Een commentaar
1976-12-24
Introductie- Jaargang 20
- nummer 50
Het zal zelden of nooit gebeuren dat een theologische commentaar op een bijbelboek de kolommen van de dagbladpers haalt. Maar deze uitzonderlijke eer viel wel te beurt aan de groninger professor dr A. S. v. d. Woude met zijn commentaar op Micha (in de serie "De Prediking van het Oude Testament). Deze commentaar werd niet alleen vermeld maar zelfs royaal besproken in twéé dagbladen: "Trouw" (d.d. 28-2- '76) en het "Friesch Dagblad" (d.d. 2-10-'76). Terecht kunt u concluderen. dat er dan iets bijzonders mee aan de hand is.
Het gedeelte waarvan ik kennis nam, wettigt de verklaring dat het zich laat lezen als een uiterst boeiende roman, ook al is het waar dat "alleen zij, die grondig in het Hebreeuws thuis zijn, er het volle profijt van kunnen hebben" (Fr. Dagbl.). Het feit dat ik het niet in alle opzichten met deze hooggeleerde eens kan zijn, komt beslist niet in mindering op de waardering voor zijn hoogst oorspronkelijke uitleg.
Voeg daarbij dat juist zijn uitleg de oorspronkelijke hebreeuwse tekst ongemoeid laat en daarbij tegelijkertijd veel van wat tot dusver onverklaarbaar was, in de gang van de profetie van Micha opheldert, dan begrijpt u het enthousiasme waarmee deze commentaar is ontvangen.
Het probleem
De bekende adventstekst "en gij Bethlehem Efratha ... " (5: 1-3) lijkt op zichzelf geen probleem.
De meeste mensen kennen hem van buiten en als messiaanse voorzegging spreekt hij schijnbaar voor zichzelf. Maar wie de hoofdstukken 2 t/m 5 eens achter elkaar doorleest, ontdekt hoe vreemd de redeneertrant van Micha is. De man schijnt zichzelf voortdurend tegen te spreken.
Lees maar eens achter elkaar: "daarom zal om uwentwil Sion als een akker worden omgeploegd ... " (3 : 12) en "het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vast staan als de hoogste der bergen ... " (4: 1 v.v.; vgl. ook 4: 9 met 4:10).
Daar komt nog bij dat de machtig e profetie over Jeruzalem (4: IA ) , bijna letterlijk voorkomen in Jes. 2 : 2-4 met de vermelding: "het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, aanschouwd heeft over Juda en Jeruzalem". Jesaja en Micha waren merendeels tijdgenoten.
Het lijkt wel of Micha gespiekt heeft bij Jesaja.
Wat is het oordeel van dr v. d. Woude hierover? Gemakshalve nemen we de weergave van het Friesch Dagblad over: "Nu zijn er theoretisch vier mogelijkheden: 1. Micha schreef de tekst over van Jesaja 2. Jesaja schreef de tekst over van Micha; 3. Jesaja en Micha schreven beide teksten over uit een oudere profetie; 4. Er is een latere bewerker van de boeken van Jesaja en Micha geweest, die tweemaal deze profetie heeft ingelast.
Dat laatste is bij schriftcritici een heel gebruikelijke manier om vraagstukken op te lossen... De tekst is dan verminkt overgeleverd, en deze critici gaan de oorspronkelijke tekst herstellen."
Prof. v. d. Woude geeft echter een heel andere oplossing. Z.i. zijn in hfdst. 2-5 beurtelings Micha en diens tegenstanders aan het woord. Een vorm dus van tweegesprek, een dialoog. Op zichzelf genomen is zo'n oplossing niet helemaal nieuw. Ook prof. dr G. Ch. Aalders nam al aan dat in Micha 2 de profeet in de rede werd gevallen door zijn tegenstanders (2: 12, 13). Een hiermee verwante oplossing bood prof. dr K. J. Popma indertijd voor het boek Prediker.
Bijbelgebruik
Volgen we prof. v. d. Woude, dan zijn het Micha's tegenstanders, die voor Jeruzalem het goede voorzien en voorzeggen, en dat terwijl de legers van Assyrië allerwege dood en verderf zaaien.
Zij zijn het die aan komen dragen met de genoemde profetie van Jesaja, nadat Micha onheil heeft geprofeteerd over Jeruzalem. Om eens iets te citeren: in hfdst. 4: 1 v.v. trachten de opponenten van Micha "met gebruik van bestaande profetieën ... het ongelijk van Micha's prediking (vgl. 3: 12, P.) te bewijzen... een zeldzaam voorbeeld van het misbruik van 'canonieke profetie' ten dienste van eigen ideologie. Daaruit moge blijken dat het verschil tussen 'ware' en 'valse' profetie niet gelegen is in een verschillende 'objectieve' waarheid, maar in een ideologisch gebruik van de waarheid met voorbijzien van het feit dat 'werkelijke waarheid' haar eigen tijd en uur heeft. Hetzelfde zeggen is niet steeds hetzelfde bedoelen".
Woorden om over na te denken als wij de bijbel citeren, of al dan niet vermeende kerkvaders en "grote leiders", en dat om eigen ideologie (samenstel van ideeën) te ondersteunen.
En nu nog eens die tegenstanders.
We citeren weer: "Zelf van het platteland afkomstig richt Micha zich in zijn profetieën dan ook tegen de nieuwe klasse van militairen en magistraten die hun machtspositie te baat nemen om zich ten koste van eigen erf de boeren en hun gezinnen te verrijken (vgl. 2: 1-5; 3: 9-11, P.).
Hij blijft daarbij ook in zijn soms ruwe taal (3 : 3; 3 : 5) een plattelander.
De ergernis die deze 'boer' bij de upper ten van Jeruzalem heeft opgeroepen, moet groot geweest zijn. Zeker als zij van zichzelf was. heeft deze élite tegen de door Gods Geest gedreven prediker (vgl. 2: l l a-b: 3 : 8) enkel maar het dogmatisme van een positivistische orthodoxie kunnen en willen stellen.
Zijn protest tegen een heilstheologie die niet in de bres springt voor de ontrechten van de maatschappij, is zoals zo vaak dat van een roepende in de woestijn gebleven, totdat de traditie (? P.) zijn woorden als woord van God ontdekte en ze een plaats gaf in de canon als blijvende waarschuwing voor een in zichzelf gekeerde, zelfgenoegzame en verkilde orthodoxie."
Deze lange zinnen zijn niet alleen typerend voor een Fries, ze verraden in hun geladenheid ook hoe sterk de schrijver betrokken is bij het maatschappelijk en kerkelijk gebeuren.
Plaatsbepaling
De verleiding om verder te citeren (bijv. "een profeet verkondigt niet wat zal, maar wat gezien de gegeven situatie moet gebeuren") is groot. Toch blijf ik nu hier even bij die dialoog, dat 'binnenkerkelijk' tweegesprek staan.
Je kunt nl. voor eigen parochie preken en de (je) gemeente de zin van het evangelie, ook het kerstevangelie in de heilshistorie proberen te laten zien. De vraag is echter of je daarmee kunt volstaan.
Buitenstaanders zullen immers nauwelijks vragen naar de eigenheid, de identiteit van een bepaalde gemeente. Voor hen behoor je tot een wereldwijde groep die als christenen wordt aangeduid. Of je wilt of niet, je kunt je daarvan niet isoleren noch je eraan onttrekken. Kom bijv. bij de Joden eens aan met de term christenen - de overleven den van de tweede wereldoorlog hebben zo hun eigen idee van wat christenen zijn... En zo zijn er heel wat meer groepen, rassen, volken die op de een of andere manier met christenen te maken krijgen èn daar het hunne van denken. Op grond van het heden of het verleden. Moet er niet tenminste een samenhang met alle christenen - ook al dragen zij alleen maar de náám erkend worden? Kan ook maar één christen hen om het tere gebed van onze Heiland, met daarin de woorden: ... opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt (Joh. 17: 21)? Het optreden van de lutherse kerk in Denemarken is een andere dan dat van een gereformeerde in Nederland en een rooms-katholieke in Zuid-Amerika.
Is het niet daaraan te wijten dat er niet alleen secten ontstaan, maar ook theologieën als die van de revolutie opduiken? Men kan, als in Jeremia' s tijd luidkeels verkondigen: "wij zijn wijs en de wet des HEREN is bij ons", "des HEREN tempel... is dit" en "vrede, vrede (terwijl er geen vrede is)" (Jer. 8: 6; 7: 4 6: 13, 14; 8: 10). Maar als dat een vorm is van "in zichzelf gekeerde, zelfgenoegzame en verkilde orthodoxie", dan heeft het "vrede op aarde" in mensenmond weinig overtuigingskracht.
De vraag laat zich stellen of niet zelfonderzoek in het licht van de Schrift en het tweegesprek binnen de kring van al wat zich christen noemt plicht is.
Nog eenmaal dr v. d. Woude: "Micha verkondigt in de lijn van alle schriftprofeten de bevolking van Jeruzalem heil door het oordeel heen: via het nulpunt van het exil (de ballingschap, P.) is: het Jahweh alleen die als verlosser.
.. van zijn volk het heil zal realiseren. In de principiële onheilssituatie van het heden is enkel heil te verwáchten van God voor wie een menselijk nulpunt niet het laatste is, maar die 'nieuwe dingen' kan scheppen (Jes. 40 v.v.) ... "
Zoals in Jes. 11 wordt teruggegrepen op de schapeboer Isaï, zo heet het in Micha 5 : 1 niet: "en gij, Jeruzalem, Miqdal-Eder" ("citadel" waar de kudde schapen een veilig heenkomen vindt) ... (4 : 8), maar: "en gij, Bethlehem Efratha, klein onder de clans van Juda ... " Het “nulpunt" kon ook in de kerkgeschiedenis wel eens even veelzeggend als vaak, vergeten zijn. Maar dat leren ons de Schriften - even vaak is blijkbaar dat "nulpunt" Gods uitgangspunt voor het "vrede op aarde in mensen van welbehagen"
tot aan de verwerkelijking van het "zie, Ik schep een nieuwe wereld en een nieuwe aarde" Jes. 65: 17 v.v. en "zie, Ik maak alle dingen nieuw" Op. 21 : 5. Het is van Hém afhankelijk dat er een aarde komt waarop "vrede" en "gerechtigheid" woont. .. Maar wie wèrkelijk christen is, beroept zich niet alleen op Gods garantie, maar doet wat in zijn macht is het nieuwe Koninkrijk gestalte te geven nu al!'