De opwekking van Lazarus
1976-01-23
• Vriendschap - Jaargang 20
- nummer 4
In de loop van je leven ontmoet je onnoemelijk veel mensen. Sommigen daarvan worden je vrienden, mensen met wie je lief en leed deelt. Zij mogen in je hart kijken -- en jij in het hunne: zoveel kan het lijden. Het voorrecht is even groot als het risico. Maar dat risico neem je, om een onverklaarbare reden. Je schenkt en ontvangt vertrouwen, maar dat is niet meer dan het constateren van een feit. Het eigenlijke, het waarom, is niet in woorden te vangen.
Maar een feit is dat mensen zonder vrienden arm zijn.
Verbaast het ons te lezen dat ook Jezus vrienden had? Mensen naar wie zijn voorkeur meer uitging dan naar andere? Maar waarom zou het ons verbazen? Zijn vriendschap kwam toch niet in mindering op zijn liefde voor de anderen, voor wie Hij ook zijn leven gaf? Zou iemand Hem het recht kunnen ontzeggen er vrienden op na te houden?
Tegen zijn discipelen zei Hij eens: u heb Ik vrienden genoemd (Joh.15: 15). Onder hen is er één die zichzelf mag noemen "de discipel dien Jezus liefhad" (Joh. 20 : 2)Johannes, de broer van Jacobus.
Juist deze Johannes - het gaat over de opwekking van Lazarus (Joh. 11 : 1-44) - vertelt ons: Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. Even verder: Here, dien gij liefhebt, is ziek. En even verder: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen. Lazarus, en evenzo diens beide zusters, is niet zomaar iemand" voor Jezus. Des te vreemder is zijn reactie: toen Hij hoorde dat Lazarus ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was ...
• Is dat vriendschap?
Jezus heeft geen haast - niet in het verhaal zoals Johannes het vertelt en ook niet in werkelijkheid.
Logisch, zegt u - maar u kent dan ook de afloop.
Maria en Martha niet. De discipelen niet. En de Joden ook niet.
Als u een eerlijke vergelijking wilt maken moet u eens naast elkaar leggen (of na elkaar zingen): "Ik kom met haast, roept Jezus' stem" èn "Heer Jezus, ach wat duurt het lang tot aan die dag der dagen. Zie ons op aarde klein en bang, bezocht door duizend plagen". Misschien begrijpt u nu iets van het verdriet en de teleurstelling van een Martha en Maria: Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet zijn gestorven. Of van "de Joden" - zij zeggen wat WIJ denken - had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?
Dacht u dat Jezus dóóf was, dat Hij niet "tussen de regels door" verstond? Of dacht u dat Hij die twee dagen onbewogen bleef waar Hij was en zich niets aantrok van Maria's en Martha's onuitsprekelijke verdriet? Liet Hij - en laait Hij - de mensen rustig lijden?
Zoals wij, aan het eind van ons bijbel-latijn en in de verlegenheid van onze onmacht, tenslotte maar zeggen: de tijd heelt alle wonden en als Jezus terugkomt, dan ...
Maar ik hoor de mensen denken: Heer Jezus, ach wat duurt het lang ... zó lang, dat je ogen droog-geschreid zijn ... Jezus weende - Hij liet zijn tranen de vrije loop.
• Kijk eens verder
Zou Jezus niet weten wat vriendschap betekent? Joh. 14 lijkt een vat vol tegenstrijdigheden. Hoor maar: als Hij het misverstand bij zijn discipelen rond zijn woorden ("Lazarus, onze vriend, slaapt") uit de wereld heeft geholpen, heet het: het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben ... Waarom? ... opdat gij tot geloof komt! Daar moeten Maria en Martha, hoeveel Hij ook van haar hield, onder lijden. En opnieuw ga ik begrijpen waarom Johannes aan het slot van zijn evangelie schrijft: Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan ... maar déze zijn beschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam (20: 30, 31).
Geloven en het leven hebben dat gaat samen. Hoor het Jezus zeggen: wie in Mij gelooft, zal leven ... Verschuift ook Jezus de troost naar de jongste dag? Maar Martha, geen leerlinge van de Sadduceeën, had al beleden: ik weet dat mijn broer zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage.
Juist dan luidt Jezus' weerwoord: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven - gelooft gij dat? De vraag zal je, in zo'n situatie, door je Vriend maar voorgelegd worden ... Ongelooflijk: wie gestorven is zal leven en wie leeft zal niet sterven.
Gelooftú dat? Martha's antwoord reikt precies ver genoeg: Ja, Here, ik heb geloofd (in dat stadium ben ik nu), dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld zou 'komen. Daarmee is àlles gezegd ...
• En nóg iets verder
Wie in mij gelooft zal leven, ook al ware hij gestorven. Jazeker, Lazarus wordt uit het graf teruggeroepen.
Kort en krachtig: Lazarus hierheen, eruit! U benijdt hem?
Maar vergeet niet, dat diezelfde Lazarus straks nóg eens voor de poorten van de dood zal staan, En dan blijft ook hem niet anders dan Jezus' woord: Ik ben de opstanding en het leven, wie in Mij gelooft, zal leven . '.. De eendere weg voor allen, ook voor Jezus' vrienden. Vergeet niet: al ónze vragen ("was Lazarus wel echt dood") kunnen ook zijn vragen geweest zijn!
Nee, op onze andere vragen gaat Jezus niet in. Met welke gewichtige besluiten wij onze vraagstukken ook te lijf gaan, wij komen geen stap verder dan Jezus' eigen woorden. En zijn vraag: gelooft gij dat? Tenslotte stond Jezus iets anders voor ogen: deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God er door verheerlijkt worde! Dat is het wat Martha, bij haar bedenkingen tegen het wegnemen van de grafsteen, ook nog eens te horen krijgt: heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?
• De glorie van Gods vriendschap
Met Martha en Maria heeft ook Johannes die heerlijkheid, die glorie gezien. En dat niet alleen maar bij de opwekking van Lazarus.
Want het mag ons niet ontgaan dat Jezus zelf de dood niet kàn ontgaan. Zijn "triomf" bij dit graf wist het feit niet uit, dat Hij al doende en sprekende zelf aan de over Hem komende dood onderworpen is ... Johannes' evangelie eindigt niet bij de opwekking van Lazarus.
Juist die opwekking leidt onmiddellijk tot Kajafas' ongewilde profetie: ... gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk. verloren gaat. En sinds die dag beraadslaagden zij om Hem te doden ...
Ach ja, Zijn heerlijkheid, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders - wat zal een mens zich daarbij denken?
Stérven moet Hij - het is in uw belang; in zîjn dood schuilt óns leven. Dus laat Jezus zijn vrienden in hun vreugde en gaat zelf verder - zijn dood tegemoet.
Wij hebben, schrijft Johannes (1 : 14) zijn heerlijkheid gezien.
En daarin Gods heerlijkheid. Wat Gods eer, Gods grootste glorie dan is? Over het antwoord raak je nooit uitgedacht: Hij is vol van genade en waarheid. Eén en al bestendige rouw. En dát is de vriendschap die Hij ú biedt!