KATHOLIEK, maar niet Rooms-Katholiek; een hardgrondige reaktie

1976-12-17
  • Jaargang 20
  • nummer 49

Ingezonden
In Opbouw van 12-11 jl. (Ambt en Gemeente - G. Janssen) konden we lezen dat “de kerk geregeerd wordt door Christus. die zijn gezag over haar uitoefent door zijn Woord en Geest en de ambtsdragers gebruikt als zijn instrument" (cursief - Ws). Dit wordt o.a. gezegd i.v.m. de bewering dat de ambtsdragers niet altijd als orgaan van de gemeente zouden optreden en dat in de gemeente geen demokratie zou kunnen bestaan omdat dit in strijd zou zijn met Christus' regering van de kerk (Christokratie) .
Uit het voorgaande kan iedereen konkluderen dat de ambtsdragers wel, dus de gewone kerkleden niet instrumenten zijn van Christus. De R.K. kerk noemde en noemt zulke ambtsdragers: geestelijken, en deze (gewijde) geestelijken stonden tegenover de onmondige leken. Eén van de verdiensten van de Reformatie is geweest dat zij deze scheiding tussen geestelijken en leken als onSchriftuurlijk over boord heeft gegooid. Rome zag in de eerste plaats de ambten, waaraan de gemeenten a.h.w. hingen, de Reformatie herkende de gemeente weer als gemeenschap van mondige gelovigen, geestelijken, priesters, heiligen of hoe men ze ook maar noemen wil. Omdat niet iedereen gaven en tijd heeft om het werk te verrichten dat noodzakelijk is voor het goed funktioneren van de gemeente, worden er ambten ingesteld. "Zo is de prediker (inderdaad - Ws) de mond van de gemeente.
Deze instelling van ambtsèragers is m.i. in overeenstemming met die in de N.T.- ische gemeenten. Deze opvatting schijnt ook die van Luther geweest te zijn (zie voormeld artikel), waarbij ik wel aanteken dat dè Lutherse kerken Luther wel gauw ontrouw zijn geworden.
Tegenover deze opvatting wordt gesteld dat de ambten een (aparte) instelling zijn van Christus en wordt hiervoor een beroep gedaan op Ef. 4: 11. De zin van deze verwijzing is mij niet duidelijk, immers op genoemde bijbelplaats wordt gezegd dat Christus zowel apostelen als profeten, zowel evangelisten als herders en leraars aan de gemeenten gegeven heeft. Van de vier genoemde kategorieën ambtsdragers staat er nu zegge en schrijve nog één overeind, waaruit toch wel de konklusie getrokken mag worden dat we hier niet te doen hebben met eeuwenverdurende instellingen. Dit beroep deugt dus niet. Was soms een andere tekst bedoeld? Zo ja, dan beantwoorden we die ook maar vast met de opmerking: de brieven van Paulus getuigen op vele plaatsen dat we vrij zijn.
Bevrijd van de wet van Mozes. Niet bevrijd om opnieuw onderworpen te zijn aan een Paulinische wetgeving met nieuwe verordeningen hoe we bijv. de kerk-regering moeten organiseren of wat wel de positie van de vrouw in de gemeente mag zijn of ... enz.
Het is vreemd, merkwaardig, droevig te merken dat in de gereformeerde e.a. kerken het N.T. nog zo vaak wordt gezien en gebruikt (misbruikt) als een wetboek, zoals de Joden indertijd - maar dan terecht - het O.T. zagen.
De N.T.-ische gemeente is dus vrij om die kerkregering te vormen die zij het beste vindt gelet op het bijzondere karakter van de kerk. Niet de ambten zijn bijzonder en eigensoortig, maar de gemeente.
De gemeente heeft een eigen aard, immers zij is gemeente des Heren, de gemeenschap van gelovigen, priesters, heiligen. Heel die gemeente staat onder het gezag van Gods Woord, heel die gemeente bestaat uit Dienaars en Dienaressen van het Woord en de prediker is de mond van deze Dienaars en Dienaressen. Zijn taak is het Woord te bedienen. Als er vermaand moet worden dan doen de ambtsdragers dit niet als apart instrument, van Christus - dat is ROOMS - maar omdat dit tot hun door de gemeente van heiligen gegeven opdracht behoort. Christokratie en demokratie zijn niet met elkaar te vergelijken, want het koningschap van Christus behoort niet tot deze wereld. Het tegenover elkaar stellen var, deze "regeringen" verhult de ware tegenstelling, nl. de regering van de ambten (predikanten!) en de regering van de mondige gemeente. Het mopje van die predikant: "ik ben dienaar des Woords en niet van de gemeente!" is een mopje dat meer van Rooms zuurdesem dan van Reformatorisch besef getuigt.
Het zal verstandig zijn dat bij het maken en aannemen van een nieuwe kerkenordening bijzonder gelet wordt op de mondigheid van de gemeente en het dienend karakter van de ambten aan en niet heersend over de gemeente.

W. H. Westerhuis, Apeldoorn


Naschrift

1. Br. Westerhuis huldigt de opvatting dat de vrijheid, waar het N.T. op verschillende plaatsen over spreekt meebrengt dat we een belangrijk gedeelte van datzelfde N.T. mogen laten voor wat het is, nl. dat gedeelte dat spreekt over de ambten en de ordening van de gemeente.
Dieper nadenken over deze kwestie moet hem er toch wel toe dringen zich af te vragen of hij deze vrijheid wel recht verstaat. De consequentie uit zijn opvatting is toch wel erg verstrekkend!
Een verdere discussie zou daarom allereerst over deze vrijheid moeten gaan.

2. Ik heb verder de indruk dat br. W. alleen mijn laatste artikel gelezen heeft.
Hij laat tenminste in het geheel niet blijken dat ook ik sterke nadruk gelegd heb op het priesterschap aller gelovigen en op de mondigheid van de gemeente, en de Rooms-Katholieke opvatting van het ambt duidelijk heb afgewezen.
Hoe dit verder zij, zijn reactie bewijst hoe gewenst het is dat we ons blijven bezinnen op de vragen rondom het ambt - en de ordening van de gemeente, waarbij dan de basis van deze bezinning wel eerste aandacht vraagt. In zoverre was mij zijn reactie welkom.

G. Janssen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief