Onze verhouding tot de kerken binnen verband
1976-01-09
Er is mij de laatste tijd nog al eens gevraagd welke mogelijkheden ik zie voor een toenadering tussen de kerken binnen en buiten verband.- Jaargang 20
- nummer 2
Opvallend is daarbij dat vrijwel ieder, die je spreekt, het er mee eens is dat wij, mensen die leven uit de verzoening in Christus, toch eigenlijk niet mogen berusten in de situatie zoals die is gegroeid, maar niemand weet hoe er wat aan te doen is.
De eerste hindernis op het smalle pad naar betere verhoudingen is dat het vrijwel ondoenlijk is om de zaak aan de basis op gang te brengen, In de plaatselijke kerken is het in de regel na een hevige strijd rot een uiteengaan gekomen rond de besluiten van de synoden van Amersfoort en Hoogeveen, waarbij men in een soort laatste ernst tegenover elkaar kwam te staan.
Er zijn daardoor moeilijke, diep in het persoonlijke leven ingrijpende verhoudingen ontstaan.
Doet zich een mogelijkheid voor van een aftasten van die verhoudingen dan merk je dat de broeders, die met ons gebroken hebben, nog heilig overtuigd zijn van hun gelijk.
Er is dus aan de basis weinig perspectief en dat terwijl in gereformeerde kerken de plaatselijke kerk zo belangrijk is.
Voor zover ik de handelingen van de laatstgehouden synode van de kerken binnen verband heb kunnen volgen, lag de zaak daar niet hoopvoller.
Er was weinig te merken van een omzien naar de broeders, die men indertijd had moeten loslaten, of van enige twijfel over handelingen in het verleden, die een uittocht van meer dan een kwart van de kerkleden ten gevolge had.
Ter synode diende een bezwaarschrift van de kerk van Maassluis; daar heeft men vermoedelijk minder bezwaren tegen de gang van zaken dan wij en als je dan ontdekt dat deze kerk, die geen contacten heeft met de kerken buiten verband, niet ter classicale vergadering wordt toegelaten, hoewel men a.h.w. voor de deur van de kerken blijft liggen, vraag je je af of het zwaard daar blijft verteren terwijl toch niemand met een verdere 'escalatie gediend is.
Wordt men dan nooit wijzer.
Heeft het nu zin, wanneer er zoveel aan de basis, als op meerdere vergaderingen geen verbetering van de verhoudingen valt op te merken, deze zaak aan de orde te stellen.
Doen we niet beter alle aandacht te concentreren op de opbouw van de gemeenten en te hopen op betere tijden.
Het kan zijn dat we tot die conclusie zullen moeten komen, maar zolang er nog zovelen zijn aan beide zijden die leed hebben over de breuk, zullen we de moed hebben op te brengen om onszelf en de anderen moeilijke vragen te stellen over een verleden dat ook ons verleden is.
Hierbij aanhakend wil ik in herinnering brengen dat er in de vrijgemaakte kerken heel wat is geschreven en gesproken over de kerk en de gemeenschap, die we in die kerk in Christus hebben ontvangen.
Was ergens een aantal vrijgemaakten bijeen, waarover spraken zij: het was weer over de kerk.
De kerk stond in hun leven voorop.
Het feit dat er op dit punt heftig is gestreden, wijst er op dat deze zaak leefde.
De gemeenschap in Christus' kerk was en is ons veel waard.
Er deden zich op de duur spanningen voor, wanneer de gebrokenheid van die kerk in het gezicht kwam.
Was er de eerste jaren na de vrijmaking nog leed vanwege de breuk die er was ontstaan tussen broeders en zusters van hetzelfde huis, later kwam de gedachte naar voren dat de vrijmaking ons juist had bewaard bij de eenheid van de ware kerk van Christus in deze landen.
Er waren broeders, die van een gebrokenheid van de kerk niet wilden weten, omdat de belijdenis spreekt van de éne, ware kerk, die naar men zei slechts op één adres vergaderd wordt.
Verder spreekt de belijdenis van secten en valse kerk.
Het is mij in het kader van dit artikel niet te doen om opnieuw over dit thema te discussiëren; het gaat mij er om dat velen in de kerken binnen verband het belijden over de kerkzo verstaan, gelijk kort geleden duidelijk bleek in een artikel van ds D. van Dijk dat in "Trouw" werd overgenomen.
Ik wil herinneren aan al de goede woorden die er gesproken zijn over de rijkdom, die we als christelijke kerk hebben ontvangen en aan het feit dat onze belijdenis van de ware kerk zegt, dat buiten haar geen zaligheid is.
De kerk is vanouds gezien als de ark van Noach, daarin was het behoud voor een wereld onder het oordeel.
Nu is het verre van mij te zeggen dat de broeders die geloven, dat zij samenvergaderd zijn in die kerk, waarvan het belijden zegt dat daarbuiten geen zaligheid is, leren dat er buiten hun kerken geen zaligheid is. Men erkent - een uitzondering daargelaten - dat er gelovigen zijn buiten de kerken, sprak Augustinus al niet van schapen buiten de stal, Nu heb ik hier een paar vragen te stellen.
Op het standpunt van de broeders, dat ik niet deel, maar wel serieus wil nemen, verkeren de schapen buiten de stal in een hoogst gevaarlijke situatie en vergeet de lammeren niet ...
Wanneer men nu erkent dat de broeders en zusters, met wie men de rijkdom van de gemeenschap in Christus heeft beleefd, een gemeenschap waarover heel kostbare woorden gesproken zijn, gelovigen zijn, christ-gelovigen, waarom is er dan zo weinig bewogenheid om hun lot, Zaken als gemeenschap der heiligen mogen we toch niet relativeren.
Wie dit doet relativeert de kerk en daartegen is zo gestreden.
Kostbare woorden over deze zaken in het verleden moeten we ook in het heden betalen.
Daaraan verbonden is het volgende.
Men heeft als gereformeerde kerken willen waken over de leer en gemeend maatregelen van opzicht en tucht te moeten treffen.
Ik wil de broeders ook op dit punt serieus nemen, al kost dit mij moeite na de kennismaking met die maatregelen.
Men is in de kerk niet klaar, wanneer men meent om Christus' wil tot buitensluitende handelingen te komen.
Bij de goede zaak van opzicht en tucht in de kerk hebben we te maken met de goede Herder die zoekt wat dreigt verloren te gaan.
Op dit punt mogen we elkaar aanspreken.
We hebben toch niet een spel gespeeld, maar kerk willen zijn.
De makkelijkste weg is vandaag dat we concluderen dat het een onmogelijke zaak is om nader tot elkaar te komen.
Buiten verband kunnen we dan blij zijn met onze vrijheid in Christus, zeggen dat we ons nooit meer in een strijd storten als voorheen, contacten verstevigen met anderen die met ons samen willen gaan op de smalle weg van Christus' kerkvergadering.
.. ..
Binnen verband kan men blij zijn dat de rust is weergekeerd en zich zetten aan verdere uitbouw van kerkelijk en gereformeerd leven binnen vaste kaders van scholen en organisaties. . .
Wie weet hoe oecumenisch we in beide kampen worden, maar wat zou voor ons het eerste gebod in deze zijn?