Een boek van dr V. Woelderink
1975-07-18
Er komen in het leven van ieder mens momenten voor die hij nooit vergeet. Dat zijn die ogenblikken waarin hij een ontdekking deed, een ontmoeting beleefde, die zijn leven wezenlijk verrijkte, waarin voor hem een licht' opging over iets dat hem reeds lang had bezig gehouden, dat hem kwelde en hij daardoor een vreugde beleefde die blijvend werd.- Jaargang 19
- nummer 27
De gedachte hieraan kwam als vanzelf bij mij op toen ik het pas uitgekomen boek van dr Woelderink - Verbond en Bevinding in handen kreeg en doorlas om daarover iets in "Opbouw" te schrijven. Dr Woelderink - toen nog ds - ontmoette ik voor het eerst op een studentenconferentie. Dat zal geweest zijn in 1928. Ds Delûeman, die destijds dicht bij ds Woelderink woonde en wist wat hij waard was, had het bestuur van de Geref. studentenbeweging op de in die kring nog geheel onbekende Herv. predikant attent gemaakt. lik herinner me nog goed het moment waarop ik hem voor 't eerst zag. Dr Woelderink was op het eerste gezicht een wat vreemde eend in die (studenten)bijt. Hij droeg een zelfs voor die tijd wat ouderwetse jacket + wit front en zwarte strikje. Hij was zwijgzaam en liep bedachtzaam tussen de Lunterse barakken.
Aan hem was gevraagd een avondtoespraak te houden over de betekenis van het geloof.
Woelderink sprak in de beste zin van het woord "gezalfd". Ik hoor nog zijn "wereld".
Maar nauwelijks was hij met zijn toespraak begonnen of hij "had" zijn kritisch auditorium.
Zo had ik nog nooit over het geloof horen spreken. Zo levend, zo concreet, zo bijbels, zo bevrijdend. Toevallig zat ik naast prof. Waterink. Toen Woelderink was uitgesproken zei hij tegen mij: "Als ik mijn ogen dicht had gehouden en niet had geweten wie de spreker was, zou ik gezegd hebben: Zo kan alleen prof. Bavinck over het geloof spreken." En dat woord gold niet alleen de wijze van spreken: helder, boeiend, voornaam - maar ook en vooral de inhoud.
Woelderink's referaat werd op ons verzoek in het Geref. Theologisch Tijdschrift geplaatst, Toen ik later Bavinck's prachtige boekje .,De zekerheid des Geloofs" las kon ik de opmerking van prof. Waterink ten volle begrijpen en beamen.
Een jaar of tien later "ontmoette" ik ds Woelderink weer. En die ontmoeting maakte nog meer indruk op me dan de eerste.
Toen ik predikant was geworden en voor de eerste keer over de doop moest preken raakte ik danig in de knoop, Zonder daarover veel te hebben nagedacht had ik de traditionele opvatting overgenomen dat men de te dopen kinderen moest houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd. Van de theorie der "veronderstelde wedergeboorte" moest ik niet veel hebben" maar de ",bejegeningsnorm" -. zo noemde men dat later - van het "houden voor wedergeboren", och ja, die had ook ik, net als de grote massa van de gereformeerden, geaccepteerd. Maar, zoals ik zei, hij de voorbereiding van mijn eerste .,dooppreek" raakte ik valst. De vraag: "wat betekent en verzegelt de doop nu eigenlijk, werkelijk?" kwam met alle kracht op mij af. Verzegelde de doop iets in het te dopen kind? Maar wat dan? De wedergeboorte?
Maar niet alle gedoopte kinderen waren wedergeboren! En niet allen zouden het worden! Was er dan tweeërlei doop? Eén waardoor de "wedergeboorte" of het "geloof" (en dan nader de ",geloofskiem") werd verzegeld en een andere waarbij dat niet het geval was?
lk kende ook de bekende zo logisch schijnende redenering: de doop dient tot versterking van het geloof. Maar - wat er niet is kan niet versterkt worden! En daarom moeten we aannemen, veronderstelden, dat er in de dopeling geloof "aanwezig" is. Maar ook die redenering voldeed mij niet. Er was ook de bekende opvatting dat de belofte des verbonds die het volle heil toezegt zeer zeker aan het zaad des verbonds wordt gegeven en ,,,in de doop daaraan verzegeld" wordt. Doch dat men bij dat woord "zaad des verbonds" niet moest denken aan dat zaad hoofd voor hoofd, maar aan dat zaad, die kinderen, als totaliteit, en dan wel nader aan dat zaad gerekend naar zijn uitverkoren kern.
Omdat we evenwel niet weten wie van deze kinderen uitverkoren zijn, wie tot die "kern" behoren, moeten we beginnen ze allemaal voor wedergeboren te houden. Maar - alleen de uitverkoren kinderen ontvangen de echte, volle doop. De doop van de niet uitverkoren , kinderen is niet een echte, een volle doop. Kuyper noemde hun doop zelfs wel eens een "Schijndoop". Er werd voorts getheoretiseerd over een "inwendig" en een "uitwendig" verbond. Of over een "inwendige" en een "uitwendige zijde" van het verbond. Maar met die onderscheidingen kon ik ook niet overweg. De bij Ib el vergelijkt het verbond met een huwelijk. Kun je nu soms ook spreken van een inwendig en een uitwendig huwelijk, een inwendige en een uitwendige "zijde" van een huwelijk?
Er wem in verband met de doop ook nog wel met andere onderscheidingen gemanipuleerd.
Men sprak van "uitwendige" en "inwendige" heiligheid. Als er in het doopsformulier van gesproken wordt dat de te dopen kinderen "in Christus geheiligd" zijn wordt daar, ZJO leerde b.v. Bavinck, de "inwendige" heiligheid mee bedoeld, Prof. Aalders hanteerde de onderscheiding "wezen" en "verschijning" van het verbond. De kinderen die niet uitverkoren zijn hebben al]:een deel aan die "verschijning" van het verbond. Maar zij die in Christus Jezus zijn uitverkoren zijn niet alleen de "verschijning"
maar ookhiet ",wezen" van het verbond deelachtig. Zij zijn bondskinderen in de eigenIijke zin van het woord en zij alleen ontvangen de echte, volle doop. Een paar jaar voor ik predikant werd hadden de Gereformeerde Gemeenten een "leeruitspraak" over het verbond opgesteld. Daarin werd uitgesproken dat het verbond der genade onder "de beheersing" staat van de verkiezing! Het "wezen" van het Verbond geldt daarom alléén de uitverkorenen. Maar nat verbond heeft ook een "bediening" ontvangen. En die "bediening" van het verbond omvat veel meer mensen dan de uitverkorenen. Zo dacht, schreef, bepaalde men. En dat is nog niet alles.
Was het niet om crazy te worden? En het eind van al het pIoeteren met deze onderscheidingen was steeds weer de vraag: "Maar wat betekent en verzegelt die doop nu eigenlijk, werkelijk?" "Wat heeft dat kindje dat ik zo juist doopte nu en later, eigenlijk, werkelijk, aan de doop die ik het in de naam van Gold bediende?"
In deze moeiten ben ilk Calvijn gaan bestuderen. Ik herinner me nog levendig dat ik in zijn Institutie op deze zin stuitte: "Dit is de volkomenheid, de ongeschondenheid (de integritas) van het sacrament, welke de gehele wereld niet kan schenden, dat het vlees en het bloed, van Christus even waarlijk aan de onwaardigen gegeven wordt (ja, dat staat er: gegeven wordt - dan!) als aan Gods uitverkoren gelovigen.' Deze zin was een openbaring voor mij!
Want Calvijn zegt hierin duidelijk dat het overeenkomstig Gods instelling bediend sacrament altijd een echt, vol, waarachtig sacrament is. Of, anders gezegd, dat de inhoud, de kracht, de ernst van het sacrament, als het naar Gods instelling wordt bediend, niet alleen niet afhankelijk is van degene die het bedient, maar oolk niet van de gesteldheid van hen aan wie het bediend wordt.
Wel is het zo, dat alleen zij die het sacrament gelovig aanvaarden, "gebruiken", de "waarheid", de "inhoud" daarvan ontvangen, In art. 35 van de Ned. Geloofsbelijdenis staat dat bijzonder duidelijk, namelijk in de franse tekst die ook officieel is. Daarin leest men namelijk dit: de goddeloze grijpt, pakt (prends) wel helt sacrament - het volle, echte sacrament -, maar hij ontvangt (reçoit) niet, 'krijgt niet de "waarheid" van het sacrament.
In de tweede Zwitserse, door alle Geref. Kerken graag aanvaarde confessie staat dit wel bijzonder duidelijk. Zo: namelijk: "Ofschoon de goddelozen of ongelovigen, al horen en begrijpen zlij de woorden, toch de aangeduide zaken niet genieten, omdat ze die niet met een waar geloof aannemen - zo. blijven de sacramenten, die uit woord, teken en betekende zaken bestaan, toch ware en volkomen sacramenten, daar ze niet sleehts de heilige zaken aanduiden, maar God de betekende zaken ook aanbiedt, ofschoon de ongelovigen de aangeboden zaken niet ontvangen. Dit laatste geschiedt niet door een fout van God die waarlijk geeft en aanbiedt, maar door de schuld van de mensen die het sacrament zonder geloof en onwettig aannemen. Het ongeloof van dezen maakt evenwel Gods trouw niet krachteloos (Rom. 3:3 v.)" Hierin wordt wel zeer duidelijk de "volkomenheid'" der sacramenten geleerd. Er wordt daarin immers dit gezegd.
1e. De sacramenten bestaan uit woord, teken en betekende zaak, Dat is hun "natuur", hun" wezen".
2e. De naar Gods instelling bediende sacramenten zijn altijd ware en volkomen sacramenten; ze duiden immers niet slechts de heilige zaken aan, neen God biedt in en door die
sacramenten de heilige zaken ook metterdaad en ernstig aan.
3e. De sacramenten zijn altijd ware en volkomen sacramenten, ook wanneer ze aan goddelozen en ongelovigen worden bediend. Het ongeloof en de boosheid der mensen kunnen Gods trouw nooit krachteloos maken, ook niet Gods trouw zoals die in zijn sacrament gestalte krijgt en in het leven der mensen inkomt.
Alles wat ik zo omtrent de doop - en het avondmaal - leerde zien werd verhelderd door de overweging van wat in het doopsformulier staat. Dat prachtige doopsformulier waarvoor Kohlbrugge al zijn geschriften cadeau wilde doen! In dat doopsformulier wordt namelijk met alle klem gezegd dat de doop ons Gods belofte verzegelt. De doop betuigt en verzegelt ons, zo wordt ons daarin immers voorgehouden, de afwassing van onze zonden.
En dat wordt ons dan nader uitgelegd door te zeggen dat als wij in de naam des Vaders gedoopt worden God de Vader betuigt en verzegelt dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht. Dat, als wen in de naam van de Zoon gedoopt worden, de Zoon ons verzegelt dat Hij ons wast in zijn bloed. En dat, als wij in de naam van de Heilige Geest gedoopt worden, de Heilige Geest ons verzekert dat Hij in ons wonen en tot lidmaten van Christus heiligen wil.
Dat alles wordt ons volgens dit formulier in de doop gezegd, verzekerd, betuigd, verzegeld.
Dit alles geschiedt dan door de besprenging met het doopwater onder het uitspreken van de bekende doopwoorden: Ik doop u - Jan, Marie, Anna - in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Nu vielen mij bij de overweging hiervan vooral drie dingen op.
1e. Als een doop overeenkomstig Gods instelling door een predikant aan een kind wordt bediend, gebeurt dat in feite door God zelf. Zo'n predikant is maar een tussenpersoontje die niets anders doet en zegt dan wat God hem voorschrijft.
2e. Die doop is een handeling die aan één persoon(tje) geschiedt. Die wordt uitdrukkelijk bij name genoemd! Het is zelfs de enige keer dat God ons in de vergadering van zijn kerk zo bij onze naam noemt.
3e. In iedere doopsbediening doet God met een dopeling HETZELFDE en zegt hij daartegen ook HETZELFDE. Ja, inderdaad, PRECIES HETZELFDE: Ik doop u in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Welnu dan moet ook wat God in zo'n doop doet, zegt, betekent, verzekert, betuigt, verzegelt precies hetzelfde zijn.
Als dat niet het geval was zou God dubbelzinnig zijn ! Dan zou Hij met éénzelfde handeling en met éénzelfde woord aan de ene dopeling veel meer doen en' zeggen dan aan een andere! En dat is onmogelijk! God doet en spreekt nooit dubbelzinnig.
Natuurlijk is er een groot verschil tussen wat de dopelingen met hun doop doen. Of ze daar gelovig mee bezig zijn en blijven en daaruit leven. Of dat ze die verachten. Maar dat is een andere zaak! Dat verandert aan de inhoud, de echtheid, de gemeendheid van de doop niets!
Toen de realiteit, de heerlijkheid van de doop voor mij begon te leven verscheen in 1938 het boek van ds Woelderink over het Doopsformulier. Ik heb het destijds in één ruk uitgelezen. En nadien nog verscheidene malen. Want daarin werd met een enorme kennis van zaken, vooral van de reformatorische theologie, en op een diep vrome en glasheldere wijze beschreven wat ik was begonnen te zien. Het beeld dat ik van de doop onder moeizaam ploeteren had gekregen werd er opeens door verhelderd. Het was of er een zon over de werkelijkheid en heerlijkheid van de doop was opgegaan.
Dit was een volgende ontmoeting met ds Woelderink waarvoor ik God altijd dankbaar ben gebleven, En daarom wilde ik die memoreren vóór ik over het nieuwe Woelderink-boek wat ga zeggen.