Een gesprek over de charismatische beweging (1)

1976-01-16
  • Jaargang 20
  • nummer 3
Aan onze bekende ds C. Vonk uit Schiedam komt de eer toe, dat hij als eerste onder ons het verlegen zwijgen over de pinksterbeweging, die ook bij ons haar intocht houdt, verbroken heeft. Van hem is dezer dagen een kleine studie verschenen, getiteld 'Eenmaal Pinksteren' 1) De schiedamse emeritus pastor gaat met dit werkje niet in op konkrete gebeurtenissen in ons kerkelijk leven, zoals de scheuring in de gemeente van Breda, nee, hij tast dieper naar de daarachter liggende problematiek en stelt die aan de orde. Het grote voordeel daarvan is, dat 't de onbevangenheid dient.
Ieder kan nu vrij aan het gesprek hierover deelnemen, zonder bij voorbaat al ingedeeld te zijn. U merkt wel, dat ik blij ben met deze bedachtzame, ingehouden opzet.
Inderdaad moet het gesprek over deze dingen principiëel gevoerd worden. Juist omdat het zo'n licht ontvlambaar onderwerp blijkt te zijn.
Blij ben ik ook over de milde toon die dit boekje siert. Ergens (p.20) treffen we de zin aan: "Passen wij er toch voor op de kleinen niet tot wanhoop te brengen." Dat zegt ds Vonk waarschuwend naar de kant van de pinksterachtige gebedsgenezers.
Maar tegelijk merk je, dat hij er terdege mee rekent, dat deze kleinen ook onder de pinkstermensen zelf te vinden zijn. Die tracht ds Vonk te winnen. "Wanneer ik soms iets lees van of over de 'Geestesbewegingen' onzer dagen, probeer ik allereerst het goede ervan te' zien" (p. 20). Onder dit goede valt dan dit te noemen: "Ze blijven alle toch bijbels spreken over Jezus Christus als de Middelaar Gods en der mensen; over Zijn waarachtige dood tot verzoening voor onze zonden en over Zijn waarachtig gebeurde opstanding.
Laten we daarvoor dankbaar zijn. We horen wel andere geluiden"
(p. 21). Het is een bekend feit, dat zich onder de Geestesbewegingen van onze tijd veel eenvoudige gelovigen bevinden. Het is evenzeer bekend, dat ds Vonk over het vermogen beschikt om juist over de golflengte van de eenvoud te spreken en te schrijven.
Hij verstaat de gewone gelovigen en zij verstaan hem. Wat dat betreft is hij gewoon de ideale woordvoerder onder ons om dit soort van onderwerpen aan te snijden.

Toch ben ik niet van mening dat deze studie het nieuwe pinkstervuur dat onder ons begint te branden zal kunnen blussen. Ik zeg dit zeker niet triomfantelijk, want ik heb over de ontwikkeling op dit punt in onze kerken ook mijn zorgen.
Maar ik vind, dat dit boekje getuigenis aflegt van een geloofsbenadering waartegen de charismatische bewegingen zich niet geheel ten onrechte afzetten. Hoofdkenmerk van deze benadering is het objektivisme, dat er bij ons vanaf de Vrijmaking al wat ingezeten heeft, en er hier nu helemaal uitkomt. Het gevoelen, dat in dit werkje aan het woord komt, vráágt om subjektivistische reaktie.
Daarom ben ik eerlijk bang, dat ds Vonk hiermee meer olie op het vuur dan olie op de golven gooit. (Ik heb het natuurlijk niet over bedoelingen maar over gevolgen.) Hierbij heb ik vooral het oog op de vraagstelling die we in par. 12 aantreffen: "Is het wel correct te zeggen, dat de Heilige Geest aan de kèrk is toegezegd?" (p. 27 v.v.) Men lette hier wel op het nadrukstreepje op het woord 'kerk', anders zou de vraag in een christelijk boekje volstrekt onbegrijpelijk zijn. Maar er is hier een tegenstelling bedoeld: niet aan de kerk, maar aan de apostelen is de Heilige Geest beloofd. Hierbij wordt dan de gedachte ontwikkeld, dat allerlei beloften van Christus betreffende de Heilige Geest in de apostolische tijd hun vervulling hebben gevonden. Vooral uit het evangelie naar Johannes' beschrijving worden meerdere van zulke beloften genoemd. Bijvoorbeeld die uit 15 : 7b: "Vraagt wat gij maar wilt en het zal u geworden." "Dat is toch duidelijk evenzeer een belofte, die speciaal voor de apostelen gegolden heeft". (p. 29) Nu, het is mij nog niet zo duidelijk.
Ondanks het feit, dat er in deze Schriftgedeelten inderdaad uitspraken staan, die laten zien dat Jezus ze in een gesprek met zijn toen en daar aanwezige jongeren gedaan heeft. Bijvoorbeeld het woord uit het slot van hfst. 14: "Staat op, laten wij van hier gaan." Maar zou, ondank~ alle historische afstand, de kerk van alle eeuwen niet met de apostelen mede aangesproken zijn in deze monologen van Jezus? Hoe anders de ontroering te verklaren die altijd weer over je komt bij het lezen van deze hoofdstukken?

In meerdere Schriftstudies in dit blad heb ik er op gewezen, dat juist Johannes in zijn geschriften erop uit is geweest om de afstand tussen de oor- en ooggetuigen enerzijds en de gemeente anderzijds in te korten in plaats van aan te dikken.
Hij die van de kring van de twaalf het langst in leven is gebleven, kende het probleem van de tweede generatie het best: niet zien en toch geloven. En zeker, hij heeft die tweede en volgende generaties zalig gesproken boven Thomas, zoals ds Vonk terecht uit Joh. 20 : 29 aanvoert, maar hij heeft het verschil ook gerelativeerd.
Men moet bijvoorbeeld de geschiedenis van de verschijning aan het meer van Tiberias in Joh. 21 eens lezen onder het gezichtspunt van de schijnbaar zo betekenisloze woorden van Simon Petrus: "Ik ga vissen" en de echo daarop: "Wij gaan met u mede" (vs. 3). Hier wordt toch onmiskenbaar een nietapostolische situatie opgeroepen.
Een sfeer van alledaagsheid komt voor ons te staan, waaraan niets unieks is. Dit hebben mensen ten allen tijde kunnen zeggen en ze hebben het ook gezegd. Dit hoofdstuk begint er dus mee, ons de wereld van het dagelijkse leven binnen te voeren. In die wereld heeft deze verschijning van Jezus plaats gevonden. Suggereert dit niet, dat op deze of soortgelijke wijze de opgestane Here aan een ieder van ons verschijnen kan? Inderdaad niet zo dat wij Hem lijfelijk zien.
Dat blijft een verschil tussen toen en nu, daar en hier. Maar wel zodanig, dat we met vuur in de ogen en warmte in de stem tegen elkaar zeggen: Het is de Here (vs. 7). De schubben mogen dan aan onze handen zitten, maar de schellen zijn van de ogen.
Juist de oude Johannes is makelaar in het apostolisch getuigenis geweest. Lees daarvoor eens het warme begin van Johannes' eerste brief: "Hetgeen was van den beginne ... " enzovoorts tot en met vs 4. En stel daarbij eens de vraag: spreekt hier de apostel samen met zijn kollega's tot de gemeente of richten zich hier de apostelen samen met de gemeente tot de wereld? - en u zult merken dat beide mogelijk is. Het is allebei mogelijk, omdat onze Here Jezus hier aangeduid wordt als 'het Woord des levens'. Zo kon Hij heten tijdens zijn verblijf op aarde, maar het is eveneens voor de verheerlijkte Christus een zeer passende naam.
En zó, als Woord des levens, heeft niet alleen de jongeren-kring, maar ook de gemeente van alle tijden en plaatsen Hem met eigen ogen gezien.
aanschouwd en met de handen getast. "Het leven toch is geopenbaard" (vs 2).
Om deze reden kan ik niet aanvaarden, dat aan de deur van de zaal waar Jezus de afscheidsgesprekken met zijn jongeren voerde, een bordje zou hebben gehangen: verboden voor onbevoegden. Al die prachtige woorden over de Heilige Geest, zouden die éigenlijk alleen voor de twaalf gelden? Bijvoorbeeld de belofte van de Trooster, die tot in eeuwigheid bij ons zal zijn? (14 : 16 ). Nee, bedoelt ds Vonk, via de apostelen zijn die woorden ook voor óns gesproken.
Welnu, ik wil graag erkennen, dat ik voor mijn geloof van het woord der apostelen afhankelijk ben. Ik behoor inderdaad tot "hen, die door hun (der apostelen) woord in Mij geloven", zoals Jezus zegt in zijn gebed (17: 20). Maar ik geloof niet, dat mijn verhouding met de Here God over hen loopt. Dan immers zou de Bijbel (het woord der apostelen) geen middel meer zijn, maar doel. Daar lijkt het bij ds Vonk dan ook erg veel op als hij op p. 31 beredeneert, dat wij.
het ontvangen van de Heilige Geest of het gedoopt worden met de Heilige Geest niet nodig hebben; omdat wij nu de kostelijke Bijbel bezitten, waarin we naar hartelust mogen lezen. Maar, vraag ik, wordt ons christelijk geloof zo niet tot een boek-religie? En zal deze boek-religie de schreeuw om persoonlijke Godservaring die vandaag ook onder ons opklinkt, kunnen beantwoorden? "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God", zei Jezus, "en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt"'(Joh. 17 : 3). Dat is de rechtstreeksheid van onze verhouding met God. Afhankelijk van wat ons door de apostelen is overgeleverd, zijn we toch direkt verbonden met de Here zelf. Zelfs Jezus respekteerde dat, door zijn naam en zijn bemiddeling ongenoemd te laten in het gebed, dat Hij ons leerde. "Ik ben de weg" zei Hij. "Loop maar over Mij heen naar de Vader, Want Die zelf heeft u lief." Met minder kunnen wij niet toe.
(wordt vervolgd)

1) Een brochure, verkrijgbaar door storting of overschrijving van f 4,25 op gironummer 534103 t.n.v. A. de Blois Schiedam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief