Het boek Daniël
1975-06-20
Een nieuwe tijd- Jaargang 19
- nummer 25
Er bestaat grote overeenkomst tussen de gebeurtenissen beschreven in hoofdstuk 3 en de bekende geschiedenis van "Daniël in de leeuwenkuil".
Beide malen lezen we over een koninklijk gebod, dat onvoorwaardelijk moet worden gehoorzaamd, over trouwe dienstknechten des HEREN, die niet kunnen gehoorzamen zonder hun Heer in de hemel ongehoorzaam te worden, over de naar menselijke mogelijkheden onmogelijke ontkoming aan de dood en over de wonderbaarlijke redding van Godswege door engelendienst.
Deze opvallende overeenkomst mag ons niet over het hoofd doen zien de verschillen, die evenzeer aanwezig zijn. Hoofdstuk 6 is geen herhaling in iets andere vorm van wat eigenlijk reeds in hoofdstuk 3 als boodschap is gebracht, maar het is een aanvulling, waarin belangrijke nieuwe gegevens worden geboden. Sinds Nebukadnezar zijn gouden beeld heeft 'Opgericht en daarvoor aller aanbidding heeft geëist is er veel veranderd. Metterdaad is gebleken, dat het beeld van Babel een al te hoge en hoogmoedige greep is geweest. Met al haar pracht was Babel toch niet meer, dan slechts het hoofd van een beeld; een hoofd, dat plaats moest maken voor het komende onderdeel. Babel is gevallen; een nieuw rijk is gekomen; het droombeeld bleek meer met de werkelijkheid overeen te komen, dan het reële beeld.
De' nieuwe tijd heeft veel veranderingen gebracht. Daniël krijgt op zijn hoge leeftijd - minstens 80 jaar - weer een zeer belangrijke functie, waarin hij zó veel kundigheid en trouw betoont, dat de koning overweegt hem over het gehele koninkrijk te stellen.
Van deze koning, Darius de Meder, is niets meer bekend, dan wat in dit hoofdstuk en in 9 : 1 wordt meegedeeld. Met de veel meer bekende Darius, die o.a. in Haggaï 1 : 1 wordt genoemd, heeft hij slechts de naam gemeen. Waarschijnlijk is hij een korte tijd mede-regent geweest met koning Kores, speciaal belast met de bestuursinrichting van het Medisch-Perzische rijk, zolang Kores nog te veel door zijn veldtochten in beslag werd genomen.
Het rijk van de Meden en Perzen is anders dan Babel. Kores, de gezalfde des HEREN (Jes. 45: 1) heeft Israëls deportatie beëindigd en het gerei van het huis des HEREN, dat Nebukadnezar uit Jeruzalem had weggevoerd -en in de tempels van zijn goden -had geplaatst terug laten brengen, opdat het weer een plaats zou krijgen in het huis des HEREN (Ezra 1).
Ook Darius spreekt andere taal dan Nebukadnezar, De laatstgenoemde zei, ondanks zijn erkenning dat Daniëls God de God der goden en de Heer der koningen is, tegen Sadrach, Mesach en Abednego: "Wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?".
Darius, die zelf nog geen bewijs van de grootheid des HEREN heeft gezien, doch hoogstens over Hem heeft horen spreken, stelt de vraag: "Daniël, gij dienaar van de levende God, heeft uw God, die gij zo volhardend dient, u van de leeuwen kunnen bevrijden?" .
Nebukadnezar wordt vervuld met gramschap als Daniëls vrienden blijven weigeren zijn gebod te gehoorzamen; Darius is er helemaal stuk van als het hem onmogelijk blijkt te voorkomen, dat Daniël in de kuil der leeuwen wordt geworpen.
De koninkrijken der aarde wisselen elkaar af; Gods volk heeft het in de éne wereldsituatie gemakkelijker dan in de andere. Nebukadnezar moest de last des HEREN volbrengen om Gods toorn aan Israël te bedienen; Kores is geroepen om Zijn genade te dienen. De HERE doet al deze dingen. En het volk moet altijd waakzaam zijn. Want wat er ook verandert, gevaar blijft altijd present.
Nieuwe bedreiging
Evenals destijds zijn vrienden, wordt ook Daniël geplaatst voor de keus tussen dood en leven. Een keus, die voor wie de HERE kennen een totaal andere is, dan voor wie die kennis ontberen. Voor de laatsten geldt tenslotte altijd het eigen belang, voor de eersten de trouw aan God.
Het eigen belang maakt vindingrijk. Met grote sluwheid wordt het plan gesmeed; met geweld is ditmaal niets te bereiken, maar de list zal het beoogde doel bereiken: Daniël moet weg!
Bij hun beraadslagingen moeten ze erkennen, dat zij bij hem geen verzuim of iets verkeerds bij hem kunnen ontdekken. Een loffelijk getuigenis uit de mond van vijandige en jaloerse collega's, Daniël heeft kennelijk verstaan dat het dienen van God onder meer betekent zorgvuldig en met grote trouw bezig zijn in het dagelijks werk. Hoe heerlijk zou het zijn als dat getuigenis gegeven kon worden aan allen die de, Naam des HEREN belijden! Maar, helaas...
Nog loffelijker wordt het getuigenis, wanneer ze verder gaan: "Wij zullen tegen deze Daniël geen enkele grond voor een aanklacht vinden, tenzij we iets tegen hem vinden in de dienst van zijn God."
Het is blijkbaar aan allen bekend geworden, dat Daniël op dat punt onder geen beding ook maar' de minste concessie zou doen. Als er iets zou zijn waarin zijn toewijding aan de zaak van de koning in wiens dienst hij stond zou worden overtroffen, dan zou het zijn de toewijding aan de zaak van God. Daarvan zijn ze zozeer overtuigd, dat ze daarop hun gehele plan baseren.
Ja, zo hoort het toch ook te zijn, dat een dienaar van déze God bij iedereen bekend staat als onvoorwaardelijk standvastig. Zo hoort het! Maar, helaas...
Het plan zit goed in elkaar en de koning loopt argeloos in de val. Geweld (hfdst. 3) èn list (hfdst. 6) zullen steeds de dienaren van God bedreigen. Het zijn de geduchte wapenen van Gods grote tegenstander. De tijden wisselen steeds, de methoden zijn telkens weer anders, maar de bedreiging blijft in de een of andere vorm.