JEREMIA

1976-11-26
  • Jaargang 20
  • nummer 46
Profetes
Neemt u maar gerust aan, dat dit in Jeruzalem het nodige opzien gebaard heeft. De hogepriester en een aantal hovelingen gaan naar de nieuwe wijk van Jeruzalem en daar gaan ze het huis van Hulda, de profetes, binnen. Iedereen in Jeruzalem wist dat zij profetes was en daar woonde.
U moet u dat even scherp voor de geest hallen. De hogepriester gaat een profetes raadplegen om van haar te weten te komen wat Jahweh te zeggen heeft. Hulda was een vrouw die bepaald niet tot de upper-ten van Jeruzalem behoorde.
Haar man was magazijnmeester van de afdeling priestergewaden.
Dat was heus geen top-functie.
Dat de hogepriester haar ging raadplegen lag op een dergelijk niveau als wanneer de paus advies ging halen bij een van de schoonmaaksters van de Sint Pieter, ergens in een torenflat je in een nieuwe wijk van Rome. Reken maar dat dat met vette koppen in de krant zou staan.
Zo gaat deze deftige deputatie, geleid door de hogepriester, naar Hulda, een vrouw, een vrouwelijke ambtsdrager. Dat is iets waar wij, tengevolge van onze traditie, gemakkelijk overheen lezen, We schenken er nauwelijks aandacht aan. Maar toch is 'het goed te proberen hier fris naar de Schrift te luisteren.
Er is hier - en dat nog wel in het Oude Testament, d.w.z. in een tijd waarin vrouwen bepaald niet voorop liepen en waarin Paarlus nog niet had kunnen schrijven dat er in Christus geen onderscheid is tussen mannelijk en vrouwelijk sprake van een vrouwelijke ambtsdrager.
En dam niet inde diaconaIe sfeer of iets dergelijks, maar in verband met de bediening van Gods Woord.
Hulda is een vrouwelijke bedienares van Gods Woord. We moeten het maar eens goed tot ons laten doordringen dat daar in het Oude Testament al ruimte voor is.
We moeten niet meteen Maar staan met de opmerking: volgens onze traditie is daar bij ons geen plaats voor. We moeten gewoon dit bijbelse feit maar eens op ons laten inwerken. AIs we dat niet doen, leren we de bijbel op dit punt nooit fris lezen. Dan wordt alles wat we daarover lezen onmiddellijk dichtgesneeuwd door onze tradities en overleveringen, Dan wondt de bijbel voor ons een boek dat ons niets meer te zeggen heeft, omdat we het allemaal al wel weten.

Niet bij de pakken neerzitten
Wat Hulda namens de HERE te vertellen heeft, bevestigt de angstige vermoedens van Josia. Jahweh is inderdaad vertoornd op zijn volk. Het oordeel zal over Juda en Jeruzalem komen vanwege het verlaten van Jahweh. Maar Josia zelf zal dat oordeel nog niet meemaken.
Er zouden heel wat mensen zijn, die na een dergelijke aanzegging zouden zeggen: Als het dan toch hopeloos en uitzichtloos is, heeft het ook geen zin meer te proberen het roer nog om te gooien en nog te vechten voor een ommekeer.
Dan kan ik net zo goed het bijltje erbij neergooien en me ver:der alleen nog met mezelf bezig houden.
Als Josia zo gereageerd had en gedacht had: er is niets meer aan te doen laat de boel maar waaien, dan zou hij daarmee hebben laten merken, dat het hem primair te doen was om zijn eigen lijfsbehoud en voorspoed in plaats van om God zelf.
Zulke mensen zijn er heel wat. Als puntje !bij paaltje komt, zijn ze niet zozeer geïnteresseerd in God als wel in zichzelf.
Eigenlijk laat God hun koud.
Christus is voor hen alleen maar middel om er zelf beter van re worden en voordeel van te hebben.
Zodra ze dat voordeel niet meer zien zitten, laten ze God vallen en zijn ze niet meer geïnteresseerd in, wat Hij zegt.
Nu is het zonder meer waar dat God liefhebben en Christus volgen een enorm voordeel oplevert: het eeuwige 'leven. Dat mag je blij maken.
Je mag dat geweldig vinden en er naar uitzien. Maar wanneer het ons alleen maar daarom zou gaan en er bij ons niets te vinden zou zijn 'van' een volgen van Christus terwille van Hemzelf, omdat we van Hem houden en Hem liefhebben, is er toch iets fout.
Bij Josia was dat niet zo. Hij kreeg te horen: het oordeel van Jahweh komt over Juda en Jeruzalem. Maar dar bracht hem er niet toe te denken: dan heeft het ook geen zin meer het gevonden wetboek van Jahweh in praktijk te brengen. Integendeel. Hij had Jahweh lief met heel zijn hart.
Daarom wilde hij ook doen wat in het wetboek was voorgeschreven, Hij had Jahweh altijd al liefgehad en Hem van jongsaf gezocht, Daarom wil hij ook nu zijn wet naleven. Of er nu een oordeel komt of geen oordeel, is voor hem geen criterium, Wat bij hem de doorslag geeft, is de vraag: Wat wil de HERE dat we doen zuillen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief