Schriftbeweging of belijdenisbeweging (2)
1975-07-18
Verval je, als je het confessionalisme afwijst, automatisch in het biblicisme? Dat was de vraag waarop ik de vorige maal een ontkennend antwoord trachtte te geven.- Jaargang 19
- nummer 27
Tegelijk probeerde ik nog eens onder woorden te brengen, wat m.i. het eigene is van de geestelijke opleving in de eerste helft van deze eeuw, met name van de dertiger jaren. Een nieuwe /benadering van de Heilige Schrift, die ,neer dan vroeger historisch van aanpak is; een oog hebben voor het Genesis-karakter van de Bijbel. Ik wilnu beginnen met antwoord te geven op de vragen van ds Van Ommen, of ik destijds in mijn tekening van het verleden wel recht gedaan heb (aan de kerkgeschiedenis in het algemeen en aan die van de vrijmaking in het bijzonder. In de nasleep van deze(beantwoording lever ik dan nog wat kritiek op bepaalde punten in onze belijdenisgeschriften, waarmee ik mijn stelling wil staven, dat deze geschriften voortaan zonder ons anders zullen moeten functioneren dan tot dusver.
Ds v. O. vraagt in de eerste plaats, of ik de grote reformatie wel terecht als een Schriftbeweging heb getypeerd. De grote reformatie is toch immers de beweging geweest, die de bekende confessionele geschriften heeft voortgebracht?
Deze vraag is gemakkelijk te beantwoorden. De confessionele geschriften immers waren resultaat van het Schrift verstaan van de mannen der grote reformatie. Zij gingen niet aan deze reformatie vooraf, zodat Luther en Calvijn daarop in hun reformatorische arbeid konden teruggrijpen of daarvan konden uitgaan. Ze deden dat ook niet met de confessies die toen al wèl bestonden, bijv. de twaalf artikelen van het geloof, Die leefden voor hen, die golden voor hen, dat wel, maar daarnaast lazen ze vóór alles de Schrift zelf, onafhankelijk van de traditie.
En het is bekend, dat bijvoorbeeld Calvijn niet zo erg gelukkig was met het symbolum quicumque (ook wel genoemd naar Athanasius).
Ook heeft de Heidelbergse Catechismus ten aanzien van het artikel over de nederdaling ter helle van de Here in het credo een uitleg geboden (antw. 44) die duidelijk afwijkt van wat daar oudtijds mee bedoeld was. Een duidelijk bewijs dat de gereformeerde vaders zich zeker niet door zoiets als 'n Dordts ondertekeningsformulier aan de oudchristelijke symbolen gebonden voelden. Stellig is de grote reformatie belijdenis vormend geweest. Maar zij zelf was geen belijdenisbeweging.
Wanneer ik nu de Afscheiding wèl zo benoemd heb, wil ik dat niet zo verstaan hebben, dat in de tijd ven de Afscheiding de Schrift ,gesloten is gebleven Stellig werd zij geopend, met name in de prediking. Terecht zegt ds v. O. van de prediking van ds H. de Cock: "Zouden zovelen uit wijde omtrek telkens weer, met alle bezwaren en gevaren daar aan verbonden, naar Ulrum zijn getrokken, als in de prediking niet uit die bron (van de Schrift) was geput?" Helemaal mee eens! Alleen, men las de Bijbel in het licht van de confessie en men had 'geen behoefte aan zelfstandige Schriftstudie daar buitenom. De belijdenis deed dienst als de enige sleutel der kennis. llk doe daar niet lelijk over, noem dat ook geen confessionalisme. Confessionalistisch wordt het pas als je weet of vermoedt, dat die confessionele sleutel een tikkeltje verouderd is en je dan toch stijf en strak blijft volhouden, dat 't de enige is, die gehanteerd mag worden.
En nu de Vrijmaking. Ds v. O. schrijft: "wat zijn de synodale uitspraken over verbond en doop niet hevig en veelvuldig bestreden óók vanuit de belijdenis". De strekking van 'deze opmerking is, dat je de Vrijmaking behalve als Schriftbeweging ook best als belijdenisbeweging zou kunnen typeren.
Misschien is dat wel waar. Ik heb het trouwens niet zozeer over de Vrijmaking gehad als wel over wat daaraan voorafging, daaraan ten grondslag lag. Ik vind het niet zo vreemd, dat de bezwaarden van destijds, die onder confessionele verdenking stonden, zich ook met de confessie verdedig,den. Ten dele kon dat ook wel. Want, nog eens, we moeten het verschil tussen Schriftbeweging en belijdenisbeweging niet opblazen. Terecht beriep men zich tegenover de synodale verbondsleer op zondag 25 van de H. Cat. en op art. 33 van de N.G.B. (Ten aanzien trouwens van de bekende zinsnede uit het Doopsformulier: " ...ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben" ben ik niet zo zeker. Men beriep zich daarop, geloof ik, ook van de andere kant.) Toch herinner ik mij" dat men de bezwaarden van toen wat in verlegenheid bracht door een herinnering aan de Franse tekst van art. 33 van de N.G.B. De Nederlandse (officiële) tekst zegt weliswaar, dat God ons de sacramenten gegeven heeft “om aan ons zijn beloften te verzegelen", Maar de franse tekst heeft: "om in ons zijn beloften te verzegelen (en neus)".
Ds C. Vonk besteedt er een bladzijde aan (Voorzeide Leer, III b, pg. 248/9) om duidelijk te maken, dat 'en nous' de betekenis heeft van 'à neus'. Dit gaat m.i. in tegen de kennelijke bedoeling van het artikel, dat het 'heeft over twee werkingen van het sacrament, te weten aan ons en in ons. Maar het is duidelijk dat de bezwaarden dit 'in ons' niet Z'O goed konden gebruiken. Zij benaderden de sacramenten wel wat eenzijdig vanuit de kinderdoop en vermochten zodoende in het sacrament niet anders te zien dan een objectieve verzegeling van de blafte. Dat heeft onder ons vrijgemaakten wel tot een zeker verbondsobjectivisme geleid. In de praktijk leerde men, hoe vreemd dat ook mag \klinken, toch ook zoiets als een veronderstelde wedergeboorte, wel niet als grond voor de kinderdoop, maar omdat men zo groot dacht van Gods beloften. De noodzaak van persoonlijke bekering vervaagde, via de (overigens juiste) opmerking dat ze een dagelijks terugkerende realiteit moest zijn, Als ik me niet vergis, staan we vandaag aan de vooravond van een subjectivistische reactie hierop. Deze blijkt. uit belangstelling voor bewegingen als Ichthus, Navigators, Campus Crusade enz. Hier en daar komt zelfs herdoop onder ons voor.
Niet alleen betwijfel ik dus of de Vrijmaking zich wel in alles confessioneel kon verantwoorden, maar er zijn ook punten bij" waarin de confessie meer gelijk had dan de Vrijmaking, zover ik kan zien. Een waarschuwing voor mij, dat ik .de term Schriftbeweging inderdaad niet moet gebruiken om me van de confessie af tie maken. Een Schriftbeweging, die door bepaalde Schriftgegevens gegrepen is, kan zich inderdaad vergalopperen, als ze te weinig luistert naar de belijdenis der eeuwen.
In die zin zie ik daarom, met ds v. O. en ds H. Smit ven Den Helder, heil in een pendelbeweging. Alleen, een pendelbeweging kan gemakkelijk dienst doen als façade, waarachter het confessionalisme gewoon z'n gang blijft gaan. Suggereert het begrip pendelbeweging ook niet een zekere gelijkwaardigheid van de dingen waartussen gependeld wordt en kleeft er daarom niet hetzelfde bezwaar aan als b.v. aan het begrip 'correlatie'?
Het overwicht van de Schrift boven de traditie kun je er niet goed mee duidelijk maken.
Goed blijven Luisteren dus naar de belijdenis, het geloofsinzicht van de kerk der eeuwen, juist als je meent, iets van de Schrift op het spoor te zijn gekomen, dat tot dusver nog te weinig aandacht gekregen heeft. Maar juist dat nauwkeurige luisteren vangt ook de wanklanken en de missers op. We mogen geen spijlkers zoeken op laag water en het gaat dan ook om meer dan om de vraag wie de brief aan de Hebreeën geschreven heeft. Maar laat ik toch eens een drietal punten noemen, die er bij rustige overweging toe kunnen leiden, dat we het gezag der belijdenis wat relativeren. In de eerste plaats een interessant geval, waaruit de tijdgebondenheid van de belijdenis duidelijk blijkt. Bij de uitleg van het zesde gebod: gij zult niet doodslaan, treffen we in de Heid. Cat. de zin aan: "waarom ook de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren", antw. 105. Bij het derde gebod: gij zult de Naam van de HERE Uw God niet ijdel gebruiken, vinden we de opmerking: "er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt dan de lastering zijns naams; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft", antw. 100. Beide malen gaat het hier over het straffen, de ene keer van moord, de andere keer van godslastering. Alleen ,de ene keer wordt met zoveel woorden de instantie genoemd die de straf moet opleggen en uitvoeren, namelijk de overheid, de andere keer is dat niet aangeduid. Wie de godslastering moet straffen, is in het midden gelaten. Daar was dan ook veel over te doen in die tijd.
Onder godslastering vielen namelijk ook de zware vormen van ketterij, maar het ketterdoden door de overheid was te dien tijde lang zo'n vanzelfsprekende zaak niet meer, als in de Middeleeuwen. Het was een heet hangijzer geworden, omdat de overheid hij het beoordelen van ketterij zich te vaak vergist had.
Dat hadden veel reformatorische christenen gemerkt, om het maar zacht te zeggen, Ook het feit dat de overheid zich bij een en ander kerkelijk liet voorlichten sloot de vergissingen bepaald niet uit. Interessant is nu, dat de Catechismus .deze moeilijkheid onbeslist heeft gelaten. Daar lezen wij" die het probleem niet meer kennen, gemakkelijk overheen en wat er wèl staat komt bij ons als besliste en stoere catechismustaal over. Maar je moet hier letten op wat er staat èn op wat er niet staat. Dan merk je bij alle zekerheid een stukje onzekerheid op, die menselijk aandoet en de Catechismus gewoon een beetje dichterbij brengt.
Zou het met dit voorbeeld voor ogen, ons ook niet geraden zijn ten aanzien van argeloos aan de overheid toevertrouwde zaken wat behoedzamer te worden? Zo is het niet moeilijk, uit de Bijbel aan te tonen, dat God op moord de doodstraf gezet heeft. Maar wie moet dat doen? Als de overheid steeds verder seculariseert, moeten wij h dan maar steeds, (à la Rom. 13), een zwaard in handen blijven praten? En als ze daarmee dan eens de waden gaat beschermen en de goeden bestraffen? Want de secularisatie zal ten slotte elk rechts, besef aantasten. Zij houdt geen halt bij de eerste tafel van de wet. M.a.w. de aarzelingen die de kerken der reformatie hadden ten aanzien van de eerste tafel der Wiet,beginnen wij nu te ondervinden als het over de tweede tafel gaat. De Catechismus Iaat een begin zien van de afbraak der theocratische gedachte, welke afbraak sindsdien i:s voortgeschreden.
Hier valt niet te ontkennen, dat wij vanuit dit inzicht komen tot een relativering van het belijdenisgezag. De Catechismus is op dit punt geen autoriteit meer, maar gesprekspartner.
Een ander punt betreft de Dordtse Leerregels.
De vaders van Dordt hebben de leer der verkiezing ontwikkeld in het sterke besef. dat vanuit die leer niet te kort mocht worden gedaan aan het duidelijke bevel in de Schrift tot bekeringen geloof. We kunnen, geloof ik, ook zeggen dat ze daarin geslaagd zijn. Toch lijkt een ander bijbels bevel in dit belijdenisgeschrift beschadigd te zijn geworden. lik bedoel het zendingsbevel. lk heb het nu niet over een meermalen aangevoeld manco van onze confessionele geschriften, dat daarin zo weinig of niets over de zending gezegd wordt, al is dat opvallend genoeg. Maar een manco is nog geen misser.
Manco's zijn er trouwens meer. Zo hoor je ook wel eens zeggen, dat er in de drie Formulieren van enigheid geen Israël-paragraaf voorkomt, die in een christelijke belijdenis toch eigenlijk wel aanwezig zou moeten zijn. (Ik ben overigens zeer benieuwd hoe zo'n Israël-paragraaf er uit zou moeten zien. Ik voor mij weet over het Israël naar het vlees niet zo veel te 'belijden'. Hoogstens zouik over het onderwerp enkele paragrafen 'verwerping der dwaling' op papier weten te brengen).
Maar nog eens, het gaat mij nu niet over het confessionele manco ten aanzien van de zending. Ik vind dat het zendingsbevel in de D.L. beschadigd wordt, omdat de Deer van de verkiezing over die duidelijke opdracht van God aan de gemeente heerst. Ik denk hierbij aan wat we lezen in I, 3: ,,,En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den gekruisigde". Als constatering achteraf is dit wel juist. Maar dan moet de verleden tijd gebruikt worden: God heeft verkondigers van de blijde boodschap gestuurd tot wie Hij wilde en wanneer Hij wilde. Zoals dan ook in Hand. 13 : 48 in de verleden tijd gezegd wordt: "en daar geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (St.vert.)", Dat is een dankbare constatering achteraf. Als je dit overzet in de tegenwoordige tijd: er geloven zovelen als er tot het eeuwige leven verordend zijn, dan formuleer je een onbruikbaarheid.
Het zendingsbevel: gaat heen en verkondigt, krijgt geen echte kans meer, nadat Je gezegd hebt wat de D.L. op dit punt zeggen. Het is dan immers God die in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit de verspreiding van het evangelie aan zich houdt, waar en wanneer het Hem behaagt. Zou hiermee het feit samen kunnen hangen, dat het grote zendingsoffensief van de 18e en 1ge eeuw niet vanuit de gereformeerde wereld gestart is? Later is er wel royaal en hartelijk aan meegedaan, maar het begon in groepen die minder confessioneel gebonden waren, de Hernnhutters bijvoorbeeld.
Ten slotte nog een ander punt uit de Canones van Dordt. In het prachtige hoofdstuk V, dat zeer pastoraal en vertroostend is, treffen we onder de verwerping der dwalingen, par. 4, de opmerking aan, dat de apostel Johannes verboden heeft te bidden voor hen die zondigen tot de dood. De tekst waarnaar verwezen wordt is 1 Joh. 5: 16: "Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, moet hij bidden en God zal hem het leven geven, hun namelijk die zondigen niet tot de dood. Er bestaat zonde tot de dood: daarvoor zeg ik niet dat hij moet vragen." Maar hier is geen sprake van een verbod van de apostel.
Dat zou het geval zijn als er stond: daarvoor zeg ik, dat hij niet moet vragen. Maar het woordje 'niet' staat bij Johannes vóór de komma. Een niet onbelangrijk verschil.
Ook wel voor de pastorale praktijk Want volgens de D.L. zal op gegeven moment (welk?) met apostolisch gezag tot ouders die bidden voor hun afvallig kind gezegd moeten worden: ophouden! Terwijl volgens de eigen woorden van de apostel dit overgelaten wordt aan de geloofsintuïtie van de betrokken christenen zelf. Ze mogen net zo lang doorgaan met hun voorbede als hun dat zinvol voorkomt. De apostel gebiedt het hun alleen niet. Ze mogen er mee ophouden, wanneer ze van hun eigen gebed de indruk krijgen dat het zeuren wordt.
Wat de belijdenis ihier trekt in de sfeer van het gebod, ligt in de Schrift zelf in de sfeer van het pastorale gesprek en van het overleg, waarbij voors en tegens opgeworpen kunnen worden en de zaak zelf tenslotte aan de verantwoordelijkheid van de biddende gelovige overgelaten wordt. Dit lijkt me een niet onbelangrijk gegeven in een tijd waarin zoveel zorgelijke voorbeden voor afgedwaalde kinderen, vrienden, ouders en echtgenoten plaats vinden. De tijd van de Dordtse vaders kende deze nood minder. Verklaart dat de slordigheid waarmee zij de tekst uit 1 Joh. 5 lazen? Het zou dan als een min of meer tijdgebonden fout verklaard kunnen worden, net als trouwens dat punt van het zendingsbevel.
Het is, gelood: ik, goed om zo eens enige kritiek op de belijdenisgeschriften op papier te zetten. Je blijft dan niet in het vage en het kan helpen om het gezag van de belijdenis tot wat normaler proporties terug te brengen. Ze zijn op meerdere punten, zoals ik eerder formuleerde, meer gesprekspartners voor ons geworden dan autoriteit. Dat zeg ik niet vanuit een door mode bepaalde anti-gezagshouding, maar als iemand die dankbaar constateert, dat het Scihriftlezen en de leiding van de Heilige Geest daarbij blijkbaar doorgegaan zijn na 1619. Ik zie er trouwens de opstellers van, onze confessionele geschriften op aan, dat zij met deze constatering, als ze die hadden kunnen doen, even blij zouden geweest zijn. Zij zelf zijn tenminste (op de Dordtse vaders na) niet degenen geweest die voor hun eigen geschriften een zo groot gezag hebben opgeëist als in het Dordtse ondertekeningsformulier is gebeurd.
Het kan duidelijk zijn. dat dit formulier in ieder geval, te ver gaat en een normaal functioneren van de belijdenis in de weg staat.