Veelzijdige en langdurige hulp aan Oost-Europa vanuit meerdere NGK’s

2012-08-18
  • Jaargang 56
  • nummer 16
ROTTERDAM – Hulpverlening aan Oost-Europa is een wijdverbreide activiteit binnen het Nederlands Gereformeerde kerkverband. Velen zetten zich vanuit bewogenheid en naastenliefde in voor de minderbedeelden in het voormalige Oostblok. Zowel materiele als geestelijke steun wordt geboden. In een aantal gevallen is sprake van langdurige relaties die hun oorsprong hebben in de jaren ‘60 en ’70 van de vorige eeuw. In de loop van de tijd is er veel veranderd: het communisme is gevallen en het accent in de hulpverlening is verschoven van directe voedsel- en goederenhulp naar ontwikkelingshulp en partnerschap. De meeste initiatieven zijn gericht op Hongarije, Roemenie en Oekraine.

Bij dit nummer is een poster gevoegd met het resultaat van een landelijke uitvraag onder NGK’s naar hun hulpverlening aan Oost-Europa.
Dit overzicht pretendeert niet het volledige Oost-Europawerk binnen de NGK in kaart te brengen. De tweeëndertig initiatieven – in enkele gevallen meerdere per NGK – tonen wel de veelzijdigheid van de ondersteuning en de vasthoudendheid waarmee die wordt verleend.
Naast het verstrekken van directe materiële en financiële hulp worden de handen uit de mouwen gestoken bij bouwprojecten, wordt geholpen bij het creëren van opvangmogelijkheden voor weeskinderen en wordt geïnvesteerd in zuster- en partnerrelaties met plaatselijke kerken door wederzijdse bezoeken, ook door jeugdgroepen. Het overgrote deel van de gerapporteerde hulpinitiatieven stamt uit de vorige eeuw. In een aantal gevallen is het Oost-
Europawerk in een stichting ondergebracht. Wellicht kan dit overzicht plaatselijke Oost-Europacommissies stimuleren om contact te leggen met andere commissies om ervaringen uit te wisselen over specifieke vormen van hulpverlening of over de werkzaamheden in bepaalde regio’s in Oost-Europa.

Bewogen raken
Wat gebeurt er met een mens op het moment dat hij of zij besluit om honderden kilometers te gaan reizen naar onbekend gebied om medemensen te helpen? In zijn boek ‘Hollandíaból’ over de hulpverlening aan Roemenië vanuit de NGK Assen, beschrijft Andries Toebes hoe hij op een informatieavond in 1990 in de kerk bewogen raakte met de situatie van de mensen in Roemenië. ‘Tal van dia’s lieten de armoede, de ellende en het verdriet van de inwoners van de dorpen in met name Transsylvanië zien. (…) Eén dorpje herinner ik mij in het bijzonder: Capusu Mare. Het lag aan de weg naar Cluj, (…) De bewoners van dat dorpje waren armoedig gekleed (…) Maar wat mij het meeste trof, was een jongetje … een gehandicapt jongetje … in een kast … de deur was eruit … het leek wel, alsof er tralies voor de kast zaten … in plaats van de deur (…) Toen we die foto zagen, die dia, was onze eerste reactie: daar moeten we wat aan doen. Na afloop van die lezing heb ik mij onmiddellijk opgegeven voor een reis naar Roemenië.’ Uiteindelijk heeft de hulpverlening uit de NGK Assen zich geconcentreerd op het dorp Geges.

Vloermatten
In een nog uit te geven boekje over de pioniersfase van het Oost-Europawerk in de NGK Rotterdam doen Joost en Marie van den Herik hun verhaal . Vanaf 1976 hebben zij vele bezoeken gebracht aan Hongarije, Roemenië en Oekraïne.
De volgende citaten uit het boekje laten iets zien van het werk dat zij gedurende een periode van ruim twintig jaar hebben gedaan. Joost geeft aan waar de activiteiten in de begintijd vooral op waren gericht: ‘De eerste opzet van ons is altijd geweest, toen de communistische druk er was, om vooral predikanten die in de nood zaten, te helpen met geld, kleding en later ook catechisatieboekjes in het Hongaars.’ Vele Hongaarse en later ook Roemeense predikanten hebben zich in de loop der jaren mogen verheugen in een bezoek van de Van den Heriks.
Vele namen van predikanten duiken op in hun archief. In de tijd vóór de val van het communisme in 1989 was het passeren van het IJzeren Gordijn in oostelijke richting een enerverende bezigheid.
Met de auto door Duitsland, Oostenrijk en Hongarije om aan de Roemeense grens te komen. ‘Als je daar aan de grens kwam, keek je in de loop van een geweer’, onderstreept Joost het risicovolle karakter van de trips die hij en Marie maakten. ‘Niet alles mocht zomaar mee het land in, dat gold zowel voor Hongarije als voor Roemenië’.
Joost vervolgt: ‘Er was een hele scherpe controle.
Je kwam aan de grens en de vrachtwagens die hadden een aparte route, die stonden achter elkaar. De luxe wagens gingen daar dan links van staan. Afwisselend werden vrachtwagens en luxe wagens doorgelaten. De luxe wagens gingen allemaal langs tafels. De controles aan de Hongaarse grens vielen nog wel mee, maar het kon toch weleens gebeuren dat ze de vloermatten uit de auto haalden. En je moest altijd de kofferbak openmaken. Je moest laten zien wat je bij je had.’

Ingwersenbijbels
Was een bezoek aan Roemenië voor de Nederlandse bezoekers niet zonder risico, ook de inwoners van dat communistische land moesten op hun hoede zijn.
‘Naast het gebrek aan een deugdelijk systeem dat in de normale levensbehoeften van de mensen moest voorzien, was er voor de Roemeense burgers ook sprake van een gebrek aan vrijheid.
Voor hen was het onder de communistische dictatuur risicovol om Nederlandse bezoekers te ontvangen’. Marie herinnert zich het volgende voorval. ‘We waren een keer bij een dominee die in een donker straatje woonde. Het was een hele aardige vent.
Zodra we binnen waren, moesten we allemaal bidden.
Dat was het eerste dat we deden. Hij was alleen, geloof ik, die man. Maar, in ieder geval, wij gingen weg en toen zei hij: “Willen jullie je autolichten niet aandoen voordat je de straat uit bent? Want als ze dat gele nummerbord zien, dan weten ze dat ik Nederlanders op bezoek heb gehad.”’ De ommekeer die de val van het communisme eind 1989 teweeg bracht, was bij de Roemeense grens direct merkbaar. In november 1989 viel de Berlijnse Muur en eind december van dat jaar kwam het regime van de Roemeense dictator Nicolae Ceauþescu ten val, waarbij de dictator en zijn vrouw werden geëxecuteerd. Na de val van het communistische bewind in Roemenië togen Joost en Marie onmiddellijk naar het bevrijde land.
Marie doet verslag van die periode. ‘We hoorden in december van de val van het Roemeense regime en we zeiden tegen elkaar: nou willen we ook gelijk gaan.
We vertrokken op 7 januari 1990. We namen een kar vol met Ingwersenbijbels mee, dat zijn jeugdbijbels. Met die vracht kwamen we aan bij de Roemeense grens. Het eerste wat daar gebeurde, was dat de douane ons allemaal vlaggetjes van Roemenië gaf.
Daarna gingen wij die jeugdbijbels uitdelen, daar bij de grens, aan die douanebeambten en die waren zo blij. Eén van die mannen vroeg er ook één voor z’n moeder! Wij konden zomaar de bijbels uitdelen! Dat was geweldig!’ Joost vult aan: ‘Het was onvoorstelbaar.
Bij de douane was zo’n grote dikke vent. Die kenden we wel. Vroeger als hij dacht dat je bijbels bij je had, nou dan … En nu wilde hij bijbels hebben, voor z’n moeder en voor z’n schoonmoeder en voor de familie.’

Europese Unie
Naast het wegvallen van het IJzeren Gordijn hebben ook de ontwikkelingen op materieel gebied impact gehad op het Oost-Europawerk vanuit de NGK’s. ‘De vraag om materiële hulp is er nog steeds, omdat de armoede groot is’, licht Anne Marie van Raalten-Ligtenberg, secretaris van de Roemenië-commissie van de NGK Zeewolde, toe.
‘Het is wel andere armoede dan een aantal jaren geleden.
De huizen worden steeds beter en de straten zijn sinds dit jaar volledig geasfalteerd.
Er is dus veel materiële vooruitgang. Maar men wil ook steeds meer. Kinderen willen internet. Dat betekent aanschaf van computers, mobiele telefoons en internetverbindingen.
Bovendien trekken de jongeren steeds meer weg uit de dorpen.
Net zoals in andere landen dringt de welvaart binnen met alle gevolgen van dien.
Dat maakt ook de behoefte anders. En ook de roep om geestelijke groei van traditioneel naar persoonlijk geloof is binnen die context goed te begrijpen.’ Ook Bert den Bakker, waarnemend voorzitter van Stichting HARO (NGK Doetinchem-Velp), signaleert belangrijke veranderingen in de aard van de hulpverlening. ‘Decennia lang bestond de hulp uit het zenden van goederen en bijbels. Ook al in de tijd vóór de val van Ceauþescu.
Later werden deze goederenzendingen meer gericht op projecten om de plaatselijke economie te steunen, zoals eigen voedselverbouw en -verwerking in dorpen. De ontwikkelingen in Roemenië zelf en vooral de toetreding tot de Europese Unie, is voor ons reden geweest om het roer om te gooien. Het werd effectiever om geld te sturen, zodat de ontvangers zelf ter plaatse de benodigde goederen konden kopen.
Daarnaast zijn we ons gaan richten op diaconale hulp, omdat de EU al tal van economische projecten steunde, maar de sociale en persoonsgerichte hulp sterk achterwege bleef. We zagen dat de economie groeide, maar dat zwakke bevolkingsgroepen, zoals bejaarden, daar niet van profiteerden, maar juist verarmden.’

Oostwaarts
Adriaan Versluis, voorzitter van de Oost-Europa Commissie in de NGK Ermelo-Harderwijk-Putten, geeft aan dat Roemenië wel toegankelijker is geworden, maar dat het met de groei van de welvaart momenteel niet bijster goed gesteld is. ‘Na de val van Ceauþescu ging het hoopvol beter in Roemenië.
De contacten zijn makkelijker te leggen, de afstand is afgenomen. Inmiddels merk je veel teleurstelling, omdat het leven er niet beter op geworden is, zeker nu het economisch slecht gaat. ‘s Winters lijden de mensen bittere armoede.’ Henk Prins, voorzitter van Stichting Diaconea (NGK Nunspeet) ziet zowel een verbreding als een verschuiving in de hulpverlening. ‘Van ondersteuning van predikantsgezinnen heeft onze bijdrage zich ontwikkeld naar brede hulp aan de gemeente in geestelijk en materieel opzicht.
De ondersteuning is ook meer oostwaarts gegaan naar de randen van de EU. De armoede is gebleven en de kloof tussen arm en rijk is groter geworden.’ De hulpverlening die de Stichting Romadopt (NGK Houten) geeft in het Roemeense Fintinele is volgens bestuurslid Koos Scholtens gebaseerd op het adagium ‘van vissen geven naar het verstrekken van hengels’. Dit motto is typerend voor de trend in het Oost-Europawerk van de verschillende NGK’s in den lande: partnerrelaties opbouwen en vanuit samenwerkingsverbanden dingen voor elkaar krijgen. ‘Wij willen licht brengen in donker Fintinele,’ licht Koos Scholtens de motivatie van Romadopt toe. ‘Op allerlei manieren met allerlei mensen met allerlei kwaliteiten en mogelijkheden.
Aangewakkerd vanuit ons geloof om de wereld mooier te maken: de wereld van hier voor jong en oud en de wereld van de mensen in Fintinele, jong en oud … Gods wereld. Daarvoor hebben we in Fintinele een boerderij gekocht, een oude kolchoz, om onder bezielende aanvoering van een Nederlands boerenechtpaar de mensen in Fintinele te helpen zich te ontwikkelen.
Zo krijgen de mensen de kans om hun eigen stukje grond beter en anders te bebouwen met een betere oogst en met zicht op een andere toekomst.’ Dat het werk verder oostwaarts gaat, laat ook de NGK Ede zien.
De Edese zustergemeente in Székelykakasd vormt een springplank naar Oekraïne.
‘We zijn nu zover dat onze zustergemeente in samenwerking met de Oost-Europacommissie een zendende gemeente kan worden,’ merkt Theo Guykens, secretaris van de Oost-Europacommissie, op. ‘Hierdoor kunnen het hulpverleningswerk en de christelijke contacten hopelijk worden uitgebreid richting Oekraïne.’

Van deur tot deur
Dat er tijdens een bezoek aan Roemenië ook gelachen wordt, blijkt uit het volgende voorval tijdens een bezoek vanuit de NGK Rotterdam aan de zustergemeente in Cãpuþu Mic.
Een bezoek aan Cãpuþu Mic is niet compleet zonder diaconale bezoeken. Elke keer dat leden van de Werkgroep Roemenië met hun gastreizigers in het Roemeense dorp verblijven, krijgen zij van de locale predikant een lijst met daarop zo’n twintig adressen. Dat zijn de mensen uit het dorp die het echt nodig hebben dat er iemand langs komt en een klein beetje verlichting brengt in hun vaak erbarmelijke omstandigheden. Op de adressenlijst die de predikant aan de Nederlandse bezoekers overhandigt, staan de namen van de allerarmsten, de weduwen en de weduwnaren uit het dorp. Zo loopt er tijdens elk bezoek een pastoraal team uit Nederland over de stoffige wegen in Cãpuþu Mic. Met levensmiddelen en geld op weg naar één van de twintig adressen.
Tijdens één van de vele reizen naar Cãpuþu Mic had het brengen van pastorale bezoeken vertraging opgelopen.
De oorzaak was het overvolle programma en bovendien gebeurt het weleens dat iemand die op de lijst staat niet thuis is op het moment dat het pastorale team voor de deur staat. Zo’n bezoekje schuift dan door naar een later tijdstip. Op de afscheidsavond moesten daardoor nog twee adressen worden afgehandeld. De huisnummers op de lijst gaven aan dat de mensen die nog bezocht moesten worden aan het eind van de langgerekte weg woonden, die door het dorp loopt. Het was op een behoorlijke afstand van de pastorie, waar het reisgezelschap met een aantal Roemenen bijeen was om de laatste avond op gepaste wijze door te brengen. Dick van der Meer, één van de Nederlandse gasten, stelde daarom aan medereiziger Martin Sikma voor om de laatste twee bezoekjes met de auto te doen. Zo gezegd, zo gedaan. Het totale team van vier Nederlanders nam plaats in de auto en zette koers naar het eerste adres. De mensen daar waren blij verrast door de komst van de buitenlandse gasten en in een mum van tijd was de huiskamer gevuld met verwanten die in allerijl waren opgetrommeld om te delen in de vreugde van deze onverwachte visite. Ondanks de enorme taalbarrière werd het een gezellige boel. Maar er wachtte nog één laatste bezoek die avond en de tijd begon te dringen. Dick spoorde zijn teamgenoten aan om afscheid te nemen. De familie liep mee naar buiten om de gasten uit te zwaaien. Het Nederlandse viertal sprong in de auto: Dick achter het stuur, Martin op de bijrijdersstoel en de andere twee achterin.
Terwijl Dick de auto startte, informeerde hij bij Martin naar het huisnummer waar ze naartoe moesten. Martin had het nummer nog niet genoemd of alle inzittenden lagen in een deuk van het lachen. Wat bleek? Het volgende bezoekadres lag naast het huis dat ze net bezocht hadden.
Ze moesten bij de buren zijn, tien meter verderop. Gierend van de lach legden ze de “afstand” per auto af. Wat zullen de toekijkende Roemenen gedacht hebben? Rare Hollanders: met de auto naar de buren!

Van Nederlandse partnergemeente gezocht
De NGK Zeewolde heeft nauwe banden met de reformatorische gemeenten in Dámos en Jákótelke in Roemenië. De predikant van deze gemeenten, ds. Attila Agoston, is begin 2012 naar de nabijgelegen stad Cluj vertrokken. In een nieuw gedeelte van deze stad heeft hij een gemeente gesticht. Deze gemeente is nog klein, maar naar mate er meer mensen in de nieuwe stadswijk komen wonen, verwacht hij gemeentegroei. Ds. Agoston heeft de relatie met de NGK Zeewolde altijd enorm gewaardeerd.
Bij zijn afscheid heeft de Zeewolder gemeente aan hem gevraagd of hij voor zijn gemeente in Cluj een Nederlandse partnergemeente op prijs zou stellen.
Dat bleek inderdaad het geval. Vandaar de vraag: welke gemeente in Nederland (van NGK- of andere signatuur) is geïnteresseerd in een mogelijke partnerrelatie met de gemeente van ds. Attila Agoston in Cluj? Informatie is te verkrijgen bij Anne Marie van Raalten-Ligtenberg, lid van de Roemeniëcommissie van de NGK Zeewolde, emailadres: annemarievanraalten@solcon.nl.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief