Mijn vriend Alexander
1976-12-17
Een vriend, zegt een Chinees spreekwoord, is iemand die achter uw rug goede dingen van u vertelt. Ha, daar kijkt u van op. Achter iemands rug sprekende moeten we altijd op onze tellenpassen. En als een Chinees -- een wijze en geen drughandelaar -- spreekt over iemands rug, dan vermoeden we de rest al. Maar die rest is bij wijze mensen in goede handen. Achter iemands rug. . . góede dingen vertellen, dat is vriendschap. Welnu, vandaag wil ik achter zijn rug u iets goeds vertellen over mijn vriend Alexander.- Jaargang 20
- nummer 49
U kent al tenminste twee van zijn naamgenoten. De eerste was Alexander de Grote, geen familie van mijn vriend. Alexander de Grote leefde in de vierde eeuw voor Christus. Hij werd maar 33 jaar, waarvan hij de laatste 13 jaren koning was. Maar in die dertien jaren stichtte hij een wereldrijk, legde de grondslag voor de Hellenistische cultuur, onderwierp het machtige Perzië met Darius de Derde, onderwierp Phoenicië en Egypte en brak deuren open tussen Europa. Azië en Afrika. Zijn wereldrijk werd bij Daniël als het koperen rijk aangeduid. En het is door hem, dat het Grieks de beschaafde voertaal was tijdens het leven van de Heiland op aarde; het is door hem dat het nieuwe testament in het Grieks geschreven werd.
U kent ook die andere naamgenoot, Alexander de Kleine. Hij komt in de Bijbel voor, wat aan de Grote niet beschoren was. Paulus geeft aan Timotheüs deze informatie: Alexander, de koperslager, heeft mij veel kwaad berokkend; de Heer zal hem vergelden naar zijn werken. --- Men zegt dat een diaken, zijn zware collectezak torsend, eens de verzuchting van Paulus moet hebben herhaald: er zat vrijwel niet anders dan kopergeld in, klein geld. Maar ook Alexander de Kleine was geen familie van mijn vriend Alexander, over wie ik u ga vertellen.
Want mijn vriend Alexander is geen wereldhervormer doch een nederig en zachtmoedig mens. Hij is geen centendief maar een edelmoedig man, die weggeeft wat hij heeft. Hij is vriendelijk, ja zijn vriendelijklijkheid is aan alle mensen bekend. Hij denkt met de medemens mee,
zit in de zorg voor een lijdende naaste, helpt waar hij kan, zoekt hulp bij anderen wanneer hijzelf het probleem van de naastenhulp bepaald niet kan oplossen, belt ons steeds even wanneer er een uitzending is die we niet, mogen missen, brengt een zonneschijn bij elk kort bezoek, roept een lach op met elk telefoontje, heeft de naaste nog liever dan zichzelf. Herkent u al iets van het portret van een christen? Goed gezien.
Maar hoe goed u ook ziet- u zult mijn vriend Alexander nimmer in de kerk zien. Mijn vriend Alexander is wat u zou kunnen noemen: een buitenkerkelijk christen.
Dat is wat om te verteren! Dat is eigenlijk een onverteerbare zaak voor kerkmensen. Wij, die van jongsaf geleerd hebben dat buiten de kerk geen zaligheid bestaat. dat alleen door de prediking mensen tot geloof kunnen komen, dat alleen de kerk Gods instrument is om zalig te maken wie gelooft - wij hebben daar grote moeite mee, wanneer we buitenkerkelijke christenen tegenkomen. Ja eigenlijk willen we die mensen niet zien. We zeggen ijskoud: dat bestaat niet. Die mensen zijn er niet. Want het past volstrekt niet in ons kerkelijk denkpatroon: dat mensen het beeld Gods zouden vertonen en niet ingeschreven staan in het kerkelijk ledenregister. Het past hun eenvoudig niet. van wat staat of kwaliteit ze zijn, om zich op zichzelve te houden. Ze behóren gedoopt te wezen. Ze behóren openbare belijdenis des geloofs te hebben afgelegd. Ze behóren naarstig tot de gemeente Gods te komen.
inzonderheid op de rustdag. En zo voort. En áls iemand bij uitzondering op een christen lijkt. maar in wezen een onkerkelijk leven lijdt. is hij geen christen maar vermoedelijk een humanist, een boeddhist, een brahmaïst of iets anders met -ist.
Maar ook die illusie moet u laten varen. Want mijn vriend Alexander dient geen vreemde goden, loopt geen vreemde filosofieën na. Hij kent maar één God: de schepper van hemel en aarde, zijn hemelse Vader.
En hij kent ook maar één Heiland, Jezus Christus, de gekruisigde. En hij weet zich vernieuwd door de Heilige Geest van God. die hem veranderd heeft tot wat hij is. Mijn vriend Alexander kent de drieënige God, zei ik. Kennen in de zin van: kennis aan Hem hebben, door dagelijkse gesprekken met Hem, door dagelijks de bijbel te lezen, door dagelijks zijn geloof met zijn daden te belijden. Daar is hij sterk in. Daar loopt hij overigens niet mee te koop. U moet van goeden huize zijn, om hem aan het praten te krijgen. Hij zal zijn parels niet voor de zwijnen gooien. Maar wie hem waardeert om zijn gelijkenis met de Heiland krijgt van hem iets over zijn geloofsleven, over zijn contacten met de Heere, te horen. Die mag even meebladeren in zijn levensboek.
Want mijn vriend Alexander is als een kind. Zijn leven is een prentenboek.
Hij vertelt van al die kleine voorvallen, als hij u vertrouwt. Van alle kleine moeiten, van alle kleine vreugden. En achter elk voorval staat de hand van zijn hemelse Vader: die geeft hem voorspoed en tegenspoed, die geeft hem levensvreugde en teleurstellingen, die geeft hem problemen en oplossingen. Daar is hij zeker van, niet alleen omdat de bijbel het hem verzekert, maar ook omdat hij de hemelse Vader ziét in zijn antwoorden.
Mijn vriend Alexander is als een kind. Kinderen geloven, zonder te zien. Maar Alexander, de kinderlijke gelovige, ziét bovendien. Hij ziet het bewijs van zaken, die een ander nog niet ziet. Hij legt elke avond zijn hoofd pas neer, als hij de bijbel gelezen en met zijn hemelse Vader gesproken heeft. Dan slaapt hij de slaap des rechtvaardigen.
Dan Zijn alle muizenesten verdwenen, want dan zijn alle zorgen afgewenteld, En is er weer een oplossing voor een probleem gegeven, dan kan hij even bellen of even langs komen. En vertelt kinderlijk enthousiast: weet je niet wat een zorg ik had om die en die zaak? Nu, ik heb het gisteren nauwelijks aan mijn hemelse Vader toevertrouwd - of vanmorgen kwam het antwoord met de post.
En denk niet dat het alleen om grote moeilijkheden gaat. Ook de kleine dagelijkse dingen durft Alexander rustig voor te leggen. Dat hij, alleenstaande oude man, er met die gladheid niet uitdurft. Dat hij, die twee vrouwen tot haar dood verzorgd heeft, zich zo eenzaam voelt.
Dat hij, die levenslang aan uitvindingen heeft gewerkt, zo graag in leven zou blijven tot ook zijn laatste uitvinding ten nutte van de mensheid is gesteld. Maar ook dat hij, even buiten kennis geraakt en lelijk gevallen, directe hulp nodig had. Al die gevallen brengt hij voor zijn hemelse Vader. Want hij weet zeker: Vader laat hem nooit in de steek!
Jawel. Wij denken graag, dat God er is voor grote problemen. Belangrijke zaken durf je Hem voor te leggen als het moet. Zaken van een valse leer. Zaken van wereldformaat. Zaken van kerkscheuringen. Zaken van de zending. Zaken van een goede toekomst voor onze kinderen.
Zaken van huwelijk - soms ook van echtscheiding. Dat zijn zaken - menen wij - waarvoor God de Heere audiëntie kan verlenen.
Maar een verstopte gootsteen, een bevroren waterleiding, een kapotte accu in je wagentje ...
Jawel, stel u voor. Deze week kocht mijn vriend Alexander een nieuwe accu in zijn oude wagentje. Hij moest namelijk op reis. 's Avonds op de terugweg begon de motor te protesteren. Alexander stopte bij een garage. Die vertelde dat de zaak gesloten was, dat de "nieuwe" accu lek was en dat hij geen vervanging kon leveren. 0 ja, en dat er niet mee gereden kon worden.
Wat moest mijn vriend doen? Hij kon niet in de kou en in het donker blijven staan. Dus trachtte hij de motor aan het praten te krijgen, hetgeen gelukte. Toen ondernam hij de reis door de Veluwse bossen naar huis. Een hachelijke zaak. De motor sputterde, hakkelde, stotterde.
Mijn vriend Alexander legde het aan zijn hemelse Vader voor. Vader zei hij - wilt U me helpen? Ik zit in grote moeilijkheden. Als de auto het begeeft sta ik de hele nacht in de bossen. Geen mens kan me hier uithalen. Het vriest en ik kan slecht tegen de kou, zoals U weet.
Heere God, laat de motor het uithouden zo lang het nodig is.
Er wordt meer gebeden onder de pet dan zonder de pet, zeiden de vaderen. Nood leert bidden, zeiden onze moeders. Onze roomse broeders noemen zo iets een schietgebed. Maar wie een gebed of gebedje voor noodsituaties reserveert doet aan mijn vriend Alexander te kort.
Deze brengt zijn grote levensnood voor Gods aangezicht - hij brengt ook de kleine noden op de tafel des Heeren. En daarom hield de motor het pruttelend uit, tot twee meter voor een bevriende garage. Die twee meter was gauw overbrugd. De bevriende garage zei: ik wilde juist naar bed gaan meneer, maar u krijgt eerst een nieuwe accu in de wagen, want u moet uw huis halen. Hoe kwam u zo te stoppen op mijn erf? - Dat was de verhoring van mijn gebed, antwoordde Alexander; ik heb mijn hemelse Vader dringend gevraagd de motor te laten praten zolang het nodig was. U ziet dat Vader hoort en helpt.
De bevriende garage had geen verstand van telecommunicatie met de hemelse Vader; wel verstand van motoren. Het is een wonder, zei hij, dat dit ding tot hier heeft volgehouden. - Het blijft een wonder, besloot Alexander, maar daarvoor moet je bij onze hemelse Vader zijn.
En zegt u nu maar niet: een goed verhaal, maar die vriend mist een hoop. Wat hij mist aan kerkelijke wederwaardigheden, wel, bent u daar zo blij mee?