De vreemde keus
1976-01-02
Een aflopende taak - Jaargang 20
- nummer 1
Met de jaarwisseling is ook de twintigste jaargang van Opbouw aangebroken. Die jaargang begint op de voorpagina en die voorpagina is een begrip. En dar niet maar voor de drukkerij (die er echt het beste van maakt!) en voor de redactie. Die voorpagina is een begrip dat de oprichters voor de geest stond vanaf het eerste nummer van "Opbouw". Het ging immers om een weekblad tot opbouw van het gereformeerde leven.
Om daar vóór alles de nadruk op te leggen, werd de eerste pagina gereserveerd voor Schrift-overdenkingen.
Geen meditatie in de toen gebruikelijke zin van het woord: stichtelijke lectuur uit de losse hand, maar stichtende, opbouwende, inzicht verschaffende behandeling van Schrift-gedeelten.
Op dit punt draagt Opbouw het stempel van het tijdvak dat collega De Jong zo treffend heeft gekarakteriseerd met het woord "Schrift-beweging".
Een en ander bracht ook met zich mee de poging zo genuanceerd te denken, dat de christelijke vrijheid niet in het gedrang raakte maar tot verdere ontplooiing kon komen. We hopen daar verderop in het jaar nog wel eens op terug te komen. Nu volstaan we met de herinnering dat de christelijke gemeente mondig wordt geacht.
Anders gezegd: predikanten moeten in dit "laatste der dagen" steeds er op bedacht zijn zichzelf overbodig te maken. Ze hebben, mits goed verstaan, een aflopende taak. Aan (en niet in) het "eind der tijden" wacht hun een definitief emeritaat!
Een vanzelfsprekende zaak?
De Schrift (en iemand heeft eens gezegd: dat is haar zwakheid) laat zich gebruiken en misbruiken. Je kunt haar bijvoorbeeld "horizontaal" of "verticaal" lezen.
Met deze overbelaste woorden bedoel ik geen modern horizontalisme of een eventueel herleefd Barthianisme, Eerder denk ik bij "verticaal" aan de oude gewoonte het oog te laten vallen op een losse tekst, waarover je bespiegelend wat voortmijmert. Terwijl ik bij "horizontaal" denk aan het feit dat een tekst of groter Schriftgedeelte pas veelzeggend is als je die laat staan. in het geheel van Gods openbaring.
Neem nu eens Lucas' beschrijving dat Jezus in Bethlehem is geboren.
't Is zo simpel, nietwaar? En toch ... Ja, nu bent u misschien bang dat ik het moeilijk ga maken.
Misschien is dat ook wel ze.
Maar ik beloof dat ik het niet moeilijker zal maken dan de Schrift het zelf doet. En ik zal proberen één punt goed duidelijk te maken. Z6 dat u straks zelf kunt zeggen: 't is inderdaad simpel, maar toch ...
Dat had je gedacht!
Jezus is in Bethlehem geboren zo hebben we het altijd gehoord en gelezen. En daarom zijn ook op het laatste Kerstfeest weer drommen christenen naar Bethlehem getrokken. Maar die geboorte in Bethlehem is niet logisch, niet vanzelfsprekend. Eigenlijk is dat gek - net zo vreemd als Micha 5 : 1.
Waarom is Jezus niet geboren in Jeruzalem, zoals de andere nakomdingen van David - Salomo bijvoorbeeld? Dat had toch gekund - dat was toch logisch geweest?
De kinderen van koningin Juliana zijn toch ook niet geboren in Duitsland of Orange?
Waarom wijst Gods vinger dan naar een kribbe in een stal in Bethlehem? Omdat ze in Jeruzalem nog steeds niet hadden begrepen wat God alle eeuwen door had gezegd en gedemonstreerd, Jeruzalem sloeg zich allang op de borst: des HEREN tempel is dit! En Israël liet 't luidkeels trots horen: ons heeft de HERE uit Egypte verlost ... wij zijn het uitverkoren volk!
Maar dan komt wel een profeet droogweg vragen uit Gods mond: en heb Ik de Filistijnen (nota bene!) niet uit Kaftor gevoerd? (Amos 9 : 7). Terwijl Jeremia tegen het parmantige Jeruzalem moet zeggen: Ik zal met dlit huis, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb, waarop gij uw vertrouwen stelt, en Ik zal u van voor mijn aangezicht wegwerpen ... (Jer. 7 : 14, 15). En aan het "gij Bethlehem Efratha" gaat vooraf de aanmoediging (als we het goed zien) om de koning van Jeruzalem met een stok in zijn gezicht te slaan ...
Als de mens zegt: Ik ... , zegt God: maar Ik ... !
Constante correctie
Zo was het van het begin af gedemonstreerd.
God gaat niet de weg van de menselijke vanzelfsprekendheid (Jes. 55 : 8,9). Niet Ismaël was Gods uitverkorene, maar dat jochie waar hij om grinnikte: Izaäk. Niet Ezau maar Jacob. Niet Ruben maar Juda.
Niet Manasse maar Efraïm. Niet de gecultiveerde Egyptenaren maar die stinkende veehoeders, de Israëlieten.
Niet het grootse Mesopotamie maar de tochtdeur der volkeren, Kanaän. Niet Aäron maar Mozes. Niet Peninna maar Hanna. Niet de Schriftgeleerden in Jeruzalem maar de herders in Bethlehem. Niet vele rijken en edelen, maar wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht was (1 Cor. 1 : 26 v.v.).
Steeds weer wijst God af het eigendunkelijke voor de hand liggende. Niet omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE zich aan u verbonden en u uitverkoren - veeleer zijt gij het kleinste onder de volken ... (Deut. 7 : 7). Israël moet dit leren inzien en aanvaarden, zoals Korach, Dathan en Abiram. Het moet Gods souvereiniteit respecteren: Hij verkiest wien het Hem behaagt.
Dan heeft de uitverkorene geen stof tot roem maar tot stille verbazing (Ef. 2 : 8).
Had u dat gedacht?
God wil het er elke keer opnieuw inhameren, anders zullen ze Hem nooit kunnen volgen, letterlijk noch figuurlijk. Anders blokkeren ze zelf de weg om zijn verdere doen en laten te begrijpen of ervan te profiteren.
Het is immers niet vanzelfsprekend dat iemand komt om het verlorene te zoeken, om goddelozen te rechtvaardigen. Het is niet logisch een Koning te hebben "wiens wieg was een kribbe, wiens troon ("dit is de koning der Joden) was een kruis."
Dat gaat niet alleen tegen alle hoogmoed in, maar ook dwars tegen alle berekening: wat geen oog had gezien, geen oor gehoord, wat in niemands hart was opgekomen ... dàt doet God! Hij die in de gestalte Gods was, heeft de gestalte van een slááf aangenomen (Fil. 2 : 6, 7) - daar moet je dan ook wel op bedacht zijn ... De Zoon van God een mens, de Zoon van David ... in Bethlehem. God onder de mensen - aan tafel bij tollenaren en zondaren. Een Koning gekruisigd als een boef. 't Is onvoorstelbaar. 't Dwingt tot nadenken.
Voor wie dát ziet, gaat er een licht op: de eersten die profiteren van de Messias zijn ... zijn moordenaars (Hnd. 2 : 38, 39).
Dat is het láátste dat je zou verwachten.
Afleren moet ieder elke vorm van hoogmoed, door naar Jezus te luisteren: leert van Mij (en niet van de schriftgeleerden), want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart (Mt. 11 : 29). Niet Jeruzalem, maar Bethlehem - 't is zo simpel, maar toch ... En wie dat wil aanvaarden, komt zijn verbazing niet te boven. Want dan wijst Gods vinger - Johannes zag het - tóch weer Jeruzalem aan, de heilige stad, nederdalende uit de hemel ... En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam ... ja, toch! (Op. 21 : 10, 22). Een stad voor wie nederig is van hart, voor wie zegt: 0 God, wees mij, zondaar, genadig ...