dit verband is ook interessant wat prof: Troost schreef in "Nederland in de branding": "We staan nu voor het feit, van de enorme aantallen oogluikend toegelaten illegale abortusgevallen.
Ook de wetgever komt voor dit probleem te staan, omdat de bestaande wetgeving in de praktijk een dode letter is geworden, en het ook niet mogelijk zou zijn haar naar de oorspronkelijke bedoeling te handhaven. Terwille van de "hardigheid des harten" zal de overheid hier het kwaad moeten kanaliseren door een wetgeving, die zoveel mogelijk een afremmende werking heeft en die niet een stimulerend effect heeft op de sexuele losbandigheid.".

Conclusies en een vraag
Het wetsontwerp Gardenier-van Leeuwen was een poging om op christelijke wijze te komen tot een wet, die althans een begin had kunnen maken met het inperken van het afschuwelijke misdrijf van het afbreken van het nog ongeboren leven.
Al was er bij de christelijke fracties verschil van opvatting wat betreft de taak van de overheid bij het handhaven van de wet van God, toch was bij allen het uitgangspunt, dat God de God van ons leven is.
Daar is nog een mogelijkheid, dat het nu aangenomen wetsontwerp niet tot wet zal worden verheven en het wetsontwerp Gardenier -van Leeuwen weer zal worden ingediend.
Zou er geen mogelijkheid zijn, dat alle christelijke fracties in ons parlement elkaar zouden vinden en zich eensgezind opstellen om te komen tot een beteugeling van de vrijwel ongelimiteerde abortus? Dat zou ook de christelijke politiek voor velen geloofwaardiger kunnen maken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief