De leer van de dubbele uitverkiezing

1983-12-23
  • Jaargang 27
  • nummer 46
Waarom heb ik mij in een artikel in Opbouw in oktober (24-10) zo kras uitgelaten over de leer van de dubbele uitverkiezing?Ik kan dat verduidelijken met behulp van enige citaten uit het handboek der dogmatiek van Dr A.G. Honig - dat wij in Kampen als hèt handboek moesten bestuderen.

In het hoofdstuk dat handelt over de predestinatie (blz. 259 e.v.) zegt dr Honig: "dat ook de verwerping tot het raadsbesluit van God behoort leert de Schrift ons duidelijk.
Wij wijzen op het volgende:
a. De Heilige Schrift laat ons de verwerping zien als daad Gods in de gangen der historie. God verwerpt Kaïn, drijft Ismaël uit en laat de heidenen wandelen op hun eigen wegen.
b. De H.S. spreekt van de verwerping als van een decreet Gods in Spr. 16 : 4, Luc. 2 : 34b, 1 Petr. 2: 8, Rom. 9: 22". Dan komt Honigs eigenlijke commentaar: "Nu geven wij gaarne toe dat de Geref. leer ons hier eene ontzettende waarheid predikt...
Deze leer is echter niet eene vinding van menschen maar 't aanvaarden van het onderwijs hetwelk ons God geeft in de Heilige Schrift. Maar tevens ook het aanvaarden van de werkelijkheid die wij met onze ogen kunnen zien. Miljoenen leven en sterven in de heidenlanden, die nimmer de naam van Jezus horen. Dit feit is niet anders te verklaren dan volgens de gereformeerde leer der reprobatie (= verwerping, W.G.R.). En zèlfs kunnen wij waarnemen onder de gedoopte volkeren dat duizenden zich afkeren van het Evangelie en weigeren de Zaligmaker te zoeken. Voor ons vloeit dit ter laatste instantie hieruit voort... dat God hun de onwederstandelijke genade onthoudt. En hoe kan dit anders verklaard worden dan hieruit dat God in zijn raad besloot hen met zijn genade voorbij te gaan." blz. 261.

Rationalistische verklaring
Zo dient hier de leer dat God van vóór de grondlegging der wereld besloot met zijn genade aan een aantal mensen voorbij te gaan als een verklaring voor het feit dat vandaag vele ongedoopten sterven zonder Christus en vele gedoopten afvallen, Dit roept de vraag op of de Schrift ons hierin vóórgaat. Is, er één plaats in de Schrift te vinden die deze verklaring ondersteunt? Wie de door Honig genoemde plaatsen opzoekt zal tot zijn verbazing ontdekken dat in geen van deze plaatsen ook maar bij benadering sprake is van een raadsbesluit van God dat hij vóór de schepping van de wereld gemaakt heeft. In ieder van de genoemde Schriftplaatsen *) (zie aan het einde van dit artikel) gaat het over dat wat God hier en nu doet in de tijd. Als er in de bijbel sprake is van verwerpen is dat nooit iets wat God gedaan heeft vóórdat de geschiedenis begon.
Ook niet bij Kaïn of Ismaël of de heidenvolkeren. Pas toen God in de omgang met Kaïn na herhaald vermaan merkte dat deze zijn boze voornemen toch tot uitvoering bracht heeft de Here hem verworpen en zelfs toen nog niet eens zonder hoop (zie Gen. 4: 15). Uit de bestudering van het woord verwerpen in het N.T. is mij nog iets opgevallen (zie Theol. Begriffslexicon 2, 116), n.l. dat het woord verwerpen in het N.T. alleen gebruikt wordt voor hen aan wie Gods genade is toevertrouwd. In bijbelse taal gesproken kunnen alleen zij die verkoren zijn ook verworpen worden. Het betekent nl. dat zij de proef niet doorstaan hebben en daarom voor de Here onbruikbaar worden (zie Hebr. 6 : 4-6 en Hebr. 12 : 17).
De vraag die ik dan ook concluderend stel is: dient de leer avn de dubbele uitverkiezing niet als een rationalistische verklaring voor een groot probleem, dat de Schrift zelf echter als probleem laat staan, zonder er een antwoord op te geven, n.l. de vraag waarom ik nu wel geloof en mijn buurman niet?

Gods Woord laten staan
Nu kom ik toe aan het stilzwijgende verwijt van ds A. M. van ~ Leeuwen dat ik met mijn kritiek op deze leer de Schrift niet recht zou doen. Ik ben het met hem eens dat hier één van de kernpunten ligt van de Reformatie en van ons gereformeerd zijn. Beiden willen wij de Schrift recht doen, Ik blijf van mening dat de Methodist Howard Snijder en de Anglicaan John Stott dat ook willen, en dat wij met onze kritiek van rationalisme maar niet gauw naar de ander moeten wijlzen (zie Honig) maar a la, dat zijn allemaal kleinigheden in verhouding tot de grote vraag: wie doet de Schrift hier recht? Ds Van Leeuwen komt met twee argumenten aan de Schrift ontleend: het woord uitverkiezen zelf (eklegomai) en het woord uit Matth. 22: 14: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
Dit laatste Woord is een slotwoord van de Here Jezus na de gelijkenis van de bruiloft.
In die gelijkenis vertelt de Here Jezus juist met nadruk hoezeer Gods nodigende liefde in de tijd tot alle mensen uitgaat en bovendien dat de bruiloftszaal vol komt. Toch zijn er vele uitvallers: de eerstgenodigden (velen van het oude verbondsvolk) en de laatst genodigde die zonder bruiloftskleed kwam.
Zo komt hij tot Zijn bovengeciteerde slotsom waarin Hij volgens Calvijn waarschuwt voor iets wat God zal gaan doen aan het eind van de tijd, n.l. verkiezen en verwerpen.
Er is in deze tekst geen steun te vinden voor de gedachte dat God dit verkiezen en verwerpen al vóór de tijd heeft doen plaats vinden of zelfs daartoe besloten heeft. Integendeel. Wil iemand dat toch geloven, dan moet hij dat abusievelijk via een weg van concluderen en deduceren daaruit afleiden, want het staat er niet.

Waarom zo beducht?
Waarom ben ik op dit punt nu ineens zó beducht om iets uit de Schrift af te leiden? Dat doen wij toch wel vaker! Dat mag toch!
Ja, maar als dat leidt tot een verzwakking van de boodschap van het evangelie dat Christus het Licht der wereld is, dan ga ik tegen al zulke afleidingen te keer. Als het daarna gebruikt wordt als verklaring voor iets dat in zijn onverklaarbaarheid ons onrust moet b1ijven geven, is dat een tweede reden.
Ten derde leidt het tot een lichte verschuiving in het gevoel van uitverkoren te zijn: het verandert gemakkelijk in een veilig gevoel bevoorrecht te zijn i.p.v. begenadigd te zijn. Tenslotte komt heel subtiel en ongemerkt het centrum van de heilszekerheid ergens anders te liggen dan waar het liggen moet, nl. in Christus en in Christus alléén.
Zelfs niet in het werk van de Heilige Geest die mij het geloof schonk. Het centrum ligt in Christus.
In de Nadere Reformatie is langzaam dat centrum verschoven van Christus naar het werk van de Geest in mijn hart en de uitverkiezing.
Ds Van Leeuwen geeft aanleiding tot een soortgelijke bedenkelijke verschuiving als hij zegt: "De zekerheid van mijn heil ligt niet in mijn keus voor God - maar in Gods uitverkiezing." Hoezeer dit ook in Efeze 1 tot onze troost geleerd wordt dat de genade die wij in Christus ontvangen hebben al voor ons bestemd was van vóór alle tijden, toch is die toevoeging niet bedoeld om nu ineens onze heilszekerheid te verplaatsen naar een eeuwig raadsbesluit.

Prof. A. A. van Ruler
Heeft Professor Van Ruler gezegd dat de leer van de dubbele predestinatie behoort tot een der grote gereformeerde leerstellingen. Dat op zich bevestigt mij in mijn gevoelen dat dit wel een klassiek-gereformeerd punt is. Maar als hij zegt dat deze leer de diepste doorgronding van het menselijk bestaan die ooit gevonden is, dan voel ik dat direct weer aan als iets wat in concurrentie komt te staan met het enige wat de Schrift ons verkondigt als de diepste doorgronding van het menselijk bestaan, nl. het kruis van Christus. Wat mij het meest opviel bij lezing van dit artikel was dit, dat prof. Van Ruler aan de bovenstaande stelling op dezelfde pagina in een adem toevoegt (Theol. Werk dl. III 104): "de leer van de verwerping moge dan niet zo vaak of misschien wel helemaal niet in de Schrift voorkomen. Dat is vaker het geval met de leer."
Natuurlijk is het cursief gezette van mij, want toen ik dat las heeft het mij opnieuw bevestigd in wat ik zelf ook al had aangetroffen: de Schrift zelf leert ons het dogma van de eeuwige verwerping niet. In de Heidelbergse Catechismus, het leerboek van de Reformatie, komt ze niet voor (ook over de verkiezing van eeuwigheid spreekt de H.C. nauwelijks - een zinsnede in vr. en antw. 54 uitgesloten) maar wat tenslotte de deur dicht doet: ze wordt bij gereformeerde theologen vooral uit de empirie afgeleid.
Dat doet ook Van Ruier als hij zegt op dezelfde blz., a.w. blz. 104, "De waarheid, de werkelijkheid van de dubbele predestinatie is empirisch als met de handen te tasten. De ene mens is er zó aan toe, dat het evangelie vanaf zijn jeugd tot in het uur van zijn dood hem niets doet... De andere mens uit hetzelfde gezin zit eraan verkleefd... Zo ligt ook het zwaartepunt van Honig's bovengeciteerde woorden in zijn latere toevoegingen over de heidenvolken die zonder Christus sterven. "Voor ons vloeit dat hieruit voort - met erkenning van hun schuld - dat God hen de onwederstandelijke genade onthoudt en hoe kan je dat anders verklaren dan dat God in zijn raad besloot hen met Zijn genade voorbij te gaan." Aldus Honig, Ik verwerp heel deze manier van redeneren als onschriftuurlijk rationaliseren. Het raakt mij diep als christenen hun medemens op die manier bezien. Ik geloof ook niets van die manier van redeneren. De bijbel leert ons op een heel andere manier over onze niet-christelijke medemens te denken, nl. als Gods onwederstandelijke genade mij heeft overwonnen, waarom mij? Waarom niet ook hem? Om daarna tot de verder doorbrekende gedachtegang te komen: maar wat mij is overkomen dàt moet toch ook voor die ander mogelijk zijn... ! Om dan ineens tot de laatste ontdekking te komen dat het mij blijkbaar geschonken is met het doel dat ik er nu ook anderen mee ga overwinnen! Dat is de bijhelse lijn van denken.
En als iemand twijfelt of hij dan zijn ongelovige broer die al van zijn jeugd af voor het evangelie afgesloten is wel kan bereiken dan voeg ik hem al de beloften van God toe die ons er van verzekeren dat Zijn liefde blijft uitgaan tot de laatste snik naar alle mensen. Vandaar dat ik in mijn artikel met al die citaten uit de Schrift kwam die ons ervan verzekerden dat God geen behagen schept in de dood van de goddeloze maar daarin dat hij leeft...”, Ezech. 18.

U zult vragen: "en als na alle pogingen tenslotte mijn medemens sterft zonder tot geloof gekomen te zijn moet rk dan hieruit niet empirisch afleiden dat blijkbaar God Zijn genade aan die man onthouden heeft en het zó al in eeuwigheid gewild heeft. Mijn antwoord is: neen, dat ruit u daar niet uit mogen afleiden. Want de Schrift leert ons dat niet. Bovendien heeft Jezus ons geleerd: oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde."
Als prof. Van Ruler meent dat wij dit toch moeten durven zeggen, en zelfs dat dàt de diepste doorgronding van het menselijk bestaan is, dan vind ik dat een verschrikkelijke uitspraak. Hij protesteert tegen de ultra-gereformeerdheid in dat bewuste artikel, maar ik denk erbij: waar je mee omgaat daar word je mee besmet en ik noteer dankbaar uit zijn eigenmond dat de Schrift dit waarschijnlijk niet leert, maar dat het een redenering is die wij naar zijn mening noodzakelijkerwijs wel moeten maken uit de Schrift en vooral: de empirie!
De laatste poging om dat waar te maken las ik bij het tweede Schriftbewijs van Van Leeuwen als hij zegt: Maar verkiezen in de Schrift is toch uit-kiezen (in het Grieks ek-legomai). Dat houdt toch logisch in dat je de anderen verwerpt, dan antwoord ik alleen maar met: pas op voor die logicawant in de Schrift betekent het dat niet. A1Isin het N.T. van de discipelen gezegd wordt dat Jezus ze uitgekozen heeft (ek-legomai, Hand. 15 : 7) betekent dat dan dat God alle andere volgelingen van Jezus verwerpt? Betekent het feit dat God Israël verkoos de verwerping van de volkeren? Welneen - het betekent alleen dat God Israël verkoos om door haar de volkeren te zegenen. "Zo behoren wij God te allen tijde om u te danken (zegt Paulus in 2 Thess. 2 : 13) dat Hij u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis in heiliging door de Geest". Voelt u het: uitgekozen om eersteling te zijn!
En als dat nu niets uitwerkt en die anderen toch volharden in hun ongeloof? Dan kunnen wij niets anders doen dan concluderen dat datzelfde evangelie dat mij wel heeft geraakt en bekeerd, bij hen die werking niet heeft. Als wij door blijven vragen waarom bij mij wel en bij hen niet - dan mogen wij, als wij Schrifttheologen willen zijn niet verder gaan dan te wijzen op een naar mijn vaste overtuiging voor mensen ondoorgrondelijk geheim. Wie zijn wij dat wij daaruit conclusies trekken over wat God van eeuwigheid gewild heeft? Laten wij met dat soort conclusies maar wachten tot de Here klaar is met Zijn werk. Wie weet moeten wij dan iets totaal anders concluderen. M.a.w. ik pleit er alleen voor het gordijn te laten hangen voor de verborgen dingen van God en ons intussen te houden aan wat geopenbaard is en dat is Zijn liefde in Christus tot alle mensen. Wat wij deze dagen in het Kerstfeest opnieuw vieren!

In Spreuken 16: 4 wordt gezegd dat de Here alles voor zijn doel gemaakt heeft (dat is voor het doel der dingen), ook de boze voor de dag der rampspoed. Betekent dat dat God al vóór de boze bestond hem in zijn eeuwige raad voor de rampspoed bestemd heeft? Welneen, het betekent dat God in Zijn Soevereiniteit zelf over de grootste misdadiger beschikt en straks een dag van rampspoed voor hem in petto heeft. Of God dit in eeuwigheid en al van voor de grondlegging der wereld zo gewild heeft vind ik allereerst een merkwaardige vraag.
Wat een typische interesse houdt de vragensteller er op na, die dit vraagt? Maar als wij de vraag eenmaal gesteld hebben, moet het antwoord luiden dat wij dit niet weten, omdat de Schrift ons er niets over openbaart.
Ditzelfde geldt voor Luc. 2: 34b: zie, deze (dat is Jezus) is gesteld tot een val en opstanding voor velen. Is er met deze tekst bedoeld dat God hem al van eeuwigheid gesteld heeft tot een val voor velen? Neen, dat betekent het niet, want het gaat hier over de uitwerking die Christus' komst heeft ná zijn verschijning. Er staat in het Grieks niet het gemakkelijk predestiniaans uit te leggen woord: Zie deze is gesteld - maar: zie deze ligt (keitai). De verschijning van Gods waarheid en liefde in Christus voor de hele wereld zal sommigen tot een aanstoot worden.
Zij struikelen erover. Maar dat moet niet in mindering gebracht worden op de zuivere gerichtheid op heil en redding waarmee Christus gekomen is.
In 1 Petrus 2 : 8 staat geschreven van degenen die zich aan Christus ergeren en daarom op Hem stuk lopen en over Hem vallen als een struikelblok, dat zij daartoe ook bestemd zijn. Opnieuw een plaats die geheel werd uitgelegd in het licht van een eeuwig besluit.
Van dat eeuwige besluit is hier echter geen spake, omdat er bij goede lezing niet staat dat God hen tot ongehoorzaamheid bestemd heeft, maar wel dit, dat zij die door hun eigen ongeloof ongehoorzaam geworden zijn - iets wat God niet wil - nu door' God tot de ondergang bestemd zijn (zie Spr. 16: 4). Dit is de uitleg van Kittel IV, p. 280. Maar zelfs wie dit woord (waartoe zij bestemd zijn) op hèél de voorzin wil laten slaan en dus ook op de daad van ongehoorzaamheid zelf, moet zich niet te snel tot de leer van de eeuwige uitverkiezing wenden. De val en de straf waarvan hier sprake is hoeft nog niet per definitie een eeuwige straf te zijn. Staat er niet in Rom. 11: 32 dat de Here Israël "onder ongehoorzaamheid heeft besloten om zich over allen te ontfermen"? Daarmee is ook de laatste "bewijsplaats" van Honig aan de orde: Rom. 9: 22, waar staat dat "God, Zijn toorn willende tonen, sommige voorwerpen des toorn ten verderve toebereid heeft." Ik houd vol dat het ook hier gaat om Gods handelen in de tijd en bovendien dat hier sprake is van Gods omgang met Zijn volk Israël dat Hij inderdaad voor een tijd om haar ongehoorzaamheid ten verderve toebereid heeft, maar (naar Rom. 11: 32 zegt) om zich daarna weer over haar te ontfermen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief