"Veertig eeuwen van tevoren"
1976-11-26
Er wordt in onze dagen veel gesproken over de schepping. de zondeval. de zondvloed en nog veel meer uit de oertijd.- Jaargang 20
- nummer 46
Het leek me goed en profijtelijk zo af en toe eens wat door te geven van wat “bijbelgetrouwe" geleerden. mannen die niet aangetast zijn door de zonde van de "verwetenschappelijking" van de geloofskennis en de theologie daarover lezen.
Dezer dagen in oude kranten snuffelend vond ik een artikeltje van prof. - toen nog ds - Schilder. Het is uit “De Bazuin" van 2 juni 1923.
‘Veertig eeuwen van te voren', zingt nog steeds op Kerstfeest de juichende kinderschaar, en alle zondagsschoolpoëten zingen het haar voor en elkander na.
Om deze (en andere) redenen is het meer dan een afgetrokken-wetenschappelijk belang, aan de gedachtenwereld der lezers over te geven wat ds J. C. de Moor schrijft in de Utrechtse Kerkbode.
Ik ben zeker van de belangstelling van zeer veel lezers: De volgende vraag kwam in: “Sinds het vinden van het graf van Toet-Ankh-Amen wordt er zeer veel geschreven over Egypte. en zoo nu en dan treffen we daarbij passages aan. die ons Christenen. die nog immer wenschen vast te houden aan de 4000-jarige tijdrekening van de schepping tot Christus.
pijnlijk aandoen. O.m. in de Haagsche Post d.d. 24 maart in een artikel van Van Oss:
'Zes duizend jaar lang, naar wij zeker en naar wij gerust mogen aannemen, nog veel verder terug in de oudheid,
deinde allerlei groot gebeuren over het rijke land. Koning Menis, die ongeveer 40 eeuwen voor Christus' geboorte de eerste dynastie stichtte was al een machtig vorst, die heerschte over een groot rijk; en groote rijken ontstaan nooit over nacht.'
Uit het "artikel van Van Oss “Naar Jerusalem :
'... Een bijzonder gehard, schilderachtig slag menschen, dat zichzelf, bleef gedurende misschien wel honderd eeuwen, met eigen hoedanigheden, enkele slechte ongetwijfeld maar vele ervan groote en oude deugden, zooals gastvrijheid, moed .. "
Nu is mijn vraag: wat zeggen van zulke uitspraken de Christelijke Egyptologen?
Lion Chachet in zijn boek “Het Land mijner Vaderen" maakt zich er wel een beetje zeer gemakkelijk af door te beweren (pag. 119). dat ook de Egyptologen onder elkander tot een summa van 2000-3000 jaren oneens zijn. Maar hierin zijn zij het wel eens dat reeds 4000 jaar vóór Christus Egypte reeds een machtig land was." Om deze vraag te beantwoorden. riep ik de hulp van prof. dr C. van Gelderen in. die mij verwees naar zijn referaat over “Een belangrijke ontdekking in Sinaï" op den Universiteits-dag te Dordrecht 1913, later opgenomen in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift. Daarin heeft hij o.a. gezegd: “Meer dan duizend jaar voordat Mozes werd geboren, waren Egyptische koningen naar het schiereiland Sinaï getrokken en hadden de woestijnbewoners aan zich onderworpen.
Misschien zal men hiertegen aanvoeren, dat er tusschen den zondvloed en de geboorte van Mozes minder dan duizend jaren verloopen zijn. Volgens de bijbelsche chronologie, zooals men die gewoonlijk betekent. is dit inderdaad het geval. Ik ben er echter ten stelligste van overtuigd, dat de berekening niet te handhaven is. De oudste historische opschriften uit Babylonië en Egypte zijn, ook bij de allermatigste berekening, veel meer dan duizend jaar vóór de geboorte van Mozes opgesteld. De moeilijkheid laat zich m.i. het gemakkelijkst oplossen.
wanneer men aanneemt. dat er in Gen. 11: 10-26 vele geslachten zijn overgesprongen.
Vergelijk ook Matth. 1: 8, waar drie koningen van Juda overgeslagen zijn."
Verder was Z. H. G. zoo Vriendelijk mij te schrijven: "Aan de periode van 4000 jaar tusschen de schepping en Christus moeten we niet vasthouden, want ze is onhoudbaar. De grootste moeilijkheid zit niet in het jaartal voor de schepping 4000 v. C.) en de Egyptologen zijn het er ook volstrekt niet over eens, dat Egypte reeds 4000 v. C. een machtig land was. Er zijn er wel, die koning Menis pas circa 2800 v. C. stellen. Maar de groote moeilijkheid zit hierin, dat volgens de traditionele opvatting der Bijbelsche chronologie de zondvloed pas heeft plaats gehad circa 2350 v. C. Nu ben ik sedert jaren vast overtuigd. dat de oudste historische opschriften uit Babylonië op zijn allerlaatst circa 2800 v. C. te stellen zijn. Over de Egyptische kan ik niet zoo zelfstandig oordeel en. doch ook daar is de allermatigste berekening 2800. En op dit tijdstip bevinden we ons niet slechts na den zondvloed maar zelfs na de spraakverwarring.
Dat de zondvloed vroeger dan 2350 moet hebben plaats gehad is door mij reeds uitgesproken in het Geref. Theol. Tijdschrift, sept. 1913. bladz. 175-176. Hoe dit te rijmen is met de Bijbelsche gegevens. heb ik daar ook in het kort aangeduid. Wanneer nu de zondvloed vroeger gesteld moet worden dan 2350, zoo spreekt het vanzelf, dat de schepping ook vroeger moet gesteld dan 4000. En daar is niets tegen, want deze 4000 jaar berust op menselijkeberekening en wordt nergens in de H. Schrift uitdrukkelijk opgegeven,"
Deze inlichtingen mogen den vrager bevredigen en met mij tot dankbaarheid aan prof. Van Gelderen verplichten."
Er was eens een theoloog. volgens de Chr. Encyclopaedie (eerste druk) “een warm christen, een edele patriot, een kerkelijk man, een echte evangelieprediker, een grondig geleerde", James Lissher, die volgens een bekende “legpuzeletheologie" zeker wist dat de schepping der wereld 4004 jaar vóór Christus had plaats gevonden.
Of hij dat als “goddelijke waarheid" verkondigde weet ik niet. Maar hij heeft het wel beweerd en geleerd.
De man heeft te véél willen weten! En daardoor de bijbel laten buikspreken.
Dat is een kwalijke zaak.
En ook een vorm van “verwetenschappelijking"
van de theologie!