De Chr. Gereformeerden en wij
1975-08-01
Al geruime tijd heb ik rondgelopen met de gedachte, dat het met de onderlinge toenadering tussen de Chr. Gereformeerden en ons niet gaat, zoals wij ons dat hadden voorgesteld en ook hadden bedoeld. Toen we serieus begonnen met het zoeken naar een kerkverband van de Vrijgemaakte kerken z.g.n. "buiten verband", was er bij sommige Chr. Gereformeerden een reactie, die ik zou willen typeren met het woord "schrikreactie". In een kerkbodeartikel werd de voor mij onbegrijpelijke opmerking "Alweer een kerk erbij!" gemaakt.- Jaargang 19
- nummer 28
Dat is voor mij onbegrijpelijk, omdat ik altijd nog de gedachte heb, dat een kerk erbij alleen kan betekenen, dat plaatselijk ergens de ambten worden ingesteld en een gemeente wordt gevormd. Ik meen ook nog, dat dit de gedachte is van alle Gereformeerde kerken, met welke nadere aanduiding of onderscheiding ook.
In de laatste tijd hoor ik nogal eens de vraag stellen "Wanneer komen jullie nu bij ons?". De prak., tijk hier en daar plaatselijk doet me denken aan een knabbelmethode.
Hier en daar een overgang van een groepje Vrijgemaakten naar Chr. Geref. kerken, op andere Plaatsen een uitnodiging daartoe.
In "Opbouw " van 4-4-'75 las ik het bericht van de kerk van Eindhoven, dat de Chr. Geref. broeders het betreuren, als de Vrijgemaakte kerken naar een zodanig geordend kerkverband toewerken, dat daardoor verdere integratie van beide kerken eventueel belemmerd wordt. In hetzelfde nummer van "Opbouw" las ik onder, de naam "Aalten" een uitspraak van ds Velema: "De buitenverbanders zijn samen uit het kerkverband geraakt en ze willen elkaar niet in de steek laten. We zullen echter sterk moeten benadrukken dat ze eens zullen moeten kiezen!".
Wàt kiezen? Is bedoeld een overstapje zonder meer? Ik meen, dat voldoende bekend kan zijn dat we niet zonder kerkverband zijn, al wordt die suggestie wel gedaan. Het is de vraag over het “Hoe?" van dat verband. In Noord-Holland is er nog hetzelfde verband als voor de scheuring. De classis Kampen is ook dezelfde gebleven.
De belangrijke vraag is: Welke weg wordt ons voor de onderlinge banden in de H. Schrift gewezen? Ik wil bezwaar maken tegen de poging éénzijdig de marsroute voor te schrijven bij een samengaan van de Chr. Geref. kerken en onze kerken. Stel dat hier in Kampen naar dat gegeven recept werd gehandeld, dat we zonder overleg mt de zusterkerken een overstapje namen. Dan bleven toch een belangrijk aantal kansels van de Chr. Geref. kerken voor ons gesloten. Een groot percentage van de Chr. Geref. kerken zou me niet accepteren. Ik zou het lot delen van sommige Chr. Geref. collega's voor wie een aantal kansels binnen hun classicaal ressort gesloten is. Een soort vonnis (schorsing?) waar ik me niet in zou kunnen vinden en die ik binnen onze kerken niet ken. Wie als gemeentelid of als groep gemeenteleden zo'n overstapje nemen lopen een grote kans een groot deel van de Chr. Geref. predikanten niet en géén van de nu nog Vrijgemaakte predikanten in eigen gemeente te kunnen beluisteren. Afgekeurd als "te licht" of "te zwaar". Dat hangt af van de plaatselijke situatie. Nog onlangs las ik een verslag van een vergadering van "verontruste Chr. Gereformeerden" waar tegen sommige predikanten nogal ernstige bezwaren werden geuit. Deze dingen zullen van beide kanten toch wel ernstig onder ogen gezien moeten worden. Vraagt men mij of ik dan niet met de Chr. Gereformeerden één wil worden, dan zeg ik natuurlijk "Graag!", maar dan een eenheid naar Gods Woord en geen eenheid onder een synode die doet wat alleen aan de ouderlingen is opgedragen. Een opdracht welke Christus, de Koning der kerk, aan de ouderlingen gaf kan toch nooit en mag nooit gedelegeerd worden aan een andere instantie, ook niet voor een deel.
Naschrift
Het introduceren van een gastschrijver in de rubriek "Kerkelijk leven" behoeft zèlf niet meer geïntroduceerd te worden. Het is al vaker voorgevallen. In een begeleidend briefje zegt ds Brink, dat hij met zijn artikel de overweging van al.les, wat zich ten aanzien van de onderlinge verhouding der beide kerkgroepen aan ons voordoet, bedoelt te stimuleren. Ook zou ds Brink gaarne zien dat ook de Chr. Geref. broeders zich hierop bezinnen.
Hoewel hij enige aanvankelijke ontstemming over het geschrevene bepaald niet uitgesloten acht, hoopt hij toch, dat zijn artikel tot een duidelijk en zuiver stellen van de zaken in geding zal mogen bijdragen. Ik hoop zelf een klein steentje tot de bezinning bij te dragen door in volgende nummers op enkele van de zaken, die ds Brink heeft genoemd, wat nader in te gaan.
Daarbij gevoel ik het ook door ds Brink gekoesterde verlangen, dat namelijk door het één en ander het eigen èn het wederzijdse begrip mag worden bevorderd.
H. Smit