Rond Prediking en Vroomheid
1976-01-23
N.a.v. T. Brienen, Prediking en Vroomheid bij Reformatie en Nadere Reformatie.- Jaargang 20
- nummer 4
Kok, Kampen. 76 pag., f 9,50.
In dit boekje publiceert Brienen allereerst een rede over: Is reformatorische prediking vandaag nog noodzakelijk?
Tegenover huidige romantiserende, politiserende en charismatische tendenzen in de prediking bepleit Brienen de noodzaak van de reformatorische prediking De Reformatie uit de 16e eeuw luidde een herwaardering van de prediking in. Iemand als Luther bij voorbeeld stelde dat God uitsluitend en alleen door middel van de prediking tot Zijn gemeente spreekt, met haar handelt, haar bouwt. Vandaar dat de prediking de hoofdzaak moet uitmaken in de eredienst en in het hele Leven van de kerk.
Brienen gaat kort in op de inhoud van de reformatorische prediking.
Hij maakt een paar opmerkingen over de pneumatische werkingskracht van de prediking ten gevolge van de eigen werking van de Geest terzake van de prediking.
Al met al, een instruktieve rede, zeker de moeite van publikatie waard.
Wel is het zo dat een rede noodzakelijk zich beperken moet, waardoor het gevaar van globalisering spreken niet altijd vermeden kan worden.
Dat geldt m.i. ook hier.
Ik wil dat adstrueren aan Brienens verzet tegen de romantiserende tendens in de prediking vandaag.
Onder invloed van onze katholieke geloofsgenoten wint in onze dagen de gedachte veld dat de prediking een, zij het onmisbaar, onderdeel vormt van de eredienst en het gemeentelijk leven. De prediking is geen hoofdzaak meer. Brienen stelt, pag. 21, dat de preek geen onderdeel, bijzaak van of voorbereiding op het eigenlijke van de eredienst is, doch centrum en hoofdzaak in heel het leven en in alle diensten der kerk."
Maar dan houd ik toch wel de vraag over of dit zo sterke aksent op de prediking niet ten koste gaat van bij voorbeeld het Avondmaal als "viering van het heil" (C. Trimp).
Is het waar dat het sacrament naar zijn aard alleen maar een bijkomende funktie heeft ten opzichte van de prediking, zoals Brienen schrijft? De verhouding tussen prediking als hoorbare en Avondmaal als zichtbare en tastbare verkondiging van het Woord in de reformatorische eredienst verdient m.i, een hernieuwde bezinning. "Het Woord is inderdaad meer dan het teken, maar Woordplus-teken is meer dan het Woord", zo merkte Trimp onlangs in De Reformatie van 30.8.75 op. Zo zal het A:vondmaal toch een veel grotere plaats in onze eredienst mogen ontvangen dan de term "bijkomende funktie" laat vermoeden.
Het tweede hoofdstuk bevat de tekst van een serie zondagavondlezingen voor de NCRV-radio over de prediking van de Nadere Reformatie (N.R,), het onderwerp waarop Brienen vorig jaar promoveerde. Het is een bizonder goed leesbare en handzame inleiding in een zeker voor vrijgemaakten moeilijke materie.
Het 'ging de N.R. om de beleving van de leer. Mede onder invloed van het engelse puritanisme streefde men naar de toewijding van heel het leven aan God. "Dat is de praktische inslag in de trouw aan het Woord van God", pag. 28. Helaas m.i. sprak in de kringen van de N.R men veel over de verkiezing en haar uitwerkingen in ziel en leven.
De kracht van de N.R-prediking was gelegen in de subjektieve toepassing van de eerst uitgelegde objektieve heilswaarheid. Maar daar ligt volgens Brienen ook de bron van de ontsporing van deze prediking. Uit realktie op de na-dordtse dode orthodoxie met haer sterke akisent op de uitleg van de objektieve waarheid greep de N.R. terug naar die bijbelse en reformatorische totaliteitsvisie van de eenheid van uitlegging en toepassing, maar ging ze harerzijds alle nadruk vestigen op de toepassing met als gevolg dat men die twee veel te ver uit elkaar haalde, pag. 52/3.
Bij het objektleve woord buiten ons moet bijkomen het subjectieve werk van de Geest in ons. Maar men maakte ze, aldus Brienen op pag. 56. het werk van de Geest in ons los van het werk van Christus voor ons Er komt een scheiding tot stand tussen de beloften van het evangelie en de gestalten van het geloofsleven. Geen christocentrische maar anthropocentrische prediking dus.
Brienen laat niet na om de goede elementen in deze prediking naar voren te brengen. Terecht had de N.R.
aandacht voor bet toepassend werk van de Geest in de harten en levens dier hoorders. Ook wat genoemd wordt het dialogisch en kommunikatlef aspekt van de prediking werd niet verwaarloosd. Men wist het Woord aan de harren te brengen.
Ook wist men wat bevindelijk preken was. Het gaat in de bevinding volgens Brienen om levend en beleefd geloof, een formulering die we ook bij iemand als Woelderink kunnen tegenkomen ("Verbond en Bevinding").
De N.R. heeft dat in elk geval in de prediking tot uitdrukking willen brengen.
In dit opzicht zou de N.R-prediking in haar opzet wel eens wat korrigerend magen werken op ons vrijgemaakte predikers die de heilshistorische methode (B. Holwerda) in ons bloed hebben opgenomen.
Brienens eigen definitie van wat reformatorische prediking behoort te zijn llijlkt me juist ook voor ons uiterst bruikbaar want geeft aan het werk van Christus voor onsen aan het werk van de Geest in ons een evenwichtige plaats in de prediking.
Pag. 56: "Daarom is 'het beter de prediking te omschrijven als de levende verkondiging van het Woord van God, van het evangelie van Jezus Christus aan die gemeente met de oproep voor jong en oud tot geloof in Christus en bekering tot Hem en met geestelijke leiding voor die gelovigen in de situaties van hun tijd."
Lezing en overweging van dit hoofdstuk kan ik aanbevelen.
Het derde hoofdstuk bevat een viertal al eens eerder gepubliceerde kerkblad- artikelen over vroomheid bij Reformatie en Nadere Reformatie.
Het woord vroomheid heeft in moderne oren niet zo'n beste klank. Dat zal wel mede liggen aan de vulling die de N.R. er aan gegeven heeft.
Bij de N.R heeft vroomheid te maken met het innerlijke ziele-leven, waar bij uitstek het operatieterrein van de Geest gelegen is. Vroomheid is daar geworden tot ziele-vroomheid, ligt op het vlak van gevoelservaring en gemoedsdoorleving.
Brienen noemt dit een versmalling van de bijbels-reformatorische visie op de vroomheid.
Bij Calvijn functioneerde de vroomheid daarentegen binnen de verbanden van Bijbel en prediking, in binding aan Christus, en werd ze gevoed door het vertrouwen in het gepredikte Woord. Het ging hem in de vroomheid om de gelovige gemeenschap met Christus, voluit een geloofszaak dus, en iets wat het hele leven beslaat Geen ziele- maar lévensvroomheid wilde Calvijn. Kenmerkend voor zijn vroomheids-opvatting was de notie van de vreemdelingschap. Brienen Sluit zich aan bij W. H. Velema in diens boekje "Ethiek en Pelgrimage"
waar Velema kritiek oefent op Calvijn terzake van de vreemdelingschap, omdat z.i. bij Calvijn de levensverachting, de onthechting aan het leven in de vreemdelingschap een te grote plaats innam, ten gevolge waarvan bij Calvijn er meer sprake was van pelgrimage dlan van vreemdelingschap Overigens een kritiek die niet onweersproken is gebleven.
Maar toch is Calwijn in tegenstefling tot de N.R. veel meer in het bijbelse spoor gebleven. Aan de hand van de "Apeldoornse studie" van Oosterhoff/ Steenbergen over de bijbelse vroomheid tekent Brienen kort welke sporen de Bijbel hier trekt.
Vroomheid is geen achterhaalde zaak; juist onder jongeren is er alle aandacht voor. Lezing van dit hoofdstuik kan ons verlossen van karikatuurbeelden over de vroomheid.
Een boekje om te lezen, om elkaar cadeau te doen, dat noodt tot verdere studie. Een korte literatuurlijst kan daarbij goede dienst doen.
Het boekje is uitgevoerd zoals we van Kok kunnen verwachten: uitstekend.
Een personenregister kompleteert het geheel.