Klagen over de dood
2005-02-11
‘We hoeven niet bang te zijn voor de dood. Sterven kan een prachtige ervaring zijn. Het hangt er maar van af hoe we geleefd hebben.’ Dit is een citaat van de onlangs overleden Elisabeth Kübler-Ross. Sinds de jaren 1970 heeft zij veel over dood en sterven gepubliceerd. Haar inzichten hebben wijd en zijd veel invloed uitgeoefend.- Jaargang 49
- nummer 3
De vorige maal zagen we hoe de gereformeerde traditie hier heel anders over denkt. Zij ziet de dood als vijand, voor wie men terecht bang is. Tenzij men gelooft in Jezus Christus, de gekruisigde die is opgestaan. Hij heeft de vernietigende kracht van de dood gebroken. Sterven kan dan een gezegende ervaring worden. Het hangt er maar van af of we geloofd hebben.
Door God gewild
In deze laatste bijdrage wil ik laten zien dat de bijbel meer zegt dan in onze traditie aan het woord komt.
Wat ik mis bij Calvijn en de Heidelbergse Catechismus is het klagen over de dood, ja, ook het klagen in protest.
Gezondheid en ziekte, leven en dood worden ons deel niet bij toeval, maar ontvangen we uit Gods vaderhand. Zo leert de Catechismus (v/a 27). Calvijn benadrukt tegenover de opvatting dat alles in de wereld toevallig gebeurt, Gods almacht. Niets gebeurt er dat niet door God naar zijn vaste raad gewild is. Hij gaat uit van Gods voorbeschikking van alle dingen. Moeten we dan die afschuwelijke zeebeving in Azië zien als door God gewild – een ‘act of God’? Als God de eigenlijke veroorzaker is van lijden en sterven, past het niet te klagen. Terecht dat dan de Catechismus v/a 28 aanspoort om in alle tegenspoed geduldig te zijn.
Geduld, ja berusting is kenmerkend geweest voor veel gereformeerde omgang met dood en sterven. Ten onrechte, wil ik nu betogen.
Klagen in Jeruzalem
Klagen, hardop klagen over het kwaad dat ons treft, onderdrukken we meestal.
Dat was in Israël anders. Dat blijkt uit het boek Klaagliederen. Laat ik kort de situatie, die in dit boek beschreven wordt, even schetsen. Ik beperk me tot wat de kinderen overkwam.
Stad en tempel zijn door het Babylonische bezettingsleger in 586 vC plat gebrand. Plunderende soldaten hebben vrouwen en meisjes op de straten verkracht. Kinderen zijn verbrijzeld, de jeugd is gedeporteerd.
Kind en zuigeling versmachten op de pleinen van de stad. Er is geen eten meer om hen te voeden. In de armen van hun moeders stroomt het leven uit hen weg (2:12). Zachtaardige vrouwen koken hun eigen kinderen, die hun tot voedsel dienen (4:10). In hun klagen hierover klinkt ook protest door: 'Heer, moeten de vrouwen de kinderen eten die ze zelf gebaard hebben?' (2:20). Kan dat uw bedoeling zijn? Het oordeel van God over stad en volk is rechtvaardig; daar protesteren ze niet tegen.
Te ver gegaan
Maar ze protesteren tegen wat er, in het spoor van Gods straf, allemaal niet over hen heen gekomen is, met name van de kant van aartsvijand Edom (4:21-22). Dat was veel erger dan God ooit bedoeld kan hebben.
Jouw wandaden, Edom, zal God bestraffen, jouw zonden worden blootgelegd. Ze zijn te ver gegaan in hun niets en niemand ontziende campagne.
Daarom dat in 3:64 vol vertrouwen wordt beleden: 'Heer, u zult hen laten boeten voor wat ze misdeden.' Gods vloek en toorn worden over de vijanden afgeroepen: vaag hen weg van onder uw hemel! Het kan er bij de klagers niet in dat God in zijn toorn het afschuwelijke lijden van kinderen en zuigelingen bedoeld heeft. Men kende God als een God die toch goed is. Hij is een God die elke morgen nieuwe weldaden schenkt (3:23). Hij zou hen niet voorgoed vergeten (5:20). Bij deze God kunnen ze in klaaggebeden protesteren tegen het afschuwelijke lot dat de kinderen in de verwoeste stad getroffen heeft.
Zwijgen verbreken
Lijden en sterven werden in Israël door middel van klaagliederen verwerkt.
Het werd allemaal uittentreuren hardop uitgezegd; emoties werden niet onderdrukt. Klagen verbreekt het zwijgen waarmee we onszelf in rouw verstikken. Door te klagen krijgen we ruimte om onze smart met anderen, vooral ook de Ander, te delen – het begin van het rouwverwerkingsproces.
Waarom zouden we niet mogen klagen over het sterven van onze kinderen?
Waarom zouden we niet mogen protesteren, als de dood redeloos toeslaat in ons leven? Er gebeuren dingen die God niet bedoeld heeft.
Maar als we klagen, laten we tegen God klagen in het vertrouwen dat zijn vaderhand ons in leven en sterven niet loslaat, Heidelbergse Catechismus, Zondag 1.
Het lot of God
Terecht wijzen èn Calvijn èn de Catechismus een wereld af waarin willekeur en toeval de dienst uitmaken. We geloven niet dat het lot de wereld regeert; we belijden dat God de Vader van onze Heer Jezus Christus is. Tegelijkertijd moeten we niet toegeven aan een misplaatste uitleg van Zondag 10, alsof God de veroorzaker zou zijn van de Aziatische zeebeving van 2004. Allerlei afschuwelijke epidemieën mogen we niet met behulp van een bepaalde visie op Gods voorbeschikking op zijn rekening schrijven. Vergeten wordt dan dat als mensen wij deel uitmaken van een vergankelijke schepping die zucht en lijdt, en aan de zinloosheid ten prooi is.
Zinloosheid laat per definitie geen verklaring toe. Er is zinloos geweld; er wordt zinloos geleden; mensen sterven een zinloze dood. En het is terecht over deze zinloosheid bij God te protesteren in klaaggebeden. Niet dat we het bij klagen moeten laten. Hoe vaak eindigen klaagpsalmen niet met lofprijzing.
Begrijpelijk verzet tegen de gang van zaken in ons leven en in ons sterven maakt plaats voor overgave aan de Heer wiens eigendom we zijn met lichaam en ziel in leven en in sterven.
Paulus spreekt als zijn vaste overtuiging uit dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. Niets kan ons van die toekomst scheiden!
Tweede dood
In Klaagliederen lezen we hoe meer en meer het besef doorbrak dat deze rampspoed aan hun eigen zonden te wijten was. Hun hart werd verscheurd omdat ze zo opstandig tegen God zijn geweest (1:20). In één adem door klagen ze dan over de dood van hun kinderen.
Ze leggen een verband tussen de dood in de stad en hun zonde.
Zonde – schuld – straf – dood: dat is de reeks die we kennen vanaf het begin van de bijbel. Paulus grijpt daarop terug in zijn uitspraak: het loon van de zonde is de dood. Of ook: de angel van de dood is de zonde. We zouden hier kunnen spreken van de tweede dood, een term die we in Openbaring 21:8 tegenkomen. Dood zijn betekent dat de gemeenschap met God voorgoed verbroken is. In het platgebrande Jeruzalem was dat ook zo. Contact met God was niet meer mogelijk. Er was geen altaar meer, en geen offerdieren, om de dienst der verzoening voort te zetten.
Er waren trouwens ook geen priesters meer. Een woord of een gezicht van God kwam er ook niet meer; in Jeruzalem was er geen levende profeet te bekennen. Alle communicatiekanalen met God waren geblokkeerd.
De eerste dood is daar een teken en zegel van. De eerste en de tweede dood vallen dan samen. Maar dat hoeft niet. Dat is het getuigenis van onze gereformeerde traditie in aansluiting bij de bijbel. De tweede dood is overwonnen. De gemeenschap met God in Christus kan niet meer verbroken worden. Vandaar dan ook dat de eerste dood in zijn kracht gebroken is, en wie gelooft geen angst meer aanjaagt.
Stervensangst
K.J. Popma heeft eens geschreven dat het een zegen is om in coma te sterven.
Geen strijd en angst! Dat is nu eens echt ontslapen. Het doet er niet toe, als de dood ons overkomt, terwijl we er niet meer bewust zijn. Het hangt er niet van af hoe we sterven.
Onze stervenservaringen doen er niet zoveel toe. Het hangt er maar van af of we tijdens ons leven hebben geloofd in de gekruisigde die is opgestaan.
Dan valt er niets te vrezen.
Nee, we raken nooit vertrouwd met de dood. Hij wordt geen goede vriend. We leren met hem leven in het licht van de eeuwigheid.