Jakobus en de oudsen in de boeken van Lucas
1976-12-03
H. Mulder, Jakobus en de oudsen in de boeken van Lucas.- Jaargang 20
- nummer 47
Uitgeverij Ton Bolland, Amsterdam, 1972.
f 5,90.
De nieuwtestamentische gegevens over Jacobus, den broeder des Heren, en de oudsten die hem in de gemeente te Jeruzalem ter zijde stonden, zijn schaars.
Mulder handelt vooral over wat Lucas van hen vertelt.
Al betrekt hij in zijn onderzoek ook de gegevens uit Paulus' brieven en uit buitenbijbelse bronnen, toch vraagt hij zich in 't bijzonder af, hoe Lucas Jakobus beoordeelt.
Het beeld dat M. ontwerpt, is als volgt. Jakobus, die aanvankelijk ongelovig tegenover Jezus stond, is tot nadenken gekomen, toen hij door Jezus gepasseerd werd bij de aanwijzing van een opvolger als familiehoofd.
(Jezus droeg immers aan het kruis de verzorging van zijn moeder op aan Johannes.) Die klap is hard aangekomen bij Jakobus en heeft tot zijn bekering geleid. Voor het apostelschap kwam hij een- en andermaal (na de dood van Judas en na die van Jakobus, den broer van Johannes) niet in aanmerking, omdat hij niet van het begin af een volgeling van Jezus was geweest. Hij blijft in de eerste fase van de kerkgeschiedenis dan ook op de achtergrond en begint pas een actieve rol te spelen na de dood van Stefanus.
Diens scherp afwijzende houding tegenover de tempeldienst verontrustte hem. Jakobus wilde juist, dat de naleving van de wet het leven zal blijven beheersen.
Na Stefanus' steniging en de in aansluiting daarop ontketende vervolging acht Jakobus het zaak stappen te ondernemen om de christelijke gemeente uit de Joden een plaats te verzekeren binnen het wetsgetrouwe Jodendom.
Zich bewust van zijn positie als (nu) oudste Davidide omgeeft hij zich naar oud konings gebruik met een raad van oudsten, om zich een zekere machtspositie naast Petrus en de apostelen te kunnen verwerven.
Daarbij zoekt hij zijn kracht in het nazireaat.
T.a.v. de positie van de christenen uit de heidenen is Jakobus' standpunt gebaseerd op de contemporaine gedachte bij de Joodse schriftgeleerden, dat "alleen de proselieten die door besnijdenis en doop in het verbond opgenomen waren en evenals de Joden de "zware" geboden vervulden, recht hadden op de volle gemeenschap met het volk van Gods beloften. De "godvrezenden" die niet verder kwamen dan de lichte geboden, konden misschien in de messiaanse eeuw nog worden aangenomen." (blz. 76). Waar nu Theophilus, aan wien Lucas zijn werk adresseert, tot deze 'godvrezenden' behoorde, heeft Lucas het raadzaam geacht over Jakobus maar zoveel mogelijk te zwijgen, Lucas, die in zijn evangelie angstvallig Jezus' arbeid beperkte tot het Joodse land, heeft nl. in zijn tweede boek de radicale ommekeer die de Pinksterdag bracht tot uitdrukking gebracht: het accent komt nu in volle zwaarte te liggen op de heidenwereld. Jeruzalem verdwijnt uit de gezichtskring. "Voor Jakobus en de door hem voorgestane conceptie van het Joodse christendom (is) feitelijk geen plaats meer. In het boek van Lucas voor Teofilus in ieder geval niet" (blz. 88).
Wat hiervan te zeggen?
Bij de reconstructie van een verleden is het geboden: a) zorgvuldig de beschikbare gegevens te analyseren en te interpreteren; b) bij het op grond daarvan leggen van verbanden en maken van aanvullingen met grote voorzichtigheid te werk te gaan en duidelijk het hypothetisch karakter van zijn reconstructie te laten uitkomen.
Aan geen van beide eisen is hier voldaan.
Om maar met het laatstgenoemde punt te beginnen: de auteur spreekt ook bij zijn meest dubieuze vermoedens meermalen met de grootste stelligheid: blz. 32 "Toen (nI. bij het tot Johannes gerichte kruiswoord, D.H.) is de keer gekomen., .", blz. 54 "Jakobus heeft het temidden van deze spanningen stellig als zijn roeping gehet diepe wantrouwen bij de Joden tegen de chrisweg te nemen"; blz. 55 "Het lijdt geen twijfel dat juist de Hebreeën, beangst voor verdergaande vergeldingsmaatregelen van de kant van de Joodse autoriteiten, zich maar al te graag met deze positiebepaling' akkoord hebben verklaard". (Bedoeld is: met de door Jakobus na Stefanus' dood uitgezette koers.) Uit de wankele hypothesen en deducties, waarvan dit boekje vol staat, doe ik maar een greep. Na geconstateerd te hebben, dat Theophilus in Lucas' tweede boek met uiterst summiere gegevens over Jakobus genoegen moet nemen (blz. 10) zegt Mulder: "Het is niet waarschijnlijk, dat Teofilus bij de bestudering van Lucas' boeken schriftelijk of mondeling over aanvullende gegevens met betrekking tot Jakobus heeft kunnen beschikken."
Dit wordt dan als volgt gemotiveerd: Paulus' beide brieven, waarin hij Jakobus noemt, zijn weliswaar waarschijnlijk van de jaren 57/58, maar het is lang niet zeker, dat Theophilus daarvan al vrij spoedig na 'verschijnen' een afschrift heeft gehad (blz. 11).
Men vraagt dan toch: zijn buiten Lucas' werk de brieven van Paulus de enige mogelijkheid voor een mens (en dan nog wel een hooggeplaatste als Theophilus) in de jaren 60 iets over Jakobus aan de weet te komen?
Speelt. juist in de eerste jaren van de christelijke kerk de mondelinge informatie niet de belangrijkste rol? Theophilus was in het evangelie onderricht, reeds voordat Lucas dit nog eens nauwkeurig en ordelijk voor hem te boek stelde (Luc. 1 : 4). Hij kan m.i. best ook over Jakobus reeds het voornaamste geweten hebben, voordat Lucas begon te schrijven.
Op grond van Gal. 2: 9 concludeert M. t.a.v. de situatie bij Paulus' tweede bezoek aan Jeruzalem: "Jakobus en de oudsten hadden de teugels in handen, Petrus was teruggevallen naar de tweede plaats" (blz.
75). Wel een wankele basis voor een zo vergaande conclusie! Ik zou mij b.v. ook kunnen voorstellen, dat Paulus de volgorde 'Petrus Johannes Jakobus' vermeden heeft om het misverstand te voorkomen, dat hij het discipel-trio bedoelde dat Lucas met deze namenreeks pleegt aan te duiden (Luc. 8 : 51. 9: 28; Hand. 1: 13).
Te spreken van "een delegatie uit de kring van Jakobus die aandringt op een strenge naleving v,an de wetsvoorschriften door de Joden" (blz. 10) is evenzeer een voorstelling van zaken die zich uit v . 12 van datzelfde hoofdstuk (Gal. 2) niet waar laat maken.
Voor het principiële onderscheid tussen 'Jakobus' oudsten' (dus de oudsten van de jodenchristelijke gemeenschap te Jeruzalem, volgens M, door Jakobus eigenmachtig aangesteld) en de oudsten van een christengemeente buiten Jeruzalem beroept M. zich op Lucas' zorgvuldigheid in zijn uitdrukkingswijze (blz.
21 vlgg.). Gaat het over de laatsten, dan "wordt de betrekking tot de gemeente op een bijzondere manier beklemtoond ... Legt men hiernaast de gevallen waarin de oudsten te Jeruzalem ter sprake komen, dan blijkt dat deze mannen nimmer als oudsten der gemeente gekwalificeerd worden" (blz. 22). Deze formulering van de tegenstelling is onzuiver en verdoezelt de feiten.
Trekken we de gegevens na, dan blijkt het volgende.
Twee (zegge en schrijve twee) teksten handelen over ,de oudsten in een kleinaziatische christengemeente (Hand. 14: 23 en 20: 17). Alleen op de laatste van deze twee plaatsen komt de verbinding 'oudsten der gemeente' voor; in de eerste wordt vermeld, dat Paulus en Barnabas in Derbe, Lystra, Iconium en Antiochië "per gemeente voor hen (d.i, voor de leerlingen, m.a.w. de qeloviqen) oudsten verkozen bij handopsteken"
(vgl. Tit. 1 : 5). Mag men, als het om maar 50% van de gevallen, en om welgeteld maar één geval gaat, de term 'oudsten der gemeente' een zo geijkte achten, dat men het recht heeft daar waar de toevoeging 'der gemeene' niet gebezigd wordt, te concluderen, dat het hier geen onder leiding der apostelen gekozen gemeente-
oudsten betreft, maar een door Jakobus persoonlijk aangewezen 'kroonraad'??? Er is toch, zou ik denken, !log altijd die andere 50% (dat ene geval uit Hand. 14: 23), waarin wel de relatie van de oudsten tot de gemeente tot uitdrukking komt, maar niet in de genetief-verbinding. Maar dát geldt nu evenzeer voor een aantal gevallen waarin de oudsten vant Jeruzalem worden genoemd!!! In de pericoop Hand. 15: 1-35 zien we dat nl. gebeuren in 2 van de 5 gevallen (v. 4 en 22). Mutder kan dat niet ontkennen, maar noemt dit feit zo onopvallend mogelijk: na de pas geciteerde zin ("Legt ... worden") schrijft hij: "De auteur volstaat met oudsten of plaatst hen als zodanig naast Jakobus.
Wel wordt een enkele maal de gemeente genoemd ... ".
Verder valt er t.a.v. Hand. 21 : 17, 18 op te wijzen, dat daar sprake is van "de broeders", wat zakelijk gelijk staat met "de gemeente" (vgl. in het boven genoemde Hand. 14: 23 de formulering, dat "voor de leerlingen oudsten verkozen werden"), Hetzelfde is het geval in 11 : 29, 30. Conclusie: in de helft van de gevallen (4 van de 8) waar het om "Jakobus' oudsten' gaat, is de relatie tot de gemeente van Jeruzalem tot uitdrukking gebracht.
Dat de apostelen er geen behoefte aan gehad zullen hebben in de gemeente te Jeruzalem oudsten aan te wijzen (blz. 62), betwijfel ik, Toen de kerk verstrooid werd over Judea en ook daarbuiten (in de heidenwereld) gemeenten ontstonden, werd het arbeidsterrein van de apostelen sterk vergroot. Zouden zij juist toen niet de plaatselijke leiding te Jeruzalem in handen hebben gelegd van een kerkeraad, precies zo als in de successievelijk gestichte buitengemeenten gebeurde, om zelf de handen vrij te houden voor de zaken van heel de christenheid, o.a. voor het tijdrovende rondtrekken langs de verspreide gemeenten?
Dat, wanneer een der gemeenten (zo b.v, die van Antiochië in Hand. 15) aan de in Jeruzalem residerende apostelen een kwestie voorlegde, naast dezen ook de kerkeraad te Jeruzalem In het overleg werd betrokken, lijkt mij uit historische en praktische overwegingen heel wel verklaarbaar, Ofschoon in beginsel alle gemeenten t.o.v. de apostelen gelijk stonden, is toch Jeruzalem, historisch gezien, de bakermat van het evangelie (vgl. Rom, 15: 27). En in de praktijk zal déze kerkeraad de enige zijn geweest die ter plaatse waar de apostelen vergaderden aanwezig kon zijn. (Of toevallig aanwezige ouderlingen van buitengemeenten eventueel niét zouden zijn uitgenodigd er bij te komen zitten, waag ik te betwijfelen. Maar we moeten ons eenvoudig neerleggen bij het feit, dat we hierover geen gegevens hebben in de Schrift.) Daarentegen kan ik me nauwelijks voorstellen, dat de apostelen een eigenmachtig door Jakobus voor de realisering van zijn tegen de grondgedachte van het evangelie indruisende idealen - daarover straks nog - geïnstitueerde 'kroonraad' als wettig kerkelijk lichaam zouden hebben erkend en behandeld.
Dit brengt me als vanzelf op wat M. zegt over Jakobus' conceptie van Joodse christenen die de zware geboden, en heidenchristenen die alleen de lichte geboden hadden te volbrengen, maar "dan ook tweederangs burgers bleven in het rijk van God" die "in allerlei opzicht bij de Joodse christenen achterbleven" (blz. 76). Deze conceptie te puren uit Jakobus' toespraak op het apostelconvent is een verkrachting van Hand. IS, waar Jakobus zonder een woord van kritiek aanhaakt bij wat Petrus vóór hem had gezegd (v. 13, 14). Deze nu had uitdrukkelijk gesteld (v.' 9), dat God in niets onderscheid maakte tussen Joden en heidenen. (Vgl. ook 11 : 17, waar het - zie v. 3 - om zakelijk dezelfde controverse gaat.) Jakobus zou volgens M. zijn tekst (uit Amos) met zorg hebben gekozen: "Hierin wordt de bekering van de heidenen verbonden met het herstel van het vervallen huis van David". Dat was -plat gezegd - 'spekkie naar zijn bekkie' . Hij dacht immers: "Aangezien Jeruzalem de stad van de koning zou blijven, zou de heerschappij door de Joden worden uitgeoefend" (blz. 76/ 77). Maar ik vraag: valt Paulus' tekstkeus wezenlijk anders uit in Rom. 15: 12? In een brief dus, waarin hij toch bepaald niet poogt de wetsijveraars in het gevlij te komen!
Nog een enkel woord over het beweerde nazireaat van Jakobus. Mulder kent daaraan grote waarde toe: het is "voor apostelen en gemeenteleden van grote, wellicht beslissende betekenis geweest bij de erkenning en aanvaarding van zijn gezag" (blz. 69). M. put hier uit Heqesippus, van wien hij op blz. 46 opmerkt, dat deze in het spoor van de apocriefe Jakobus-apocalyps is verder gegaan. Ik vraag mij af: kan het nazireaat van Jakobus door dergelijke fantasierijke schrijvers niet helemaal. zijn gesponnen uit het gegeven dat Hand. 21 : 23, 24 leverde? (Men had dan overigens met minstens zoveel 'recht' ook Paulus in die kaste kunnen - opnemen. Ook deze had nl., nog vóór het pas gememoreerde advies van Jakobus, wel eens een nazireaatsgelofte afgelegd, Hand. 18: 18!) Mijn recensie afsluitend moet ik eerlijk zeggen, dat m.i. dit boekje niet wezenlijk verschilt van apocriefe geschriften uit de oude kerk. Het hult zich alleen in een wetenschappelijke vermomming. In een reeks die zich presenteert onder de titel 'Exegetica' horen zulke fantasieën niet thuis.