Ebed-Melech en Jeremia

1975-08-01
  • Jaargang 19
  • nummer 28
Apocrief evangelie
Kinderen spelen nog wel eens het spellotje "omgekeerde wereld": ja is nee en nee is ja. Maar in het Jeruzalem ten tijde van Jeremia was "de omgekeerde wereld" geen spelletje maar bittere ernst.
"Profeten" die den koning naar de mond spraken, vonden geloof. Profeten als Jeremia die God naar de mond spraken wachtte de dood. Een koning, geroepen om onder Israël het recht te bestellen en zo de volken te leren wat hun tot vrede dient, laat zich gezeggen door zijn ministers/dienaren en dekt daarmee het meest grove onrecht. De man op de rechterstoel van Jeruzalem erkent bitter zijn onmacht: zie, hij (Jeremia) is in uw hand, want de koning vermag niets tegen u... (Jer. 38 : 5). David nam het in zijn eentje tegen Goliath op, in de naam des HEREN. Een won van David laat - in Gods naam - toe dat een broeder onder de broederen wordt vermoord -,De man van Gods keuze gedraagt zich als een man die afhankelijk is van de volksgunst.
In plaats van het (Iatere) refrein: vlucht uit Babel (Jer. 51: 6; Openb. 18 : 7) wordt nu ieder van hoog tot laag, van koning tot soldaat aangezegd: vlucht uit Jeruzalem als je leven je lief is (38 : 2, 3). Zelfs het psalmboek blijkt te moeten worden aangepast aan deze omgekeerde wereld. Men z:a:lniet zingen: bidt met een a~gemene stem om vrede voor Jeruzalem, maar: bidt voor Babel, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn (29 : 7). Het is volmaakt apocrief: God laat de man die Zijn naam draagt (Zedekia) vallen, maar de man die Nebo in het vaandel van zijn naam draagt (Nebukadnezar) houdt Hij de hand boven het hoofd ... Zijn stad en lijn tempel, zijn volk en zijn land, zelfs zijn goede Naam geeft Hij prijs. Waarom? Omdat zijn volk al zo lang het spelletje "omgekeerde wereld" speelt. Blijkbaar zijn ze nog geen stap verder dan het lsraël uit de tijd van Eli: we halen de ark (Jahweh) wel even op ...
Getuige een Jojakim die in zijn winterpaleis op zijn gemak de boekrol van Jeremia’s profetieën in repen snijdt en in het vuur gooit (36 : 21 v.v.). Zo gaat dat I onder mensen die vol vertrouwen op de goede afloop elkaar op de schouders kloppen met een "des HEREN tempel is dit!" (7 : 4).

God wil wel meespelen...
Denkbeelden van God zijn nog gevaarlijker dan echte beelden .. Israël laboreerde er al vroeg aan, getuige ook het psalmboek: gij beeldt u in, dat Ik geheel en al ben als gij (Ps. 50 : 21). Het tweede gebod stond niet voor niets vooraan in de rij van verbondsartikelen! Maar niet de mens heeft het te zeggen over God (de omgekeerde wereld), God heeft het te zeggen over de mens. Zolang die mens dat accepteert, is hij zèlf "beeld van God"! Maar wil die mens op de lange duur niet anders, dan is God bereid het spelletje mee te spelen en dan wordt het pas bittere ernst. Dan gaat, ogenschijnlijk Nebo boven Jahweh en láát Hij hen in dat geloof...
voor een poosje. Daarvan wordt Jeremia, voorlopig Gods laatste bode, dan wel de dupe. In de meest letterlijke zin wordt hij lijdend voorwerp. Hij draagt om zo te zeggen zijn kruis al voor Christus uit. Na een pak slaag wacht hem de gevangenis (37 : 15, 16) en het huis van bewaring (37 : 21) - het dagelijks brood uit de Balekerstraat is een verfijnde parodie op het "uw water en brood zullen gewis zijn". Het brood raakt op en de put waarin hij levend be:graven wordt, bevat alleen water genoeg om ons lijk over te houden. Daar ben je dan tegen wil en dank profeet voor geworden. Exit Jeremia -logisch voor wie het bij menselijke rekenkunde houdt: 2 + 2 = 4 nietwaar? En de man ondermijnt tenslotte het moreel van de legerresten (38 : 4).

Een vreemde vogel
Uitgerekend in deze situatie duikt een Moorman op, een Ethiopiër, een man "uit het land van de mensen met de verbrande gezichten", een zwarte Piet.
Zijn geboorteland vind je ten zuiden van de huidige Assuandam (precies: waar die oude godentempel voor verplaatst moest worden), ten zuiden van Egypte dus. Wat moet die man in Jeruzalem? Ebed-Melech heet hij - en dat verklaart misschien zijn positie: knecht, dienaar van de koning. Een hoveling, en blijkbaar niet van de laagste orde gezien. Bovendien misschien een harembewaker. Had Salomo al niet een reputatie gevestigd op het gebied van vrouwen? Dat Zedekis er een uitgebreide harem op nahield blijkt wel uit zijn tweede onderhoud met Jeremia. En ook blijkt dat ze hem niet erg dankbaar waren. Zij zongen een bitter afscheidslied: misleid en overweldigd hebben u (Zedekia) de lieden, met wie ge bevriend waart; zij deden uw voeten zinken in de modder, (zelf) weken zij terug... (38 : 22).
Het merendeel der edelen (vorsten) is al eerder weggevoerd, onder Jojachim (29 : 2). Van de overgebleven redt uitgerekend deze Moorman Jeremia het lieven (37 : 7 v.v.). De weduwe van Sarfa th en Naäman de Syriër zijn toch niet zulke alleenstaande Eigur.en als wij soms denken.
Bovendien staat voor deze Moorman zijn eigen leven op het spel.
't Is een hachelijke onderneming. Deze "man met het verbrande gezicht" valt in Jeruzalem op als die (uit een gediciht bekende) grijnzende neger in een Hollandse straat. Des te erger voor hem ~de schrik slaat hem om het hart, 39 : 17) want Egypte en Ethiopië zijn voor Nebukadnezar één pot nat. En het is juist Egypte dat Juda heeft opgestookt tegen Babel in verzet te komen. De vazal moet zijn Baäl (heer, god) afvallende eeuwige politieke intrige rond Israël ... in dubbel opzicht. Nebukadnezar heeft er zijn veldtocht en beleg van Jeruzalem voor moeten onderbreken omdat farao Holramet een leger oprukte om Jeruzalem te ontzetten (tevergeefs, 37 : 7 v.v.). Van de kant van Babel heeft deze achtergebleven Moorman bepaald geen sympathie te verwachten. De man heeft zelfs van de gelegenheid geen gebruik gemaakt om te ontvluchten tijdens de onderbreking van het beleg. Hij zit als een rat in de val. En: is 2 + 2 voor hem geen 4?

In het leerhuis
Natuurlijk, God heeft de mensen rekenen geleerd: 2 + 2 = 4. Zo goed als hij hen in de landbouwschool het een en ander heeft bij gebracht (J er. 28 : 23-29). Deze Moorman, die het abc van Israëls onderwijs (de thorah) niet eens gevolgd zal hebben, leert niet alleen rekenen maar krijgt een les in rekenen met God. Hij krijgt de plechtige verzekering van Jahweh dat hij er 't leven niet bij in zal schieten - zo ontdekt hij wel welke God lééft: Nebo of Jahweh, En of je, zelfs als heiden, terecht op Jahweh je hoop vestigt (39 : 18).
Zulk geloof werd in Israël niet gevonden, .ook toen niet. De man was bereid zijn leven te verliezen. En heeft het behouden. Daar kun je je makkelijk van afmaken met te zeggen: zie je wel, God is machtig zelfs heidenen tot geloof te brengen. Zo hebben de rabbi's in Jezus" tijd er misschien Jok over gepreekt, met Ps. 87 als slotzang: de Filistijn , de Tyriër, de Moren zijn binnen u 0 Godsstad voortgebracht (de nieuwe berijming heeft ze helaas weer buitengesloten l), Maar wie goed luistert, hoort Jezus in de synagoge een heel andere exegese geven; over een profeet die uitgerekend in zijn vaderstad niet geëerd, geteld, gerekend wordt. Van heidenen kun je soms veel leren: wat geloven, vertrouwen, rekenen met God is. Zover kwam aanvankelijk zelfs Jeremia's secretaris, Baruch, niet (45 : 1-5). Laat het een goede les zijn!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief