Een Christelijke studentenorganisatie?

1983-12-23
  • Jaargang 27
  • nummer 46
* Door prof. C. Veenhof in 1977 geschreven ter gelegenheid van het derde lustrum van C.S.R. Delft.

De Civitas Studiosorum Reformatorum in Delft heeft mij gevraagd iets te schrijven over de voorwaarden) de noodzaak) de zin, en het werk van een christelijke studentenorganisatie.
Het verzoek daartoe kreeg ik nadat iemand die daartoe meer bevoegd is dan ik dat had laten afweten. Dat nu iemand die reeds voor meer dan een halve eeuw student werd en bijna tien jaar niet meer als "insider" in het universitaire bedrijf betrokken is over dit thema een paar opmerkingen maakt ligt dus niet voor mijn verantwoordelijkheid.
Natuurlijk ben ik uièl verantwoordelijk voor WAT ik ga zeggen! Dat ik het toch waag over het mij opgegeven thema iets ter berde te brengen vindt zijn reden in de overtuiging) dat ondanks de enorme) soms zelfs verbijsterende veranderingen die er in het leven van de universitaire gemeenschap optraden, toch veel is) dat ondanks alles niet verandert omdat het onveranderlijk is.

Om daarmee te beginnen: het in het leven roepen van een christelijke organisatie en dus ook van een beweging, een vereniging, een corps van studenten is niet, mag in ieder geval niet zijn het gevolg van het voeren van een pretentie en dan met name niet van de pretentie christen te zijn. Het voeren van een pretentie, welke ook is iets dat zonder meer vloekt met het christelijk geloof, het echte christen zijn. Het realiseren van een gemeenschap van christenstudenten, welke organisatievorm die ook moge hebben, mag alleen zijn oorzaak vinden in roepingsbesef, in het zien en aanvaarden van een opdracht, vaak ook in de nood van het leven.
Om daarvan iets te doen beseffen, wil ik er op wijzen, dat een christen _ en daaronder moet verstaan worden iemand die gelooft in Jezus Christus als zijn Verlosser en Heer en zijn leven integraal in Diens dienst wil stellen - zijn christen zijn vóór alles moet beleven in de omgeving waarin hij verkeert.
Dat wil zeggen: in de omgeving, de gemeenschap, waarin hij door de gang van zijn leven werd geplaatst, waarin hij "als vanzelf" of ten gevolge van eigen keus is beland.
Dit lijkt een simpele, om niet te zeggen onnozele opmerking. Maar in feite is ze de formulering van een fundamentele - tegelijk, en misschien ook wel daarom vaak en graag vergeten - waarheid, Wie zijn ogen goed de kost geeft weet hoeveel lieden er zijn die zich in allerlei activiteiten, acties en organisaties storten die buiten hun primaire levenskring en levensroeping liggen, zich daarvoor (schijnbaarl) warm maken, maar dat éérste verwaarlozen of zelfs vergeten.
Het is niet te bereikenen hoeveel schade dit als het onder christelijke naam of vlag geschiedt - aan de zaak van Christus heeft berokkend.
Als dat eerste, beslissende ontbreekt is al zulk soort christelijkheid niet anders dan een camouflage van onwaarachtigheid en hypocrisie. Jezus Christus vraagt van Zijn discipelen vóór alles dat zij "zichzelf verloochenen, hun kruis op zich nemen en Hem volgen op het plekje waarop zij leven en in het plicht je dat hun in de kring waarin zij elke dag verkeren wordt opgelegd. En dat geldt uiteraard ook en niet het minst voor een student die metterdaad een discipel van Jezus wil zijn.

Dit kan nu alleen geschieden in een voortdurende en intense omgang met God zoals Hij zich aan ons in Jezus Christus openbaart. Of, om het met de levensspreuk van Paulus te zeggen: Dit kan alleen realiteit worden als Jezus Christus voor ons "alles" is, zodat wij niets anders begeren dan "Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding".
In concreto wil dat zeggen: daartoe zijn wij alléén in staat in een ononderbroken en geconcentreerde omgang met de Heilige Schrift en in leven van gebed. De Heilige Schrift is, zoals iemand eens gezegd heeft, het doorzichtige kleed, waarin Jezus Christus naar ons toekomt, met ons spreekt, zich in liefde aan ons geeft, zijn verlossing in ons verwerkelijkt en ons de weg wijst die wij in deze wereld he-ben te gaan. En ons gebed is ons antwoord, ons tegenwoord op dat spreken, het ons overgeven aan Hem. Er is geen christelijk leven mogelijk zonder de dagelijkse omgang met de Bijbel en het dag in dag uit volgehouden gebed, lik heb in het buitenland, en gelukkig ook in ons land, wel kringen van studenten ontmoet voor wie bet een vanzelfsprekende zaak was dat ze, uiteraard ook individueel, maar ook gemeenschappelijk zich dagelijks toeleggen op de intensieve bestudering en overdenking van de bijbelse boodschap en het gebed.
Ze volgen daarin Luther na, die elk jaar tweemaal de hele Bijbel doorlas! Iedere student moest eigenlijk de dag beginnen met het lezen van een fragment van de Heilige Schrift en gebed. Alleen op deze wijze leert men iets van het Evangelie verstaan, groeit men in "de wereld van de Bijbel" in en wordt men "doorkneed in de Schriften" (Hand. 18: 24) en is een leven "in" en "met" en "uit" en "voor" Ohristus kortom een authentiek christelijk leven mogelijk. Het is helaas zo, ik weet dat op grond van jarenlange ervaring dat er bij aankomende studenten in dit opzicht veelal een ontstellend manco bestaat. Moet de oorzaak daarvan gezocht worden in de gezinnen waarin ze opgroeiden en/of in het "godsdienstonderwijs" dat ze op de middelbare scholen "genoten"?
Het zou een zegen zijn als aanstaande studenten, voor welke faculteit dan ook, een jaar lang een goede Bijbelschool bezochten om zich daar aan grondige bijbelstudie te wijden.
Het zal uit het bovenstaande wel duidelijk zijn, dat ik als eerste taak van een christelijke studentenorganisatie zie een intensieve bijbelstudie. Die moet de basis zijn van alles waar ze zich verder mee bezig houden.

Maar een basis is nog niet alles! Daarop moet immers wat worden gebouwd. Van daar uit moet verder worden gebouwd; daarover wil ik ook nog wat zeggen. De situatie is nu zó, dat een aankomend student bij zijn intree in het universitaire milieu geconfronteerd wordt met een wirwar van niet-christelijke, om niet te zeggen anti-christelijke opvattingen, overtuigingen, ideeën, ideologieën, die veelal niet expliciet, maar wel alles wat hij hoort, leest, beleeft doortrekkend, en daardoor niet minder krachtig en effectief, op hem afkomen. Het wordt in onze dagen - en dat is ten opzichte van het verleden een winstpunt - algemeen erkend dat alle levensuitingen van de mensen en met name alle wetenschapsbeoefening en zo ook de resultaten daarvan beslissend beheerst worden door fundamentele - in wezen steeds in het hart gefundeerde - religieuze overtuigingen. Die religieuze vooronderstellingen komen in wat wetenschapsbeoefenaars doceren en schrijven als ik reeds zei, niet altijd "sec" aan het licht. Vaak zijn, met name de mannen die de zgn. vakwetenschap beoefenen, zich zelf niet eens bewust van wat hen bij hun arbeid ten diepste beheerst.
Maar de vooronderstellingen waarvan zij uitgaan doortrekken alles wat zij zeggen als een alles doordringend fluïdum. Als deze vooronderstellingen nu niet "waarheid", maar "leugen" zijn en een student daartegen vanwege een niet overwonnen zijn door de "waarheid" der Schriften, het Woord van God, het Evangelie van Jezus Christus niet gewapend is en ze dus niet kritisch doorziet, maar als vanzelfsprekend aanvaardt wordt hij daar slachtoffer van. Het is nu niet alleen een eis van wetenschappelijke attitude maar nog veel meer dan dat: een kwestie van leven of dood dat een student die diepste en alles beslissende vooronderstellingen van wat hij hoort en leest onderkent. Het is immers een evident feit, dat massa's jongens en meisjes uit een zogenaamd "christelijk milieu" in een baaierd van ideeën, opvattingen, ideologieën waarin ze op de universiteit of hogeschool geworpen werden, geestelijk zijn gederailleerd.
Hun traditionele, oppervlakkige "christelijkheid" was niet bestand tegen de geestelijke stormloop waaraan ze daar werden blootgesteld. En ze werden zo de, vaak ook weer oppervlakkige, gewillige volgelingen van een of andere gangbare filosofie of ideologie. Een collega van mij, werkzaam aan een openbare universiteit zei eens, dat hij talloze studenten uit christelijke en kerkelijke kringen geestelijk te gronde had zien gaan.
Alleen zij, die - vooral door het leven en het woord van hun moeder! - Jezus Christus als hun Verlosser en Heer hadden leren kennen en liefhebben, waren in de geeste1ijke draaikolk van het universitaire leven niet ondergegaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief