Het boek Daniël
1975-07-18
Open vensters- Jaargang 19
- nummer 27
Het koninklijk besluit met de dreiging van de leeuwenkuil, heeft geen verandering gebracht in Daniëls gebedsgewoonte. Niet alleen blijft hij drie maal per dag tot God bidden, maar ook houdt hij er aan vast dit te doen voor het open venster, zodat ieder die langs komt hem kan gadeslaan. Uit zijn houding blijkt waarmee hij bezig is; op zijn knieën neergebogen looft hij zijn God.
We hebben hierin geen uitdaging te zien; veel minder een Farizeïstisch getinte demonstratie van eigen vroomheid. Hier is het geloof, dat niet op zij gaat voor bedreigingen, doch eenvoudigweg blijft volharden bij wat goed is. De open vensters aan de kant naar Jeruzalem horen daarbij. In 1 Kon. 8 lezen we, dat koning Salomo in zijn gebed bij de inwijding van de tempel al rekening gehouden heeft met de situatie waarin Daniël zich bevindt: "Wanneer zij tegen u zondigen - er is immers geen mens die niet zondigt - en Gij op hen toornig wordt en hen overlevert aan een vijand, zodat men hen als gevangenen wegvoert naar het land van den vijand, ver of nabij, wanneer zij het dan ter harte nemen in het land waarheen zij weggevoerd zijn, zich bekeren en tot U smeken in het land van wie hen weggevoerd hebben en zeggen: wij hebben gezondigd, ongerechtigheid bedreven en goddeloos gehandeld, wanneer zij zich dan tot U bekeren met hun gehele hart en hun gehele ziel in het land hunner vijanden die hen weggevoerd hebben, en wanneer zij tot U bidden in de richting van het land dat Gij hun vaderen gegeven hebt, van de stad die Gij verkoren hebt, en van dit huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb - hoor dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, naar hun gebed en smeking en verschaf hun recht."
;Het bidden in de richting van land, stad en tempel is het zich beroepen op de God van de verkiezing, de belofte en de trouw. Zoals wij mogen en moeten bidden in de naam van Jezus, d.w.z. met beroep op alles wat God in Zijn Zoon voor ons heeft gedaan, zo mocht Israël bidden in de tempel of in de richting van de tempel als een beroep op alle daden des HEREN waarin Hij zich de God van Zijn volk had betoond.
Bidden in de richting van Jeruzalem is bidden in de erkenning, dat gebedsverhoring niet rust op de vroomheid van de bidder, maar alleen op Gods heilsdaden. En tevens is het belijden van het geloof, dat er nog verwachting mag zijn; land en stad en tempel zijn geen voorgoed afgeschreven grootheden. In het gebed wordt zo vastgehouden aan wat de HERE heeft gegeven, in het vaste vertrouwen, dat eens het volk weer zal wonen in het land en dat stad en tempel zullen worden herbouwd. Open vensters! Geen demonstratie van de vrome mens, maar publieke belijdenis van geloof. En als er waarlijk verwachting is, dat God macht heeft volk en stad en land weer samen te brengen, dan blijft er geen plaats voor angst, omdat de koning beveelt en dreigt. Een koning, die machtig lijkt, maar die de gevangene is van zijn eigen woorden.
Toegesloten leeuwenmuilen
Als in Hebreeën 11 gesproken wordt over muilen van leeuwen, die door het geloof zijn dichtgesnoerd, moeten we, denken aan Daniël, van wie we lezen dat, toen hij uit de kuil was opgetrokken, generlei letsel aan hem werd gevonden, omdat hij op zijn God had vertrouwd. God heeft een engel gezonden, niet omdat Hij anders de leeuwen niet in bedwang zou hebben kunnen houden, maar opdat duidelijk zou zijn, dat de redding niet is te danken aan een bekwaamheid van Daniël als dierentemmer, maar aan een wonder van God.
Het geloof, zelfs zo'n groot geloof als hier gebleken is, kan niet de rechte verhoudingen in de wereld herstellen. Dat kan God alleen. Als heersers over al wat op aarde is geschapen, heeft God de mensen gesteld. Ook het gedierte der aarde is in het begin aan hen' onderworpen geweest. Maar die tijd is lang voorbij en de tijd dat kalf en jonge leeuw samen door een kleine jongen zullen worden gehoed, is nog niet aangebroken. In het jagen naar een toekomst, waar geen mensenheerschappij de aarde nog zal kunnen schaden, maar waar Gods vrede alles zal beheersen, is aan het geloof wel grote betekenis gegeven, zonder dat evenwel dat geloof een nieuwe wereld schept. Gelovige mensen zijn nodig in Gods plan; door het geloof is Daniël een man van uitzonderlijke betekenis geweest. Maar als er niets anders , was dan een gelovig volk, dan zou de toekomst donker zijn. Gelukkig heeft God meer gegeven dan gelovige mannen. Hij gaf Zijn Zoon.
Deze was bij de wilde dieren; Hem deden ze geen kwaad en hun muilen hoefden niet door een engel worden toegesnoerd. Zijn Messiaanse heerschappij herstelt wat geschonden is. Daarom is de toekomst licht. Zelfs Darius, die veel met Daniël ophad cn die zijn geloof prees, heeft toch Daniëls God geprezen: "Hij bevrijdt en redt, en doet tekenen en wonderen in hemel en op aarde, Hij die Daniël uit de macht der leeuwen heeft bevrijd".